Ger Groot

Epifanie

Wanneer de dichter J.H. Leopold in 1892 promoveert, luidt zijn voorlaatste stelling: ‘De werkelijkheid is oneindig divers in vergelijking met alle, zelfs de scherpzinnigste, uitoefeningen van het denkvermogen en verdraagt geen scherpe en grove onderscheidingen; de werkelijkheid streeft naar oplossing in het enkelvoudige.’

‘Dostojevski’, schrijft Leopold daarachter, dus vermoedelijk vormt deze oorspronkelijk in het Duits gestelde these een citaat. Ze verwoordde niettemin een besef dat in het laatste decennium van de negentiende eeuw onder nogal wat Nederlandse dichters leefde. Ook Gorter, Van Deyssel en Verwey ervoeren een wereld die in factoren ontbonden was. Niet alleen de dingen, maar zelfs de afzonderlijke zinsindrukken waren los komen te staan van elkaar en stelden een werkelijkheid present die bestond in een louter hier, nu en vooral dít. Gorter beschreef die ervaring veelvuldig, om één keer te concluderen: ‘…daaraan gelijk/ Komt élk ding en gaat élk ding en is schoon/ Omdat het eenzaam is’.

Vanuit die enkelvoudige indruk, zo schrijft de neerlandicus J.D.F. van Halsema in zijn bedachtzame essay Epifanie (Historische Uitgeverij) ontvouwt de wereld zich voor de dichter opnieuw. Zij verschijnt als een betoverend samenstel van dingen die er simpelweg zijn en van daaruit hun verrukking – of ontzetting – schenken.

Parallel aan die ontbinding van de werkelijkheid ontstond er dus een nieuw soort ervaring, waarin de loutere aanwezigheid van de dingen het volle pond krijgt, omdat er nu eenmaal niets anders meer ís. Ze kan niet langer verwijzen naar een bovennatuur waarvan ze eeuwenlang het symbool geweest is. Ze is alleen nog zichzelf, maar daarmee onherroepelijk verstrooid over een meervoudigheid zonder eenheid. Wat haar zou kunnen overkoepelen zou haarzelf te boven gaan en er is nu eenmaal slechts de onbestemde verzameling van de dingen die zich tonen.

Ook al kan dat laatste opnieuw worden overgoten met een mystiek sausje, die ervaring staat onherroepelijk in het kielzog van de dood van God. Ook Nietzsche, die er de grote profeet van was, was uitgegaan van een wereld die uiteenviel in singulariteiten. Dingen, voorvallen en indrukken waren stuk voor stuk enkelvoudig en het metafysische gareel dat hun werd opgelegd, vond zijn enige bron in de machtsuitoefening van het denken op een onschuldige werkelijkheid.

Dat die onschuld juist door het ontbreken van een beteugelend verband ook het gelaat van het kwaad kan aannemen, beseffen deze dichters maar al te goed. In hun kielzog zal de twintigste-eeuwse literatuur uitvoerig getuigen van de afwezigheid van troost of redding, wanneer deze ervaring zich eenmaal tot het duister heeft gewend. Maar intussen heeft de gewaarwording zelf wel een nieuwe plaats gekregen. Ze is niet langer een doorgang naar de echte werkelijkheid van een coherente kosmos, maar is de werkelijkheid geworden, waarachter geen kosmos of samenhang meer schuilgaat.

Daarom zal ervaring in het twintigste-eeuwse bewustzijn zo’n belangrijke rol gaan spelen, filosofisch ingeleid door de opkomst van de fenomenologie, die net als de epifanie genoemd is naar het verschijnen. Anders dan het empirisme vraagt ze niet allereerst naar de kennis die daaruit gedestilleerd kan worden (en dus alsnog een ‘verband’ herstelt). Ze beseft dat het ondergaan van een gebeurtenis iets anders is dan te worden geïnformeerd over zelfs de meest realistische details daarvan, hier, nu en dit.

Zoals Van Halsema laat zien, ontstond dat besef vanuit de negentiende-eeuwse natuurwetenschap, die begonnen was de werkelijkheid in factoren te ontbinden. De consequenties daarvan reikten verder dan ze zelf kon vermoeden. Ze maakte ook de beleving van de wereld anders en reduceerde – strikt genomen – het tweede tot het eerste. Filosofen hebben er nog altijd de grootste moeite mee dat onder woorden te brengen zonder hun analytische roeping te verraden, verscheurd tussen brabbeltaal en de veilige onwrikbaarheid van empirische sense-data. Dichters hebben het – waarschijnlijk alleen op dát punt – gemakkelijker. Onbekommerd schrijven zij, zoals Gorter: ‘Mijn lichaam was toen zoo wonderlijk,/ elk lid afzonderlijk/ leefde, ik zag het aan,/ ik wist niet waar te gaan.’