Sport

Epo

Je geeft een kip in een legbatterij toch niet de schuld van het feit dat hij vol groeihormonen en andere foute middelen zit?
De ene na de andere wielrenner bekent dat hij (nog geen vrouwen tot nog toe) in zijn carrière doping heeft gebruikt. Coureurs die een paar jaar geleden nog met droge ogen op het leven van hun kinderen durfden te zweren dat ze niet ‘gepakt’ hadden, biechten nu met iets minder droge ogen op dat ze destijds hebben gelogen – wat een enorme inflatie van het zweren betekent, alsmede een paar traumaatjes voor de kinderen van de renner in kwestie. (‘Papa, hou je wel van ons?’) De een na de ander trekt het boetekleed aan en schrijft zijn prestaties van de afgelopen jaren toe aan het gebruik van verboden middelen, epo bovenaan.
Zo verklaarde Bjarne Riis dat hij de Tour de France van 1996 had gewonnen door epo te gebruiken. ‘Hier, mijn gele trui mag je hebben’, zei hij koel. Riis ontleende een merkwaardig soort vertrouwen aan het feit dat hij eerlijk was: alsof hij nu het goede deed en dat van hem geen verderfelijk mens maakte. Zijn zege kan hem wegens verjaring niet worden afgenomen, maar die trui, die moet inderdaad terug naar de wielerunie.
De een na de ander bekent. Het lijkt eenzelfde collectieve bewustzijnsvernauwing als eerder, een paar jaar terug, de gezamenlijke ontkenning van vals spel. Wielrenners doen niet veel alleen. Ze verstoppen zich het liefst achter anderen, in de grote groep, het peloton, de bus. Wielrenners zijn geen individuen. In de hedendaagse Tour de France starten twintig ploegen van negen man, met elk één kopman, dus dat zijn 160 knechten en twintig meesters. De gemiddelde wielrenner is een knecht. Hij wordt opgeleid en betaald om een dienaar te zijn van een ander, die beter is dan hij, die wél een individu is. En de meeste coureurs vinden dat prima. Die hebben sowieso niet de durf of de persoonlijkheid om een leider te zijn, dus kiezen voor het knechtschap in de luwte.
En met één mond spreekt het peloton van knechten nu over de wandaden binnen de wielersport. Er is enorm veel doping gebruikt. Iedereen deed het. Dus je moest wel, anders kon je niet meekomen. Artsen spoten renners in, meestal met epo, en sommige renners spoten zichzelf in. En dat komt nu allemaal boven tafel.
Wielrenners zijn niet per se dom. Ze zijn gewoon geconcentreerd met hun vak bezig. Dat ze vaak niet hoog opgeleid zijn, is verklaarbaar. Je moet jong beginnen met de sport, en die is niet te combineren met een studie. Want een van de lastige dingen van wielrennen is dat het heel veel tijd kost. Serieuze wedstrijden beslaan zeker tweehonderd kilometer, en dat is een dag fietsen. Tel daarbij op de warming-up en de cooling-down, de massage, de groepsbespreking en de gezamenlijke maaltijd en er resteert alleen nog maar tijd om te slapen.
Ze worden en groupe van hot naar her gesleept, de mannen. Ze zijn een deeltje van iets groters: het peloton. Een organisme met 180 kernen. Een groep moet een groep blijven, anders valt de boel uit elkaar. Dus moeten alle neuzen dezelfde kant op en alle monden dezelfde taal spreken. Dus als er één ontkent, ontkent iedereen. En nadat er één is gaan bekennen, lijkt iedereen te gaan bekennen. De ontkenners van het eerste uur, zoals Jan Ulrich, die hun poot stijf blijven houden, maken zichzelf stilaan belachelijk.
Als iedereen straks bekend heeft, komt er misschien wel een generaal pardon.
Wielrenners die dopinggebruik bekennen hebben iets weg van de paarden en de lopers die toegeven dat Kasparov heeft gesjoemeld. Van de ruitenaas die opbiecht dat de blackjacker kaarten heeft zitten tellen. Want wielrenners zijn de stukken waarmee hogere machten hun spel ontwikkelen. De kaarten die worden gespeeld door belangrijker instanties dan de renners zelf. Pionnen. Stratego-stukken. Legers in Risk.
En ze zijn kippen in een legbatterij, blijkt nu. Want al die bekentenissen duiden erop dat de wielrenners al een jaar of tien, vijftien worden volgestopt met groeihormonen, spierversterkende middelen, epo en andere niet-lichaamseigen stoffen die ervoor moeten zorgen dat ze beter en sterker worden en de prestaties leveren die worden gevraagd. Verlangd. Geëist. Door wat of wie? Door het geflipte amusementskapitalisme. Door de commercie. De ploegleiders, de eigenaren, de sponsors. De mensen die er serieus aan verdienen, serieuzer dan de renners, die op een paar na niet veel overhouden aan hun batterijbestaan. Het grote geld pompt ze vol met middelen waardoor ze een tijdje hard gaan fietsen en vervolgens de rest van hun leven gesloopt zullen zijn.
En ze doen het voor ons. Het is onze schuld. Wij willen strijd en heroïek. Wij hebben ze in de legbatterij gestopt. Maar we kunnen ze er ook weer uithalen, denkt het Vegetarisch Sportfront. Op weg naar schone coureurs. Groen fietsen. Scharrelwielrennen. De strijd zal lang en zwaar zijn, maar het moet lukken. De bioindustrie bestaat over een tijdje tenslotte ook niet meer.