Ger Groot

Eponiem

Aan het slot van zijn wondermooie boek Ontregelde geesten (Historische Uitgeverij) komt Douwe Draaisma te spreken over ‘de wet van Stigler’. Het is het laatste eponiem in een boek dat geheel draait rond deze eigennamen, die ooit een persoon aanduidden, maar nu de zaak waarmee deze op een bijzondere manier verbonden is geraakt. De wet van Euclides en de stelling van Pythagoras zijn er een paar, net als het Lombroso-hoofd, het syndroom van Asperger en de ziekte van Parkinson. Die laatste drie voorbeelden komen uit Ontregelde geesten, waarin Draaisma schrijft over emblematische namen uit de geschiedenis van de psychologie. Ze zijn ziektebeelden gaan aanduiden, zoals ‘Korsakov’, ‘Gilles de la Tourette’ of ‘Alzheimer’, en hebben geen nadere toevoeging meer nodig. Nét iets minder spreekwoordelijk zijn de hersengebieden ‘van Broca’ of ‘van Brodmann’, het syndroom van Clérambault of de Jackson-epilepsie.

Helemaal aan het eind komt Stigler het feest verstoren. De wet die hij ontdekte behoort niet tot de psychologie maar tot de statistiek en in de loop van Draaisma’s prachtig geschreven portrettengalerij begint ze zich al langzamerhand af te tekenen. Geen van deze naamgevers bleken de werkelijke ontdekkers van de naar hen vernoemde fenomenen te zijn. Altijd waren er voorlopers en eerdere beschrijvingen te vinden die nooit in de mainstream van het wetenschappelijk vertoog terecht waren gekomen. Stigler maakte er een algemene wet van: eponiemen hebben nooit betrekking op de eerste vinders van een wetenschappelijke ontdekking. Soms was de vernoeming maar een kwestie van geluk of wetenschappelijke willekeur – maar nooit was ze zonder reden, zo stelt Draaisma vast. Met vernoemingen kan politiek worden bedreven. Ze verlenen prestige aan de naam_drager_ én de eponiem_gever,_ want wie vernoemt verbindt ook zijn naam aan de vernoeming – en daarbij hebben weer hele onderzoeksinstituten, wetenschapsprogramma’s, wereldbeschouwingen en zelfs naties hun belang.

Onder Draaisma’s pen komt zo een werkelijkheid naar voren die het wetenschappelijk bewustzijn gewoonlijk zorgvuldig uit zijn aandacht verdringt. Zuiver zijn de interessen van het wetenschapsbedrijf zelden, net zo min als ze immuun zijn voor de vooroordelen van zijn tijd, ook al zien ze zichzelf daartegen graag als ware helden van de geest een heroïsche strijd om de waarheid voeren. In de wetenschap geldt slechts wat empirisch en rationeel standhoudt: daarvan zijn ze overtuigd. Intussen laten ze zich begoochelen door alles wat in haar tijd ideologisch als vanzelfsprekend geldt – des te reddelozer naarmate ze overtuigder zijn van haar eigen intellectuele voortreffelijkheid.

Ongetwijfeld hebben ze daarvoor goede gronden. De meeste grote wetenschappers zijn inderdaad zeer pientere lieden; daarvan getuigen Draaisma’s portretten welsprekend. De vooringenomenheid waarmee ze hun eigen werk bekijken is dan ook eerder aan de mores en methoden van hun vak te wijten dan aan kortzichtigheid – al is die wel het gevolg daarvan. Zelden lezen wetenschappers immers publicaties uit hun vak die ouder zijn dan een paar jaar en daarmee bestaat hun vak in feite in een eeuwig heden. De geschiedenis is er zorgvuldig uitgefilterd, met achterlating van alle missers en vergissingen en onder behoud van wat waardevol bleef. Zo ontstaat er in de geest van de wetenschapper een orthodoxie die zichzelf ziet als een verlichte reis op weg naar steeds briljanter inzichten. Daartegen steken de armelijke pogingen van de bespiegelender disciplines beklagenswaardig af. Zij zijn zich maar al te goed bewust van hun eigen geschiedenis en dus van hun feilen. Tegenover de zekerheid van de ware wetenschap durven zij ook zelf – bij voorbaat gediskwalificeerd – hun stem nauwelijks meer te verheffen.

Wie kwaad wil, ziet in deze wetenschappelijke blindheid voor de eigen historie licht een gewiekste strategie die door middel van historische kortsluiting de illusie van de eigen voortreffelijkheid zo lang mogelijk tracht te handhaven. In werkelijkheid is het geloof in deze superioriteit even oprecht als naïef, en schuilt juist in deze eerlijkheid de reden van haar allergie voor iedere scepsis. Het vermoeden dat ook haar geschiedenis haar zwakkere momenten heeft gekend, snijdt ze subiet de pas af met het handzame en altijd effectieve verwijt van obscurantisme.

Obscuur wil in deze verlichte tijden immers geen mens meer zijn. En zo is er alleen nog de wetenschapsgeschiedenis die deze aanmatiging tot de orde roept door zowel haar huidige als haar historische zelfbegoochelingen te ontsluieren. Ze ziet achter de rechte weg van de rede de dwaalwegen van het vooroordeel en achter de historia official van de helden van de geest de manipulaties, leugentjes-om-bestwil en de geniale voorgangers wier naam verdween in de schaduw van de officiële eponiemen. Zelfs Stigler was niet de eerste die de naar hem vernoemde wet op het spoor gekomen was.