Martin Simek interviewt Martin Simek

‘Er bestaan geen kneuzen’

De 64-jarige vader Simek kijkt half verrukt en half bezorgd naar zijn kleine zoontjes. Hoe kanaliseer je hun niet te stelpen energie zonder die te onderdrukken? vraagt de tenniscoach zich af. Maar dat is nou juist het probleem: hij is niet hun coach, hij is hun váder.

Eerst wat getallen. Op welke leeftijd stierf uw vader?

Op zijn 73ste.

Hoe oud bent u?

Ik ben 64.

U hebt twee zoontjes van zes en acht. Als het in mijn macht lag om u de leeftijd van uw vader te garanderen, zou u ervoor tekenen?

Mag het niet 76 zijn? Dan is mijn jongste achttien. Ja, ik weet het, ik moet niet zeuren. Het is take it or leave it. Nee, ik zou niet tekenen. Maar als iemand me tachtig kon garanderen, zou ik in ruil al het materiële dat ik bezit schenken. Dan zijn Chacha en Nuru respectievelijk 22 en twintig.

Pardon? Chacha en Nuru, zijn dat namen?

Het was goed bedoeld, maar eigenlijk zouden kinderen op een bepaalde leeftijd zelf hun naam moeten kiezen. In plaats daarvan wordt ze een naam opgedrongen. En niet alleen een naam; ook de makkes van hun ouders, religie, ideologie, land- en clubliefde, noem maar op. Ze worden aan alle kanten geconditioneerd, kortom. Beter bekend onder de ambitieuze verzamelnaam opvoeden.

Nog even terug naar de aparte namen van uw oogappels. Het was goed bedoeld, zegt u.

Iris, hun moeder, heeft Afrikaans en Zeeuws bloed. Het zat er dik in dat onze jongetjes donkerder dan Jaap, Kees of Václav zouden zijn. Zo wilden we ze dus liever niet noemen. Iris kende gelukkig prachtige Swahili-namen: Chacha en Nuru. Ze had zelfs ooit allerschattigste jongetjes met die namen in Tanzania ontmoet. En inderdaad: de naam van Chacha was een schot in de roos. Maar onze Nuru is blond, en heeft dus het een en ander uit te leggen. ‘Nuru!? Hóe heet je? Núrú!?’ wordt hem regelmatig gevraagd. ‘Wat betekent dat?’ Gelukkig heeft hij er sinds een jaar een antwoord op: ‘Nuru betekent in het Swahili “Licht”.’

En Chacha?

Dat betekent Sterk. Als ik het van tevoren had geweten, had ik het nooit toegestaan om hem ‘Sterk’ te noemen. Het is de goden verzoeken.

Laten we voor Nuru, het licht, hopen dat hij niet faalt bij de citotoets, en voor Chacha, de sterke, dat hij in de toekomst niet met een bierbuik moet rondsjouwen.

Zo zie je hoe je als ouder een stempel op je kinderen drukt, alleen al door ze een naam te geven.

Acht u uw kroost in staat om over een paar jaar een grensrechter dood te schoppen?

Mijn oudste broer zei eens toen hij de onstuimige energie van mijn zoontjes zag: ‘Zorg dat je ze opgevoed krijgt voor ze van je winnen met worstelen.’ Het probleem van de hele hedendaagse maatschappij is dat we over verwoestende krachten beschikken, die heel veel kwaad kunnen als we ze als een kip zonder kop en gewetenloos inzetten. Een regenwoud met een motorzaag te lijf gaan is vele malen gevaarlijker dan met een handzaag. Een atoombom is andere koek dan een ijzeren kogel uit de loop van een middeleeuws kanon. Maar de mens blijft ondertussen nog altijd maar een mens. Hoewel wij ons onderscheiden van de rest van het dierenrijk doordat we bij leven de laatste stap in onze evolutie zelf kunnen maken. Voor een enkeling is het een uitdaging, voor de meesten helaas een last. Het merendeel van ons pakt liever wat dan ook aan dan zichzelf. Een grensrechter bijvoorbeeld.

Wat zou de rol van de vaders kunnen zijn?

Vaders hebben een voorbeeldfunctie, maar dat is in de hedendaagse op pr en geld gebaseerde wereld moeilijker dan het klinkt. Natuurlijk hoop ik dat mijn zoontjes over mij opscheppen bij hun vriendjes op school. Dat deed ik ook, opscheppen over mijn vader. Niet bij de communisten natuurlijk, wel bij de kinderen van m’n eigen bloedgroep. Door de zware represailles hebben de communisten een martelaar van mijn vader gemaakt. Hij boog niet, en daar was ik trots op. Hij was geen collaborateur. Ook vandaag kun je als vader de morele lat hoger leggen dan je collega-vaders, of, overdrachtelijk gezien, je collega-bankiers, collega-managers, collega-bouwondernemers, collega-sjoemelende loodgieters en welzijnswerkers. Je kunt door een eerlijke houding een verschil proberen te maken en fair play boven resultaat stellen. Maar ik zie mijn jongetjes op school al aankomen met het volgende wapenfeit: ‘Mijn vader is eerlijk.’ Eerlijkheid is niet cool, sullig zelfs. Het is al heel lang dat je niet meer met eerlijkheid aan hoeft te komen, zelfs niet in de sport. Kijk maar naar de dopingaffaires. In 1986 won Argentinië op het WK van Engeland door de o zo grappige handgoal van Maradona. Het was geen schande, want stiekem met de hand scoren is ook een kunst. ‘De hand van God’, noemde Maradona zijn goal en de wereld was het met hem eens. Van de hand van God naar een doodschop is een kleiner stapje dan je misschien zou denken. Tijdens het WK 1994 had de Colombiaan Andrés Escobar de bal per ongeluk in eigen doel gewerkt, waardoor Colombia er in de eerste ronde al uit lag tegen Amerika. De arme Colombianen die hun laatste geld op het nationale elftal hadden gezet waren het kwijt. Na terugkeer in eigen land werd Escobar doodgeschoten. In de wereld waar alles om geld draait moet je eerst puissant rijk zijn om te kunnen zeggen dat geld niet belangrijk is. Zo’n opmerking is net zo gratuit als kraaltjes geven aan de indianen uit respect voor hun eenvoudige liefde voor de natuur.

Hoho, meneer Simek, uw visie wordt steeds breder? Zo te horen mag van u het hele kapitalistische systeem op de helling.

Nou, op het hellende vlak bevindt het zich al. Maar het zullen niet meer revoluties zijn die ons gaan redden. Wel de individuen die uit de massa durven stappen en nieuwe wegen inslaan. Collectief denken is het einde van de democratie.

Want?

Want de massa bestaat helaas niet uit zelfstandig denkende individuen, maar heeft wel een miljoenenstem. Een individu zijn is langzamerhand een heldendaad, een individu lijkt kansloos. En toch zegt iets me dat het juist het individu zal zijn dat gaat overleven, en niet de massa. De massa is een dinosaurus die op het punt van uitsterven staat.

Dus u voedt uw kinderen tot individuen op?

Iedereen wordt als individu geboren. Als een authentiek, onherhaalbaar wezen, dat nooit eerder heeft geleefd en nooit later zal leven. Menselijke eigenheid is de ware rijkdom, maar een systeem, welk systeem dan ook, heeft geen individuen nodig, maar gehoorzame soldaten. Ik probeer Chacha en Nuru te helpen individuen te blijven.

Hoe doet u dat?

Door ze te respecteren.

Voorbeeld graag.

U zult wel begrijpen dat het verschil tussen de energie van de twee ongeslepen diamanten die mijn zoontjes zijn en de energie die mij nog rest niet altijd makkelijk te overbruggen is. Als ze tekeer gaan en het me te veel wordt, kan ik bijvoorbeeld zeggen: ‘Chacha stel je voor dat jíj mijn vader bent en die van Nuru. En dat ik en Nuru hier op de grond liggen te gillen en met spullen te gooien tot het huis op zijn grondvesten trilt. Hoe zou je dat aanpakken, vertel?’ ‘Om te beginnen’, zei hij volkomen serieus, ‘zou ik ook op de grond gaan liggen.’ Mijn ergernis was in één klap weg. Inderdaad, ook op de grond gaan liggen is de eerste stap, en niet terug gaan gillen tegen hen, terwijl zij gewoon voor hun plezier gillen, en niet uit woede. Zij laten gewoon hun energie de vrije loop. De energie van kinderen moet bewaard blijven, daar moet de wereld het van hebben. Als je de natuurlijke energie onderdrukt, zoekt hij naar een uitlaatklep. De in de jeugd onderdrukte energie is de voedingsbodem voor zinloos geweld en massahysterie.

Hoe vaak ligt u nu op de grond?

Om de haverklap.

bent u een goede vader?

Natuurlijk niet. Het enige waar ik me enigszins op voor kan laten staan is dat ik het besef. En dat is omdat ik een goede tenniscoach was. Eentje die zijn kennis nooit als een vrijbrief zag om anderen te dresseren. Ik was goed niet om wat ik wist, maar om de beheersing waarmee ik de rol van katalysator speelde in de ontwikkeling van een speler. Door op maat ontworpen oefeningen liet ik hem of haar zichzelf tegen­komen en ontdekken. Ik deed of ik er toevallig bij stond. Door geen credits op te eisen bouwde ik aan hun zelfvertrouwen. Maar dat was tennis. Op de tennisbaan zweef ik een beetje boven het doolhof. Ook niet meteen natuurlijk. Pas mijn jarenlange ervaring met recreatiespelers heeft mij langzamerhand rijp gemaakt voor toptalenten. Het probleem van opvoeden is dat ieder kind op zijn manier een toptalent is. Er bestaan geen kneuzen waar je op kunt oefenen.

Wat is de remedie?

Liever niet opvoeden dan in het wilde weg roepen: ‘Niet doen/wel doen/luister/hou op/haal het niet in je hoofd/ik stuur je naar het internaat/kijk naar Piet, die kan het wel’, et cetera et cetera. Op mijn beste momenten steun ik mijn kinderen in hun zoektocht, straal ik rust uit en breng ze geen angst bij, maar geef ze aandacht, wat eigenlijk de definitie van liefde is. Je kunt met liefde en aandacht een bal slaan of schoppen, maar niet het hoofd van een mens.

En toch zullen er situaties zijn dat u ondanks al uw liefde achteraf denkt: heb ik het nou goed gedaan?

Als tennisser was ik niet anders gewend dan me bij iedere baanwissel te bezinnen op hetgene waarvoor ik intuïtief had gekozen. Dat doe ik nog altijd, ook wat de gevaren betreft waaraan mijn kinderen in Calabrië zijn blootgesteld. Die zijn anders dan in Amsterdam. In Amsterdam ­kunnen ze onder een auto komen, in Calabrië van een rots vallen. Een rots die onweer­staanbare aantrekkingskracht op ze uitoefent. Ze willen hem beklimmen en wel nu meteen. Een rots die ik vijftien jaar geleden ook zelf beklommen heb, maar nu niet meer aankan. Dat is gek genoeg ook een voordeel. Ze weten dat ik niet bang uitgevallen ben, maar zien ook dat ik het risico toch niet meer neem. ‘En als ik val en mijn been breek, of erger, wie zorgt er dan voor jullie?’

Tegelijkertijd kan ik van de beklimming vertellen en ook van het uitzicht dat zich daarboven over een dertig meter hoge waterval opent. Hun verlangen wordt alleen maar groter.

‘Maar we kunnen het echt!’ roepen ze in koor.

‘Ik weet het, jullie kunnen het, en toch is er iets wat jullie wel eens vergeten en wat net zo belangrijk is als handig en sterk zijn.’

‘Wat dan?’ roepen ze.

‘Waar is jullie pijl en boog?’ vraag ik dan.

‘Daar ergens’, wuiven ze allebei de andere kant op.

‘En het mes waarmee Chacha de pijlen heeft gescherpt?’

‘Dat heb ik aan Nuru gegeven!’

‘Niet waar, ik heb het aan je teruggegeven!’

‘En waar is het netje waar je de forellen mee vangt?’

‘Dat is kwijt.’

‘Dat bedoel ik’, zeg ik dan. ‘Jullie vergeten regelmatig het ene voor het andere. Heb ik ook gedaan als kind, aan twee, drie dingen tegelijk beginnen. Het is prachtig om over te lopen van enthousiasme, maar als je daar boven op de rots twee dingen tegelijk probeert te doen, kan het je dood zijn. Bijvoorbeeld de rots loslaten om naar een opvliegende roofvogel te wijzen – kijk Pappa! – en pats, je valt te pletter. Laat mij en Mamma eerst zien dat je waar je aan begint ook afmaakt en dan ben je klaar voor de rots. Beloofd, heb geduld.’

Vertel me niet dat uw van energie overlopende ongeslepen diamanten geduld hebben.

Natuurlijk niet. Een dag is voor een kind wat voor ons een maand is. En toch krijg je in de daarop volgende dagen mooi de kans om te oefenen op één ding tegelijk zonder ze iets te hoeven verwijten. Je kunt volstaan met: ‘Weet je nog? De rots.’

En dan is het eindelijk zo ver: Chacha en Mamma gaan de rots beklimmen. Mamma is er fysiek nog altijd perfect toe in staat, maar ze is zo bang om haar zoon dat ik haar op zo’n moment meer haat dan begrijp. Als ze die angst maar niet op Chacha overbrengt. En als ze daardoor zelf maar niet naar beneden dondert. De jongere Nuru kijkt toe van onderaf samen met mij. Hij heeft het volste vertrouwen in de goede afloop. Als zijn oudere broer en Mamma terug zijn, wil hij natuurlijk ook.

‘Geen sprake van’, zegt Mamma iets te snel en stellig, nog in de ban van de doodsangsten om haar oudste. Nuru is niet te stillen. Zijn gehuil is hartverscheurend.

‘Nuru, het is moeilijk!’ zegt Chacha, ‘en ik ben twee jaar ouder dan jij.’

‘Maar ik klim beter dan jij!’ blaft Nuru hem toe tussen twee snikken. En hij heeft gelijk. Nuru is licht als een veertje en behendig als een spin.

Twee dagen later neem ik met Nuru een bad op dezelfde plek in de rivier aan de voet van de rots.

‘Pappa, mag het?’ vraagt hij. ‘Ik kan het’, voegt hij er volwassen aan toe.

Hij zit die middag goed in zijn vel, een en al rust en evenwicht. Plotseling bekijk ik hem met de ogen van een coach. Wie ben ik om te zeggen dat hij het niet kan?

‘Ik weet dat je het kan, Nuru. Ga maar.’

Zijn ogen lichten op. ‘Echt!?’

‘Ja echt. Maar alleen als ik “stop!” roep moet je blijven staan waar je op dat moment bent en vast blijven houden wat je op dat moment vasthoudt. Dan overleggen we. Afgesproken?’

‘Afgesproken.’

Nuru klimt makkelijk als een berggeitje omhoog. Het gaat me veel te snel. Nu ben ik ineens weer vader, ik ben bang. Ik wil ‘stop!’ en ‘kom onmiddellijk terug Nuru!’ naar hem schreeuwen. Maar ik beheers me en doe het niet. Ook als hij dertig meter hoog boven me staat en trots het uitzicht op de waterval aan me beschrijft, doe ik of het de gewoonste zaak van de wereld is. Dan zeg ik langs m’n neus weg: ‘Naar beneden is het moeilijker dan omhoog. Neem meer tijd. En je weet het: als ik “stop!” roep blijf je stil staan.’

In mijn stem klinkt weer vertrouwen. Ik ben weer coach.

Ik wilde u niet onderbreken, want ik zag hoe u de hele situatie opnieuw beleefde, maar de vraag was of u wel eens denkt: dat had ik niet of anders moeten doen?

Twijfelen doe ik achteraf. Dat is onderdeel van de evaluatie. Beslissingen neem ik in een split second, want het zijn inzichten. Daar pieker je niet over.

Wat heb je aan twijfelen achteraf?

Hetzelfde wat je aan voedsel verteren hebt van iets wat je met één hap naar binnen hebt geschrokt. Het is een verwerkingsproces en als het goed is helpt het om de volgende keer een juiste beslissing te nemen als het moment erom vraagt.

tot welke slotsom bent u gekomen na de klim­ervaringen met uw zoontjes?

Ik was blij dat hun zelfvertrouwen erdoor is gegroeid, maar daar werd ik tegelijkertijd ook weer bang van. En zo kon het gebeuren dat ik plotseling op de rem stond toen ik met ze langs het dorpskerkhof reed. De avond was al gevallen, het was donker.

‘Even lichtjes kijken’, zei ik.

Op dat uur was er niemand op het kerkhof, en dat was maar goed ook. Elkaar achterna rennen, verstoppertje spelen: allemaal dingen die bij het leven horen en niet bij de dood. Maar ze bleven wel bij me in de buurt, want een kerkhof blijft een kerkhof, vooral ’s avonds. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om wat dode vrienden te groeten, want ik kom tenslotte al achttien jaar in dit Calabrese dorpje. En ik schoof langzaam in de richting van de kindergraven. Chacha en Nuru vielen stil.

‘Waarom zijn ze dood?’ vroegen ze met een klein stemmetje.

‘Deze had geen laarzen in het bos aan en werd door een adder gebeten. En deze had giftige paddenstoelen geraapt en opgegeten. En deze heeft stiekem het vuurwerk van zijn vader afgestoken. En dit kindje is een veel te woeste zee in gegaan. En dit jongetje hier, dat is een heel triest verhaal. Hij kon het beste klimmen van iedereen. Zo goed dat hij op het laatst nauwelijks nog oplette als hij klom. En hij klom ook als het regende. En toen is hij uitgegleden.’

Mag je zoiets doen?

Ik heb ooit wijlen kardinaal Willebrands mogen interviewen. Terwijl de camera draaide liepen we over een grasveld van een klooster met een bordje ‘Verboden het gras te betreden’. Ik wees erop: ‘Eminentie, mogen we hier lopen?’ Hij liep door en zei laconiek: ‘We doen het al.’ De wereld is vol regeltjes en bordjes verboden dit en verboden dat. Je kunt beter je bewustzijn trainen dan regels uit het hoofd leren. En je moet sowieso mazzel hebben. Zowel in de natuur als in de stad. Tonio gelezen? Het verdriet van Anna Enquist gezien?