Indo’s versus totoks

‘Er bestaan geen Oeroegs’

In het kader van de actie ‘Nederland leest’ heeft de CPNB Oeroeg van Hella Haasse heruitgegeven. Al zestig jaar klinkt uit Indische kring kritiek op Haasse’s ‘tuttig eurocentrisch romannetje’.

Medium oeroeg

SINDS DRIE JAAR verrast de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) de bevolking in het najaar met een gratis bestseller uit voorbije tijden. De actie ‘Nederland leest’ laat zien dat literatuur niet alleen een breed publiek aanspreekt en plezier verschaft, maar ook de blik verruimt, aldus de website van de CPNB. Maar wat de CPNB precies voor ogen staat met die ‘discussie’ is dit jaar voor een niet geringe groep Nederlanders helemaal de vraag.
Centraal staat namelijk de novelle Oeroeg van Hella Haasse, met daaraan verbonden het thema ‘interculturele vriendschap’. Op het eerste gezicht een goede keus, omdat het boek sinds de verschijning in 1948 tot een aanhoudende controverse heeft geleid. Het gekke is alleen dat van deze springlevende oude kwestie niets terug te vinden is op de website nederlandleest.nl, bij de samenvatting van Oeroeg noch bij de introductie van de schrijfster. De novelle verhaalt over een man die terugblikt op zijn jeugd, waarin hij als zoontje van een totok (blanke koloniaal) bevriend raakt met Oeroeg, het zoontje van de ‘inlandse’ bediende; ze groeien samen op, maar wanneer de koloniale oorlog uitbreekt staan ze tegenover elkaar. Dan beseft de volwassen geworden man dat tussen hem en Oeroeg altijd al een onoverbrugbare kloof heeft bestaan, veroorzaakt door diens onpeilbare ‘anderszijn’.
Het meest verontwaardigd en feitelijk in zijn kritiek was destijds de journalist Tjalie Robinson. Toen hij zijn stekelige bespreking schreef was hij – anders dan Haasse – nog in Indonesië, waar de koloniale oorlog volop gaande was. Tjalie bestempelde Oeroeg in het blad Oriëntatie kortweg als ‘FOUT’. Haasse wist in zijn ogen xxniets af en had niets begrepen van de belevingswereld van een opgroeiende Nederlands-Indische jongen, met daardoor een ‘zelfs politiek gevaarlijk’ einde van de novelle. ‘Alles wat ik las, was vals en nog eens vals.’ Tjalie schreef ook dat hij het ‘de Hollander’ niet kwalijk nam dat die als ‘onwetende’ niet ontdekt had waar de ‘grondfout’ van het boek zat. Daarmee suggereerde hij dat het voor degenen in Indonesië duidelijk was wat die fout inhield en wat het politieke gevaar was: dat het Nederlandse en het Indonesische volk in het boekje werden afgeschilderd als fundamenteel verschillend en onbereikbaar voor elkaar. De moeizame dialoog tussen de naties werd daarmee niet geholpen in de ogen van Tjalie, die toentertijd werkzaam was bij de Nederlandsch-Indische Voorlichtingsdienst.
Ook het gegeven dat de Indo-identiteit door het polariserende gedachtegoed van het boek werd gemarginaliseerd, kan aan Tjalie’s afkeer van Oeroeg hebben bijgedragen. In de novelle komen namelijk geen Indo’s van betekenis voor: zij spelen geen rol in de symbolische tegenstelling tussen ‘de Nederlander’ en ‘de inlander’ en figureren als lichtbruine schimmen op de achtergrond. Wat precies politiek gevaarlijk was aan het boek maakte Tjalie niet expliciet; zijn kritiek spitste zich toe op Haasse’s ‘valse’ voorstelling van gemengde jongensvriendschappen en op de persoon van Haasse zelf. Hoe dan ook, dat Oeroeg het Boekenweekgeschenk was in het oorlogsjaar 1948 en dus massaal werd verspreid, zal aan Tjalie’s verontrusting over verkeerde beeldvorming van zaken overzee hebben bijgedragen.

DE BOZE BESPREKING van Tjalie werd opnieuw actueel in 1993, door een rede die Rudy Kousbroek hield bij een overzichtstentoonstelling van het werk van Haasse. Kousbroek zette aan de hand van Tjalie’s recensie uiteen hoe beroerd de positie was geworden van de totoks, zowel in het postxkoloniale xxIndonesië als in de hedendaagse wereld van de Indische letteren. Haasse was in Kousbroeks ogen ‘profetisch’ geweest met het schrijven van Oeroeg: de novelle voorspelde namelijk dat Nederlanders moesten gaan verdwijnen uit de jonge republiek. Binnen het literaire domein in Nederland werden schrijvende totoks genegeerd omdat hun kennis van Indië te kort zou schieten, ondanks ook hun binding met de Indische natuur. Haasse was eigenlijk tot tweemaal toe uit haar geboorteland verbannen, betoogde Kousbroek: ‘Een keer in het echt en daarna nog eens symbolisch.’
Tjalie’s kleindochter, de publicist Siem Boon, reageerde verbolgen op Kousbroeks stellingname. Zij plaatste een herdruk van de recensie en een polemisch stuk vol weerleggingen in de Pasarkrant. Vooral Kousbroeks reductie van het vooroorlogse Indië en de Indische identiteit tot ‘natuur’ moest het ontgelden. Als Indië alleen maar uit natuur bestaat en niet uit ‘maatschappij’, hoe kun je dan de sociale verschillen tussen totoks en Indo’s bespreken, vroeg Boon zich af. Ze vond het ook irreëel van Kousbroek om ‘als totok de underdog van de Indo’s uit te hangen’, zonder te melden dat dit decennialang juist andersom was geweest. Waarom eigenlijk gebruikten beide veelgelezen auteurs, Kousbroek en Haasse, hun platform niet om de hedendaagse misverstanden over de koloniale Europese maatschappij (als volledig blank en welgesteld) bij te stellen? Door dit na te laten, schreef Boon, bevestigde vooral Kousbroek helaas het cliché dat hij een arrogante totok was. Ze besloot met de radicaliserende opmerking dat Indo’s ‘ook nog in 1993’ mogen zeggen dat ze tweemaal uit hun geboorteland zijn verbannen, ‘tegen de belanda’s [Nederlanders]. En soms zelfs tegen totoks.’ Totoks waren dus geneigd te verdoezelen dat er ook Indo’s in de Nederlands-Indische ‘Europese laag’ hadden geleefd – in meerderheid zelfs. Als hún (totokse) literaire verbeelding van Indië inderdaad de enige en algemeen erkende zou zijn, dan was de symbolische verbanning van Indo’s uit hun historische leefwereld een feit.
Kousbroek reageerde op Boon met een lezing waarin hij Tjalie postuum het verwijt van culturele territoriumdrift en misplaatst idealisme maakte, en Boon dat van slachtofferschapsverheerlijking en cultureel racisme. Tjalie had helemaal geen oog gehad voor zowel het racisme van Hollandse jongetjes als dat van Indo’s onderling, zei Kousbroek. Voor Boon was de koloniale samenleving ondertussen ‘mythisch’ geworden omdat over allerlei vormen van koloniaal racisme werd en wordt gezwegen, vooral door Indo’s. Kousbroek haalde met instemming de uitspraak aan dat ‘Indië nooit had mogen bestaan’ en vatte vervolgens de koloniale maatschappij samen als een ‘ellendige samenleving waarin iedereen op iedereen neerkeek’. Boon besloot de polemiek met een stuk in de bundel Tjalie Robinson: De stem van Indisch Nederland (1994), waarin ze weerlegde dat Indo’s proberen totoks (literair) buiten te sluiten en dat Tjalie had getracht Haasse te ontmaskeren als on-Indisch meisje. Ook verzette ze zich tegen de uitspraak dat ‘de kolonie beter niet had bestaan’. Boon zette de raciale, historische en culturele vervlochtenheid van het Indoschap nauwgezet uiteen: ‘Niemand kan onmiddellijk aan Kousbroeks gezicht zijn innerlijk tropisch behang zien (…) Haasse kan kiezen meer of minder als Indische schrijfster naar buiten te treden maar de bruine Indo blijft herkenbaar (…) Een Indo denkt bij racisme eerder aan door hem ondervonden racisme, of hoogstens aan de oorzaken van zijn eigen racisme. Kousbroek wijst steeds (…) sec op het verdrietige bestaan van racisme onder Indo’s, ook als het echt te onpas is.’
De onenigheid werd bijgelegd, maar het verschil in interpretatie van Oeroeg bleef: Kousbroek zag het verhaal als een briljante voorspelling van het lot van de tropische Nederlanders; Boon volgde haar grootvaders opvatting dat het boek in zijn context van Boekenweekgeschenk in 1948 een symptoom was van het politieke onbenul destijds in Nederland.
Kritiek in Indo-kringen op Oeroeg was er ook geweest ná Tjalie en vóór 1993, maar die was op typisch Indische wijze grotendeels binnenskamers gebleven. Naarmate Haasse’s ster als grande dame van de Nederlandse literatuur hoger steeg, werd het als steeds riskanter beschouwd openlijk kritiek te leveren op haar representatie van de koloniale blik en het koloniale bestaan in Nederlands-Indië. Haasse werd gaandeweg als de Indische schrijfster van Nederland gepresenteerd, die als geen ander de finesses en dilemma’s blootlegde van de koloniale samenleving. Haasse zelf heeft dat beeld in haar latere leven genuanceerd: in een interview met Margot Dijkgraaf in NRC Handelsblad in 2002 stelde ze dat toen ze nog een meisje was de sociale discriminatie en de wrijvingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen haar ontgingen. Ze vroeg zich destijds nooit af in hoeverre medeleerlingen en Indische vriendinnen anders waren dan zij. Pas op latere leeftijd werd ze zich van spanningen bewust. Haasse stelde ook dat de hedendaagse controverse tussen Indo’s en totoks leidde tot uitzichtloze discussies: ‘We zijn toch allemaal “niet echt-Nederlandse” Nederlanders. Wij zijn mensen-van-daar, je kleur maakt niet uit.’ In een later interview in NRC Handelsblad, in 2005, merkte ze op: ‘Tjalie Robinson kwam op voor de identiteit van de Indische Nederlander. Maar door daadwerkelijk een scheiding door te voeren, ging hij te ver. We delen hetzelfde verleden en ik vind dat we juist moeten kijken naar het gemeenschappelijke dat we bezitten.’

Dit soort oprechte, maar misschien wat naïeve uitspraken wordt Haasse door nogal wat Indo-schrijvers en publicisten, maar ook gewone lezers euvel geduid. Dat iemand die destijds behoorde tot de blanke elite after the fact uitspreekt dat ‘je kleur niet uitmaakt’, wordt door degenen die op hun kleur werden – en worden – beoordeeld gauw ervaren als gevoelloos of arrogant. Ook door ervan uit te gaan dat Indo’s en totoks ‘hetzelfde verleden delen’ verspeelde Haasse sympathie bij een bepaald segment van het gekleurde Indische publiek; bij een ander segment maakte het haar juist geliefd. Indo’s waren in het laatkoloniale tijdperk bepaald sociaal kansarm te noemen in vergelijking met totoks en daaraan worden de meeste Indo’s liever niet herinnerd, zeker niet in het openbaar.

AL MET AL IS HET NIET verwonderlijk dat sommige Indische Nederlanders twijfelen aan Haasse’s kennis van en ervaring met de vroegere doorsnee Indische levensstijl. Zijzelf liet in Een handvol achtergrond (1993) weten dat haar vader bang was om te ‘verindischen’ – om ter plekke de gewoonten en gebruiken van Indo’s en/of ‘inlanders’ over te nemen.
Publicist Dane Beerling vroeg zich in een lezing tijdens de Pasar Malam in 1994 af of het Indisch zijn van Haasse eigenlijk wel méér was dan alleen een etiket: ‘Helaas, zelfs de beschrijvingen van landschappelijkheden, van het oerwoud, van de blote voeten waarop zij liep, waren beschrijvingen van iemand die ernaar keek, vanuit de optiek van de beschouwer, en zeker niet vanuit iemand die er deel van was. In haar beschrijvingen ontbrak het Indische. Zo draagt zij niet bij aan het integreren van Indisch zijn in haar werk en nog minder daarvan in de maatschappij. Zo is het oppervlakkig en niet meer dan koketterie.’

Op internet wordt kritiek op het Indische werk van Haasse makkelijker geuit. Politicus en therapeut Ronald Pino bijvoorbeeld noteerde als Volkskrant-blogger dat er in Nederland veel behoefte is aan vertekening van de koloniale werkelijkheid: ‘Hella Haasse voorziet in die behoefte (…) door een koloniale mythologie te scheppen: de mythe van de heilzame samenleving van nobele Nederlanders en de hun adorerende naïeve gezagsgetrouwe primitieve inboorlingen.’ Over Oeroeg schreef hij: ‘Haasse liegt over Oeroeg. Waarom (…)? Omdat zij zich voordoet als iemand die Indonesiërs begrijpt; (…) iemand die bekend is met toestanden ten tijde van de koloniale overheersing. Wat niet waar is omdat zij tot de afgeschermd levende, zeer bevoorrechte witte koloniale kaste heeft behoord en nog steeds met het koloniale megalomane denken is doordrenkt (…) Er bestaan geen Oeroegs; ze hebben nooit kunnen bestaan maar ze passen wel mooi in christelijke vertelsels over vriendschap en naastenliefde.’
Een old hand in de Haasse-kritiek is auteur Alfred Birney, die pas na zware druk Oeroeg opnam in zijn bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998). Later omschreef hij de novelle als ‘dat tuttig eurocentrisch romannetje’ en ‘Haasse’s beroerde klassieker’. In het kwartaalblad Archipel formuleerde Birney zijn kritiek onlangs opnieuw: Haasse verwarde in Oeroeg een politieke scheidsmuur met een koloniale, die veel ingewikkelder lag en een veel grotere tragiek kende. Die tragiek, betoogt Birney, kende Tjalie als geen ander en ‘Hella Haasse kende die domweg niet’.

Vanuit literair-theoretische kring is de Indische kritiek op Haasse soms opgevat als een geval van ‘verkeerd lezen’. De Indische romans zouden niet op een realistisch niveau moeten worden begrepen, maar als metaforische fictie met een complexe meerlagigheid en symbolische contrasten; als ‘post-herinneringswerk’. De geschiedenisboekjes vertellen ondertussen hetzelfde, welbekende verhaal. Indo’s namen vroeger in Nederlands-Indië een moeilijke tussenpositie in, van waaruit ze de nodige kennis opdeden over zowel de blanke bovenlagen als de donkere onderlagen van de koloniale samenleving. Dat moest wel, omdat ze doorgaans onzeker waren over de stabiliteit van hun sociale positie. ‘Meerlagigheid’ in identiteit en mentaliteit kwam dus voor de meeste Indo’s neer op een levensvoorwaarde. Juist daarom is de bescheiden, maar al zestig jaar aanhoudende kritiek uit Indische kring op de koloniale representaties van Hella Haasse een onmisbaar gegeven in de nationale discussie over haar eersteling.


Beeld: Aankomst van Indische nederlanders in Rotterdam, 1958 (Herbert beHrens / ColleCtIe sPAArnestAD PHoto/nA/AneFo)