Er bestaat een patroon

In Het bolwerk laat journalist Matilda Gustavsson zien hoe diep de Zweedse Academie is getroffen door het seksueel misbruik van Jean-Claude Arnault, en ontrafelt ze op fascinerende wijze de patronen die zulke zaken tekenen.

Het Nobel-banket in Stockholm, 10 december 2017 © Jonathan Nackstrand / AFP / ANP

‘Weet je niet met wie ik getrouwd ben’, is het zinnetje dat in zijn mond bestorven ligt als hij jonge vrouwen probeert te intimideren. In het najaar van 2017 haalt hij met zijn eigen naam de wereldpers, en ook zijn vrouw bezorgt hij in zijn val een roem zoals ze die nooit heeft gekend. Het gaat om het echtpaar Jean-Claude Arnault en Katarina Frostenson; zij de meest vernieuwende Zweedse dichteres van de jaren tachtig, hij de charmante Franse gastheer van het cultuurcentrum Forum in Stockholm; zij de mysterieuze diepte, hij het flonkerende oppervlak. Ze bevinden zich in het hart van de Zweedse cultuur, dankzij het in 1989 opgerichte undergroundpodium Forum, dat al snel uitgroeide tot dé culturele ontmoetingsplaats van de stad, maar vooral dankzij haar lidmaatschap van de achtenswaardige Zweedse Academie, die bepaalt wie de Nobelprijs voor Literatuur wint.

In het spoor van #MeToo en de ontmaskering van Harvey Weinstein, begint de jonge Zweedse journaliste Matilda Gustavsson een onderzoek naar Arnault. Net als in het geval van Weinstein doen over hem al decennia geruchten de ronde en net als Weinstein blijkt hij een stoet aan vrouwen seksueel te hebben geïntimideerd, te hebben aangerand of verkracht. In Het bolwerk beschrijft Gustavsson haar journalistieke zoektocht. Het is een fascinerend boek, omdat zij anders dan in Zij zei, het verslag van de New York Times-journalisten Jodi Kantor en Megan Twohey over de Weinstein-affaire, niet vooral het spannende journalistieke handwerk beschrijft (hoe weet je voldoende slachtoffers te vinden die on the record willen getuigen? Hoe ga je integer om met hun kwetsbare verhalen?), maar omdat ze ook de patronen ontrafelt die dergelijke misbruikzaken tekenen. ‘Wees bang / er bestaat een patroon’, citeert ze daarbij een dichtregel van Frostenson die voor haar een onbehaaglijke betekenis krijgt.

Het patroon is in de eerste plaats dat het om jonge, ambitieuze vrouwen gaat – schrijfsters, dichteressen, kunstenaressen in spe – die met beloften worden gelokt en zo in de seksuele val lopen. Arnault heeft twee gezichten: dat van de innemende mentor en van het sadistische roofdier. Ook de situatie rond het misbruik is dubbelzinnig: niet zelden zijn de slachtoffers vrijwillig met hem meegegaan, vaak bieden ze geen verzet maar verstijven ze, en na zijn wrede overweldiging blijven veel van hen hem op een of andere manier zien – het culturele wereldje in Stockholm is klein. Gustavsson betrapt zich op de neiging om de verhalen te willen opschonen – ‘ik wil hen omturnen in duidelijker slachtoffers’ – maar de vrouwen die ze spreekt, willen juist dat hun getuigenissen complex zijn. Dat is wat seksueel misbruik is. Het is niet helder, maar modderig.

Gustavsson schetst ook een scherp portret van dader Arnault zelf. Ze reisde naar zijn geboorteplaats Marseille af om licht te werpen op zijn getroebleerde jeugd en laat zien hoe hij een indrukwekkend verleden in Frankrijk bij elkaar fabuleerde: hij had, anders dan hij altijd vertelde, geen opleiding genoten aan een topuniversiteit maar een beroepsopleiding tot elektricien gevolgd (en niet afgemaakt), hij had geen voorname rol gespeeld tijdens de studentenrevolutie van mei ’68, hij was nooit de rechterhand van filmer Jean-Luc Godard geweest, hij had geen artistieke successen op zijn conto staan. Als hij iets was, dan een gefnuikte kunstenaar die zijn mislukking botvierde op jonge kunstenaressen. Zoals een van zijn slachtoffers over hem zegt: ‘Hij miste talent. In plaats daarvan kon hij vrouwelijke kunstenaars neuken en hun vertellen dat hij ze kon maken en breken.’ Dat was voor hem misschien wel een manier om dicht bij de kunst te komen, merkt ze op.

Hij greep vrouwen publiekelijk in het kruis – omstanders waren gegeneerd maar durfden niets

Uiteindelijk draaide Arnaults misbruik op allerlei manieren om macht, en was het daardoor groter dan een individuele ontsporing. Hij had de positie om vrouwen publiekelijk bij de billen of in het kruis te grijpen – omstanders keken gegeneerd toe maar durfden hem niet tot de orde te roepen. Zijn openlijke, grensoverschrijdende gedrag was misschien zelfs een perfecte façade, zoals zijn Instagram-account met sadomasochistische beelden dat ook was. Hij was wie je zag: ‘Jantje met de handjes’ of ‘kleffe Jan’, zoals zijn bijnamen luidden, maar achterbaks was hij niet. Dat hij met vrouwen wel degelijk tot gewelddadig misbruik overging en dreigde met zijn voorname connecties, ging het voorstellingsvermogen van zijn vrienden en kennissen te boven.

Zijn positie was verknoopt met de Zweedse Academie, het eerbiedwaardige instituut dat eind achttiende eeuw door koning Gustav III was opgericht en waar het protocol sindsdien nauwelijks is veranderd. De Academie telt achttien leden die voor het leven zijn benoemd – uittreden is onmogelijk – en die jaarlijks ongeveer veertien miljoen Zweedse kronen aan prijzen en beurzen kunnen uitdelen. Dat gaat niet op aanvraag, het geld wordt gegeven, aan een motivatie of transparantie wordt niet gedaan. De Academie is een ‘verbond van uitverkorenen’, het lidmaatschap ervan heeft een verheven magie – en geeft macht. Zelfs als het je vrouw is die lid was.

En via lid Frostenson vormden Academie en cultuurcentrum Forum en Arnault een web dat de Zweedse culturele wereld verstrikt hield. Nieuwe leden van de Academie hadden veelal eerst in Forum opgetreden; de Academie bedeelde Forum met subsidie; Frostenson leidde het literaire programma van Forum én was voorzitter van het comité van nieuwe literatuur van de Academie; Arnault beheerde tegen betaling het Parijse appartement van de Academie (en vergreep zich ook daar aan zijn ‘meisjes’); Arnault was de gastheer van de borrel die aan het Nobelfeest voorafging.

Het misbruikschandaal raakte de Zweedse Academie dan ook diep – vandaar dat de Nobelprijs voor Literatuur in 2018 niet werd uitgereikt. Maar omdat het instituut een gesloten bolwerk is, waar voornamelijk een zwijgplicht en erecodes gelden en over zoiets als macht helemaal niet wordt nagedacht, probeerde het zich uiteindelijk schoon te wassen en veranderde er veel minder dan zou moeten.

Misschien is dat het meest ontluisterende aan het boek van Gustavsson: de weigering van de Zweedse culturele elite om haar eigen macht onder ogen te zien en werkelijk verantwoordelijkheid te nemen. In de culturele wereld zijn de hiërarchieën hoe dan ook vaak informeel en impliciet, maar Katarina Frostenson en veel van haar mede-Academieleden zijn gevormd door de anarchistische kunstscene van de jaren tachtig, die zich wentelde in antiburgerlijkheid en de underground koesterde. Forum was letterlijk in een grote kelder gevestigd. Maar het wordt hachelijk als een inmiddels middelbare criticus, die tien jaar secretaris was van de Zweedse Academie, zichzelf nog steeds een ‘underground-intellectueel’ noemt. De Academie sloeg eerdere waarschuwingen van vrouwen en in de media over Arnault in de wind, en lijkt ook nu, als je op Gustavsson afgaat, grondig zelfonderzoek te weigeren. Wat rest is een aangetast bolwerk.