Essay: De moraal van de crisis

Er bestaat geen recht op kapitaal

De financiële crisis kon ontstaan doordat banken én burgers een moreel pervers ‘recht op kapitaal’ claimden. Het is hoog tijd om die doorgeschoten cultuur een halt toe te roepen.

Medium groene essay crisis 1

We kunnen de nu al vijf jaren durende financiële crisis op twee manieren bezien. Als een technisch-economische kwestie, voer voor experts: een probleem van falende regulering, lekken in de boot die nu moeten worden hersteld. We kunnen haar ook zien als symptoom van het morele failliet van onze samenleving: ‘De financiële crisis is een morele crisis’, wordt vaak gezegd. Maar wat is die moraal?

Als de morele bril wordt opgezet is de gebruikelijke diagnose dat individuele bankiers, in de Londense City, op Wall Street en elders, ten prooi zijn gevallen aan hebzucht. Een uitzending van Tegenlicht enige tijd geleden (‘Het brein van de bankier’) bevestigde dit beeld, door bankiers neer te zetten als psychopaten die verslaafd zijn aan hun gokgedrag.

Zo’n individualistisch perspectief roept om individuele oplossingen: ontsla de rotte appels, zorg voor een andere, minder pathologische cultuur bij banken, en het probleem is opgelost. Die focus miskent de relatie tussen de banken en de rest van de samenleving. Banken hadden nooit zo de mist in kunnen gaan als de samenleving hun gedrag had afgekeurd en bestraft. Hoe kan het dat zij banken toestond, soms zelfs aanmoedigde, om zulke grote risico’s te nemen? Het antwoord op die vraag heeft alles te maken met een doorgeschoten cultuur van rechten. Daarin claimen, in navolging van gewone burgers, ook kapitaalhouders bescherming van de staat tegen alle mogelijke risico’s.

Het centrale morele probleem van de financiële crisis is wat economen ‘moral hazard’ noemen, moreel gevaar. Moreel gevaar is niet uniek voor de financiële sector. Het dreigt overal waar mensen verzekerd zijn tegen risico’s. Het gevaar is dat verzekerden zich anders gaan gedragen omdat zij weten dat zij verzekerd zijn tegen schade. Ze worden achtelozer en nemen grotere risico’s. Als het mis gaat, keert de verzekeraar toch wel uit.

Tot op bepaalde hoogte is het nemen van meer risico’s wenselijk. Als er geen verzekeringen bestonden, zou niemand een auto in stappen, op skivakantie gaan, of een huis kopen. Een ongeluk of brand zou ons acuut op de rand van faillissement brengen. Verzekeringen helpen ons dan ook aan een gezonde mate van risicobereidheid. Maar er is een grens. Als we te veel risico’s nemen, gebeuren er steeds meer ongelukken en moet de verzekeraar steeds meer uitkeren. Dat jaagt de premie omhoog voor de hele groep van verzekerden.

Vanuit deze verzekeringslogica moeten we de ontwikkeling van het kapitalisme bezien. In een puur kapitalisme moet iedereen, kapitalisten en arbeiders, de risico’s van het handelen op de markt zelf zien te dragen. Dat hoort bij een gezonde kapitalistische moraal. Iedereen onderneemt voor eigen rekening en risico. Gaan de zaken goed, dan mag je de winst zelf houden. Gaan de zaken slecht, dan draag je de verliezen ook zelf. Deze pure kapitalistische logica kent geen verzekering voor risico. In de loop van de twintigste eeuw werd dit pure kapitalisme minder puur: er kwamen verzekeringen voor sociale risico’s, zoals ouderdom, ziekte, werkloosheid en armoede. Het beschermen van financiële risico’s zoals dat tegenwoordig op grote schaal gebeurt, betekent niets anders dan dat na ‘arbeid’ (sociale risico’s) ook ‘kapitaal’ (financiële risico’s) bescherming zoekt bij de staat. De morele logica van dit ontwikkelingsproces is dus: steeds meer onderdelen van het economisch systeem zoeken beschutting tegen het nemen van risico’s. De harde private logica van winst en verlies wordt verlaten voor de zachte hand van de staat.

De analogie tussen financiële en sociale risico’s gaat echter nog verder. Bij verzekering tegen sociale risico’s treedt net als bij andere verzekeringen moreel gevaar op. Daarmee zijn we al lang bekend. Sinds de jaren tachtig woedt er een debat over misbruik van uitkeringen, claimgedrag, en de lui-makende werking van de verzorgingsstaat. Royale verzekeringen, zo was en is met name het argument van politiek rechts, leiden tot een tekort aan eigen verantwoordelijkheid. Daarop heeft de overheid gereageerd zoals elke private verzekeraar doet: door grenzen te stellen aan de duur en hoogte van uitkeringen, door de toegang te beperken, controles op gedrag in te stellen, eigen betalingen in te voeren, enzovoort. Dit zijn allemaal maatregelen die het moreel gevaar moeten beteugelen. Politiek links heeft dit programma in feite overgenomen. Bescherming tegen sociale risico’s is nu een gedeelde verantwoordelijkheid van individuen en van de staat. Het zwaartepunt komt daarbij steeds meer bij het individu te liggen.

Met de financiële sector gebeurt iets soortgelijks. De impliciete staats­garantie biedt een uitgelezen mogelijkheid voor overmatig risico nemen. De gevaren worden afgewenteld op de verzekeraar. Net als bij sociale verzekeringen zijn wij allen, als belastingbetaler, die verzekeraar. Ook hier moet dus de verantwoordelijkheid meer teruggelegd worden bij de verzekerde. En ook hier zien we dat dit principe grotendeels, van politiek links tot rechts, gedeeld wordt. Als we accepteren dat banken op private grondslag georganiseerd blijven, dan moeten we hun beroep op de staatskas aan regels binden. De analogie doortrekkend is een van de eerste dingen die moeten gebeuren: banken moeten een verzekeringspremie betalen aan de staat. Dat is de prijs voor de toegang tot reddingsacties als het fout gaat. De bankenbelasting kan op die basis permanent gemaakt worden.

dit verzekeringsframe maakt veel duidelijk, maar één ding kan het moeilijk verklaren: waarom lukt het zo slecht om moreel gevaar te voorkomen? Ondanks het feit dat het principe van eigen verantwoordelijkheid breed erkend wordt, is het telkens weer een hele klus om paal en perk te stellen aan het beroep op de staat. Private verzekeraars hebben hier minder last van: zij draaien gewoon de duimschroeven aan of voeren de premies op. De staat als publieke verzekeraar heeft veel meer moeite om zowel sociale als financiële claims binnen de perken te houden. Hoe komt dat? De voornaamste verklaring ligt volgens mij in het feit dat dwars door de verzekeringslogica heen een rechtenlogica loopt. En ook dit geldt weer voor sociale en financiële risico’s.

De rechtenlogica is niet conditioneel. Elk mens heeft recht op een minimuminkomen, gezondheidszorg en onderwijs, ongeacht zijn eigen prestaties. Die sociale aanvulling op wat iemand via de markt zelf kan verkrijgen gaat uit van het idee dat iedere burger de hulp van anderen moet kunnen claimen bij het lenigen van zijn basisbehoeften. Daar hoef je niets voor te doen. Dergelijke burgerrechten (of mensenrechten) zijn uiteindelijk een gebod van medemenselijkheid of menselijke waardigheid. In Nederland werden de nieuw verworven sociale rechten dan ook als grondrechten opgenomen in de grondwet in 1983.

Dit botst met de verzekeringslogica, die conditioneel is: mensen hebben alleen recht op een uitkering als zij zich verzekeren en premies betalen. Uit deze logica vloeien de beperkingen voort die de verzekeraar mag stellen als er moral hazard optreedt. De rechtenlogica daarentegen houdt in dat sociale voorzieningen beschikbaar moeten blijven voor iedereen. Eventueel misbruik van de voorzieningen doet daar niets aan af.

In de financiële crisis zien we dezelfde clash tussen rechtenlogica en verzekeringslogica. Financiële instellingen die bij de staat aankloppen lijken in feite niet een uitkering vanwege verzekering te claimen, maar een onvoorwaardelijk ‘recht op kapitaal’ (naar analogie van de sociale rechten als ‘recht op zorg’, ‘recht op onderwijs’ et cetera).

Dat lijkt op het eerste gezicht absurd. We hebben toch geen recht op geld? Daarover staat niets in de grondwet of welke wet dan ook. Hier loopt de analogie met sociale rechten dan ook spaak. Voor kapitaal zou – in tegenstelling tot voor arbeid – onverkort de pure kapitalistische logica moeten gelden. Kapitaalhouders die de boot in gaan met hun risico’s moeten niet zeuren en zeker niet bij de overheid aankloppen. Winst en verlies, dat hoort bij het spel. Hoe vreemd het ook klinkt: deze logica is de afgelopen jaren ­ver­laten. In werkelijkheid zijn steeds meer groepen zo’n recht op kapitaal gaan ­claimen. Niet alleen banken, maar ook consumenten, spaarders en ­anderen.

Een eerste claim is geweest dat iedereen een recht op toegang tot kapitaal zou moeten hebben. Vanuit normale kapitalistische verhoudingen gedacht is dit absurd. Kredietverleners zoals banken beslissen over toegang tot kapitaal. Dit is een normale commerciële transactie, waarbij de kredietverlener ook nee mag zeggen, als hij denkt dat de aanvrager van een krediet niet kredietwaardig is. Iemand zonder vast contract krijgt geen hypotheek, iemand met een rammelend businessplan geen start-uplening. Jammer maar helaas. Des te frappanter is het dat in de discussie over microkredieten in de Derde Wereld nu wél wordt voorgesteld om toegang tot krediet als een mensenrecht te zien. Alleen wie krediet krijgt, zou zelfstandig een rol in de economie kunnen bevechten en in zijn eigen levensonderhoud voorzien. Belangrijker met het oog op de financiële crisis is dat eenzelfde claim ten grondslag lag aan de ruime verstrekking van Amerikaanse subprime-hypotheken. Iedereen een eigen huis, dat was het idee – ook als je het eigenlijk niet op eigen kracht kunt betalen.

Een tweede claim is dat wij een recht hebben op vermeerdering van ons kapitaal. Dit klinkt nog absurder. Maar, zoals socioloog Wolfgang Streeck in een belangwekkende analyse laat zien (op internet te vinden: ‘The Crisis in Context’) heerst in de westerse wereld al geruime tijd de verwachting onder de bevolking dat de staat economische groei levert. Na de gouden tijden van de consumptie_-boom_ in de naoorlogse decennia werd het steeds moeilijker om die claim waar te maken. Eerst hebben staten het geprobeerd door publieke schulden aan te gaan. In de jaren negentig liep dat uit de hand en probeerden zij die schulden af te bouwen, maar om de frustraties hierover te compenseren werden tegelijkertijd nieuwe mogelijkheden voor private schuldenopbouw toegestaan. Dat is de grote deregulering die leidde tot de zeepbel op de huizen- en aandelenmarkten – een zeepbel die nu is gebarsten.

Dit leidde weer tot een derde claim, namelijk dat er zoiets zou zijn als een recht op risicovrij kapitaal – een recht dat eenmaal vergaard kapitaal gevrijwaard blijft van verliezen. Dit recht op beschutting van kapitaal tegen de boze buitenwereld is wat banken nu lijken te claimen bij de staat als zij vragen om een bailout. Ook burgers vragen iets dergelijks wanneer zij roepen om bescherming van hun spaartegoeden door een deposito­garantiestelsel. De staat creëert dan een beschut hoekje, waar je geld veilig is. Omdat de zakken van de staat niet oneindig diep zijn, kan dit recht echter nooit onbeperkt zijn. Ergens moeten burgers en banken zelf gaan opletten hoe zij hun geld inzetten, en de verliezen accepteren als het misgaat. Het constant pushen van dit recht leidt, zoals we de afgelopen vijf jaren zagen, tot overbelasting van de staat.

Kortom, allerlei partijen hebben moreel perverse rechten op kapitaal geclaimd. Dát is het morele failliet waar de financiële crisis ons met de neus op drukt. Er is geen enkele reden om kapitaalhouders, of het nou banken zijn of burgers, dezelfde soort fundamentele rechten toe te kennen als burgers die beschermd moeten worden tegen sociale risico’s.

Voor kapitaal moeten we op z’n minst terug naar een gezonde verzekeringslogica. Als we banken al beschermen tegen faillissement, dan is dat niet vanwege de menselijke waardigheid, maar om puur pragmatische redenen: vanwege het systeemrisico dat wereldwijd opererende banken vormen. De verzekering dat de staat altijd de helpende hand biedt, rechtvaardigt daarom het aan banden leggen van de risico’s die banken nemen, op alle noodzakelijke manieren. Meer regulering brengt ons hier dus – wellicht paradoxaal – dichter bij een pure vorm van kapitalisme.

Blijft over de vraag wie er verantwoordelijk is voor het binnensluipen van die moreel problematische claims op kapitaal. Zijn wij allen schuldig, omdat wij allemaal dat grotere huis, die auto op krediet en die jaarlijkse inkomensstijging wilden incasseren? Toont de kredietcrisis een verslaving aan economische groei die in de genen van de westerse samenleving zit?

Die conclusie is mij te gemakkelijk, om twee redenen. Het is waar, ‘it takes two to tango’. Dus waar financiële instellingen een private schuldenbel hebben gecreëerd met medeweten en goedkeuring van kiezers en politici, toezichthouders en centrale banken, dragen al die partijen een deel van de verantwoordelijkheid. Maar de aanbieders van deze producten past wel een speciale verantwoordelijkheid, gegeven hun voorsprong in kennis en kunde.

Films als Inside Job laten zien dat de financiële sector zich in hoge mate schuldig heeft gemaakt aan uitlokking. Er viel veel geld te verdienen met het aansmeren van subprime-hypotheken, het verpakken en doorverkopen daarvan. En precies vanwege de impliciete staats­verzekering was dit een spel op andermans kosten. De hoofdverantwoordelijkheid blijft dus liggen bij de financiële instellingen zelf. Een slechte arts mag zich immers ook niet verweren door te zeggen: ‘Dan had de patiënt maar niet voor mij moeten kiezen.’

Een tweede punt is dat de economische groei van de laatste dertig jaar, met name in Amerika maar ook in Europa, steeds meer terecht is gekomen bij de befaamde ‘1 procent’ rijksten. Globalisering van kapitaal en de afnemende macht van vakbonden, de continue verlaging en ontwijking van de winst-, vermogens- en erfbelastingen, en andere factoren hebben daar allemaal hun aandeel in gehad. De resulterende ongelijkheid in inkomen en vermogen heeft natuurlijk bij de overige 99 procent het verlangen opgeroepen ook hun deel te krijgen. De kredieteconomie speelde daar handig op in. Dat kun je ook andersom stellen. Waar de groei in inkomens en vermogens gelijkmatiger wordt verdeeld, is er ook minder risico van politieke en maatschappelijke druk om de mogelijkheden tot private verschulding te vergroten.

Een rechtvaardiger verdeling van de welvaart is daarmee niet alleen moreel beter, maar leidt ook tot een stabielere economie. De kredietcrisis legt daarom ook de basale machtsvraag op tafel: van wie is het beschikbare geld?


Rutger Claassen is universitair hoofddocent ethiek politieke filosofie aan de Universiteit Utrecht