INTERVIEW MET PEER WITTENBOLS

‘Er bestaat niet zoiets als gesetteld zijn’

In het werk van (toneel)schrijver en dichter Peer Wittenbols spelen seksuele en amoureuze verwikkelingen altijd een rol. Soms op het scabreuze af. ‘Je wil tegen de rand aan zitten van wat smaakvol is.’

PEER WITTENBOLS (Bergen op Zoom, 1965) is schrijver van een aantal van de indringendste toneelstukken van de afgelopen jaren, met als hoogtepunt Trilogie van het verlies (2002-2004) – bestaande uit Het zouthuis, Zullen we het liefde noemen en Goedbloed – en meest recent Op de ziel. Wrang-geestige stukken, die een generatie en een samenleving lijken te portretteren. Met regisseur Rob Ligthert, oud-medestudent aan de toneelschool in Maastricht, richtte hij in 1994 Toneelgroep De Federatie op, waarvoor hij stukken schreef als Noordeloos (1997) en Tweeduister (1999). Hij publiceerde de dichtbundels Slaapschuld (2000) en Kop van het hoofd (2003) en de verhalenbundel Eerste bloei (2004); dit najaar verschijnt zijn eerste roman, Wespenhoning.
Ruik…
Ruik…
ruik dan toch,
het gras dat zachtjes weer wakker wordt,
Het is mei, eindelijk mei
Lieve langzame mei…

Het zijn de eerste zinnen van De broekneus, het nieuwste werk van (toneel)schrijver Peer Wittenbols, waarmee acteur John Buijsman en muzikant Keimpe de Jong deze zomer door het land trekken. Een opmerkelijk hitsige tekst, vol geile verzuchtingen en broeierige melancholie.

Kijk…
Kijk dan toch:
de maagdelijk witte lakens aan de waslijnen. En de negligeetjes schudden van neeneenee naar de mouwen van de jongens. En de onderjurkjes wenken de herenhemden.

De broekneus gaat door voor een liederlijk lyrische lofzang op de liefdeslust, een ‘opera beffo’ over de geknaktheid van de man. Wil Wittenbols met dit stuk inderdaad iets zeggen over la condition masculine, in een tijdperk wellicht van assertieve vrouwelijke seksualiteit?
Peer Wittenbols: ‘Nou…’
Hij roert nog eens in zijn koffie. De ochtendzon doet zijn best, maar het gebladerte van de eeuwenoude beuk midden op het terras in het centrum van Arnhem is dik. Wittenbols houdt zijn korte leren jasje aan. Tegen de boom staat zijn fiets geparkeerd, kinderzitje voor en kinderzitje achter. ‘Sinds ik vrouw en kinderen heb, zit mijn leven een stuk prettiger in elkaar’, zal hij later zeggen. Maar eerst vertoeven we nog even bij JanPiertJoris Vanderneuk, de tragikomische hoofdfiguur in De broekneus, de man die hem niet meer omhoog krijgt.

Hoe ik ook ruk of rek of kneus
Of zwengel: niets dan twee zachte bollen
Met slappe stengel, houd ik in mijn tengels

Wittenbols: ‘Ik wilde iets maken voor de zomer, op de late avond. Het moest iets zijn zoals je dat ook wel beleeft op goeie avonden met vrienden. Dan zijn er mensen die een schuine mop kunnen vertellen, zonder dat het ranzig of flauw is. Alleen maar leuk. De volgende dag snap je niet meer hoe het kon. Dat effect wilde ik bewerkstelligen. Dat het publiek de volgende dag denkt: ik heb iets ontzettend ranzigs meegemaakt en het was toch verschrikkelijk mooi, en gezellig, en aangenaam. Als iemand dit kan, wist ik, dan is het John Buijsman. Hij is een rasperformer met een ontwapenende naturel.’
Toen John Buijsman voor het eerst de tekst las, zat hij in de trein samen met componist/blazer Keimpe de Jong die over zijn schouder meekeek en spontaan begon te neuriën. Meteen kwam de vraag op: kunnen we er niet een eenmansopera van maken?
Wittenbols: ‘Dat klopte precies met mijn uitgangspunt: een schuine mop ernstig nemen. Het moest gaan over seks, maar een tragische noot vind ik altijd wel prettig.’

O, was er maar een hoger macht
Die zich ontfermde over mijn geslacht
Een schietgebedje voor mijn schietgeweertje
Een onze vader voor mijn lieve heertje
Sla een kruis voor mijn kruis.
Een ave Deus
voor mijn broekneus.

Het is voor het eerst dat hij seks letterlijk tot onderwerp heeft gemaakt. Seksuele en amoureuze verwikkelingen spelen in zijn stukken altijd wel een rol, maar gewoon ‘zoals die bij iedereen onderdeel van het leven zijn’. Zo ontstond Zullen we het liefde noemen, een van de delen van zijn Trilogie van het verlies, vanuit het idee dat een man halverwege zijn leven alles wat hij heeft opgebouwd dreigt te verliezen. Na een periode van angst en schrik verheugt hij zich van de weeromstuit op zijn ondergang. Op het moment dat hij alsnog wordt vrijgesproken van de medische misser die hij gemaakt zou hebben, ervaart hij dat als een desillusie. Onder invloed van de nacht en de drank gaan dan ook op seksueel gebied de remmen los. Bij De broekneus stond voorop dat het een onderhoudend, ontroerend scabreus gedicht moest zijn. Plat, maar poëtisch plat. Lollig, maar met een treurige of zelfs wanhopige ondertoon. Waarmee we terug zijn bij de vraag naar de geknakte man en la condition masculine.
Wittenbols, nadenkend, zijn Brabantse oorsprong verradend met een zweem van een zoetje in zijn tongval: ‘Het gaat over dít mannetje. Al vind ik het wel ontzettend leuk om in de zaal te merken dat er steeds twee lachen zijn. Óf de vrouwen lachen, óf de mannen, en dat is heel erg geestig. Wat ik ook heel prettig vind: dat de vrouwen vaak harder lachen. Met name bij de passages die gaan over het vrouwelijk geslachtsdeel. En dat zijn niet de meest complimenteuze passages.’

Moet dit nog een kut voorstellen? Deze malende kamelenbek? Deze brakke boerensloot? Deze oude oorlogswond? Deze failliete spermabank? Dit vergeten modderbad?

‘Voortdurend’, antwoordt hij op de vraag of hij last heeft van schaamtegevoelens bij het schrijven. ‘Het is de enige maatstaf waar je wat aan hebt. Je wil tegen de rand aan zitten van wat smaakvol is, of van wat men nog verdraagt of pikt. Je wil niet minder, maar je wil er ook niet overheen, want dan ben je contraproductief. Je wil precies op dát randje balanceren waar de luisteraar nog net niet afhaakt. Waar het voor jezelf nog net een beetje pijnlijk is.’
Puur om te genieten van het feit dat het balanceren zo goed is uitgepakt in De broekneus gaat hij zelf naar zo veel mogelijk uitvoeringen.
‘Het is zó ongelooflijk geestig om mee te maken dat het overgrote deel van het publiek samen iets ondeugends aan het doen is. Iets dat nog nét door de beugel kan en hier en daar net níet. Die mensen kennen elkaar niet en dan moet er een code worden afgesproken: dit vinden “we” leuk. Er gebeurt iets met de zaal, iets dat heel anders is dan als je het hebt over huiveren, of ontroeren. Ik ga telkens kijken, in de hoop dat het weer gebeurt. De muziek helpt ook behoorlijk. Er zijn avonden dat mensen zingend de zaal uit gaan.’
Doet hij het ook daarvoor?
‘Schrijven doe je vooral voor het schrijven zelf. In je eentje zitten en cadeautjes voor de regisseur en de acteurs voorbereiden. Bij elke zin die ik schrijf, denk ik: a. hoe zou die klinken uit die mond en bij die regie; b. hoe zouden ze het vinden en c. hoe kan ik ze ermee verrassen, in de zin van dat ze er blij mee zijn of dat ze iets moeten doen wat ze nog niet kunnen. Dat is zo fijn aan toneel. Het is een heel sociale gebeurtenis: je probeert samen iets moois te maken.’
Des te socialer in het geval van Wittenbols, aangezien hij met een vaste groep mensen werkt. Nog maar even overigens, want vanaf volgend jaar gaat hij verder als freelancer. Rob Ligthert en hij houden zich aan hun voornemen om maximaal acht jaar verbonden te blijven aan Oostpool, om doorstroming, zowel bij zichzelf als bij de toneelgroep, te bevorderen.
‘Zo’n onderneming met John Buijsman is een mooi voorbeeld van hoe het moet gaan. Ik ken hem al jaren, dan is er over en weer vertrouwen en kennis van iemands smaak en voorkeuren, en dan is het weer léuk. Als ik aan het schrijven ben, hoor ik voortdurend de acteurs de zinnen zeggen en hoor ik de regisseur erop reageren. Altijd in de meest simpele vorm; een gesprek tussen een man en een vrouw vindt bij mij plaats aan tafel of in bed. De regisseur bedenkt altijd iets veel beters. Er zijn ook toneelschrijvers, die schrijven in een paar weken een stuk en gaan ermee de boer op. Die werken vanuit hun personages. Ik ook, maar mijn personages worden erg beïnvloed door wie ze gaan spelen. Ik heb drie ankers: de acteurs, de regisseur, het onderwerp. Dan kan ik personages laten spreken en terwijl ze spreken ontwikkelt zich een scène, en nog één, en langzaam ontwikkelt zich een plot. Nooit andersom.’
Zijn vroegere stukken hadden een sterke eigen logica. De personages stonden buiten het hier en nu en drukten zich uit in een heel eigen idioom. Kleine eilandjes vormden ze, afgesloten van de rest van de wereld. De afgelopen jaren is hij stukken gaan schrijven met personages die in de wereld staan waarin wij ook leven.
‘Ik merkte dat de reacties van kijkers steeds meer over het taalgebruik gingen, en niet over de beweegredenen van de personages. Toen dacht ik: ik moet ze een ogenschijnlijk gewonere manier van spreken geven. Ik wil dat mensen het gevoel hebben dat ik schrijf met lege mouwen, zoals ook een goochelaar niks in de mouwen heeft. Ik wil kijkers niet inpakken met suspense bijvoorbeeld. Ik wil gewoon een eenvoudige anekdote vertellen over mensen die we overal om ons heen zien. Niet omdat ik dat beschouw als mijn taak als toneelschrijver, het gebeurt gewoon. Het stelt ook bepaalde eisen. Op het moment dat je een groepje mensen verzint in hun eigen wereldje kan de kijker dat wel of niet accepteren en wel of niet in die logica meegaan. Terwijl, als het gaat over mensen van hier en nu, heeft het te maken met onze eigen levens. Dan heeft iedereen er verstand van en daar houd ik wel van. Daarom wil ik ook dat mijn stukken een begin, midden en einde hebben. Dat iedereen de ontwikkeling van a naar b kan volgen en er zich een oordeel over kan vormen. Op die manier zou je kunnen zeggen dat mijn stukken steeds meer gaan over mij en mijn generatie. Maar niet op de manier dat ik een maatschappelijke of een politieke ontwikkeling wil vangen. Dat interesseert me niet zo. Niet op toneel. Dat schept afstand. De boodschap gaat het drama tegen. Net zoals al te mooie taal de emotie eruit haalt. Ik schreef vroeger personages die zich niet bewust waren van de woorden die ze gebruikten. Nu schrijf ik personages die zich bewust zijn van wat bepaalde woorden en zinnen aanrichten bij de ander. Voor een goed personage is het nodig dat de schrijver in ieder geval weet waar hij zuiver van hart is. Dat hij vervolgens verschrikkelijke dingen doet is een tweede. Hij moet een zuivere of een waarachtige kern hebben, om daarna te laten zien waar hij met zijn verbale vermogens strategisch te werk gaat.’

De ontwikkeling in zijn stukken heeft volgens Wittenbols deels te maken met het feit dat Rob Ligthert en hij zo veel mogelijk met een vaste groep werkten, waardoor gezamenlijk nieuwe richtingen konden worden verkend. Maar ook heeft die ontwikkeling, denkt hij, te maken met ouder worden en met onderzoeken in hoeverre hij zijn personages zich kan laten uitspreken, zonder dat hij uitleggerig wordt. In zijn voorlaatste stuk bijvoorbeeld, Op de ziel, had hij als uitgangspunt een simpel verhaallijntje van twee echtparen en overspel dat uitkomt na de dood van een van de mannen.
Peer Wittenbols: ‘Al schrijvend ga je denken: waar zit het verdriet? Wat gebeurt er na de eerste drift? Wat gebeurt er als ze aan het praten gaan? Het lijkt altijd alsof mensen die zich moeilijk kunnen uiten zich ook eenzamer voelen. Ik vind het prettig om te laten zien dat personages die de macht over het woord hebben in de aard dezelfde eenzaamheid houden, dezelfde onbegrepenheid en afstand tot de ander voelen.’
Zijn bedoeling is dat de kijker voor zijn personages sympathie gaat voelen, een soort bezorgdheid ook, en dat hij wil dat het met alle vijf bij wijze van spreken even goed gaat. Een onmogelijkheid, maar toch.
‘Dat vind ik het mooiste: bewerkstelligen dat mensen een lichte verantwoordelijkheid gaan voelen voor de personages. Het is geen medelijden, het heeft niets te maken met voorkeuren. Het is puur dat je een lichte wanhoop gaat voelen om die personages, die maar proberen en opnieuw proberen en anders proberen. En dat je blij bent als ze iets dichter bij de gezamenlijke oplossing van het probleem komen, al weet je dat het een tijdelijke oplossing is, of een schijnoplossing.’
Een beetje dus zoals het idealiter ook in het echte leven gaat: dat je je zorgen maakt om je medemens?
‘Ja, en met name op de dagen dat je denkt dat je geen zin hebt en: ze zoeken het zelf maar uit.’
Zullen we het liefde noemen?
‘Het is uiteindelijk de enige manier waarop de boel niet stukdraait. Ik heb eens ergens gewoond waar de buren heel veel ruzie hadden. Steeds zat ik op het punt: zal ik nu maar eens gaan aanbellen? Die onhandigheid en twijfel – misschien zijn ze zich nergens van bewust, misschien ben ik opdringerig – en die bezorgdheid die niet alleen bezorgdheid om die mensen is, maar ook bezorgdheid voor de sfeer waarin je leeft, daar gaat het me om. Dat vind ik een mooi gebied. Want je wil iedereen met rust laten, maar je wil ook niemand alleen laten.’
Hij verontschuldigt zich dat dit misschien wat soft klinkt.
‘Als je kinderen hebt, en vertrouwen in je partner, wordt het besef dat iedereen alleen is en dat ook zal blijven alleen maar groter. Je kunt alleen maar heel erg hopen dat het er over een uur nog is. Er bestaat niet zoiets als gesetteld zijn. Ik kan me niet voorstellen dat je een leven leidt waarbij je ervan overtuigd bent dat het morgen nog zo is. Al is dat iets anders dan dat je de hele tijd de dreiging voelt dat het je wordt afgenomen.’

In de naam van Amor
Je dochter en je kleinzoon
En van de liefde, dat heilige beest
Samen

Zie voor voorstellingen, deze zomer en komend najaar: www.oostpool.nl