Hoofdcommentaar: Marokkanen

Er broeit iets bij de Marokkanen

Soms schuilt de waarheid in het detail. Afgelopen zondag deed zich zo’n geval voor tijdens het VPRO-programma Zomergasten, dit keer gewijd aan de tv-herinneringen van de Nederlands-Marokkaanse schrijver Hafid Bouazza. Hij nam de kijkers mee op een tocht door het landschap van zijn jeugd, van Oujda tot Casablanca naar Gorinchem. Een van de onderdelen was een fragment van een optreden van de Marokkaanse muziekformatie Nass-el-Ghiwane, die in de jaren zeventig gold als het Riffijnse antwoord op de Beatles en in de Arabische wereld nog steeds op handen wordt gedragen.

Aan de dienstdoende presentator van Zomergasten Joost Zwagerman de taak om een en ander naar behoren aan te kondigen. Toen volgde het typerende moment: Zwagerman bleek niet in staat de naam van de groep uit te spreken. Hij probeerde het niet eens, verklaarde dat hij daar niet toe in staat was. Maar zo moeilijk is het toch niet? Nass-el-Ghiwane («Kinderen van de wind») spreekt men, fonetisch, ongeveer uit als «Nazulgiewèn». Voor een geletterd mens als Zwagerman moet het mogelijk zijn om zoiets te oefenen, zeker voor een zorgvuldig en weken van tevoren nauwgezet geconstrueerd programma als Zomergasten. Bouazza bleek er toch ook geen enkel probleem mee te hebben een naam als Gerrit Komrij geheel correct uit te spreken, terwijl dat voor de gemiddelde Noord-Afrikaan waarschijnlijk toch ook een vervaarlijke tongenbreker is.

Hetgeen ons brengt bij de pijnlijke vraag: als een kosmopolitische intellectueel als Joost Zwagerman al niet in staat is tot een geste van elementaire belangstelling voor de Marokkaanse wereld, hoe moet dat dan met de slager om de hoek of de gemiddelde Nederlandse politieagent? Met andere woorden: wat weten de Nederlanders eigenlijk over de Marokkanen, de bevolkingsgroep die zich ondanks haar relatief kleinschalige aanwezigheid op Nederlandse bodem verzekerd weet van voortdurende journalistieke en bestuurlijke aandacht, zij het vrijwel exclusief als openbare-ordeprobleem? Het antwoord op die vraag luidt, helaas: weinig tot niets.

Een van de belangrijkste thema’s van de Marokkaanse geschiedenis is de traumatische verhouding van het volk tot het gezag. Onder de heerschappij van de Alevitische koningen heeft het tegenwoordig dertig miljoen zielen tellende land een uiterst hardvochtige regeringstraditie gekend. Feodaal en bloeddorstig. Met name onder de vorige koning Hassan II werd Marokko een land dat vooral vanuit de martelkamer en dalendiepe kerkers in het Riffijnse gebergte werd bestuurd.

Angst en wantrouwen jegens de autoriteiten werd een tweede instinct voor het aan de uiterste repressie onderworpen Marokkaanse volk. Een boek als Notre ami le roi (1990), de biografie van Hassan II door de Franse journalist Gilles Perrault, is in Marokko nog altijd verboden lectuur omdat daarin minutieus staat beschreven tot welke gruwelen de absolute monarch Hassan in staat was.

Zijn zoon Mohammed VI, de huidige koning, heeft een aanzienlijk liberaler imago, maar is evengoed nog de absolute heerser, kalief en koning tegelijk. De repressie is er sinds zijn komst niet minder op geworden, zeker niet na de recente bomaanslagen in Casablanca. Een veeg teken voor de Marokkaanse rechtsstaat onder Mohammed VI waren de keiharde straffen voor een gezelschap Marokkaanse hardrockfans die slachtoffer werden van een middeleeuws aandoend heksenproces vanwege veronderstelde «satanische» preferenties. Die toestand van permanente rechteloosheid heeft een diep gat geslagen in de psyche van de Marokkanen. Het is een collectief trauma dat iedere Marokkaan met zich mee zeult, of hij nu in Rabat woont of in Amsterdam-West.

Die achtergrond speelde ook zeker een rol bij de volksopstand die uitbarstte in Amsterdam-West nadat op 6 augustus op het Mercatorplein de 33-jarige Marokkaan Driss Arbib werd doodgeschoten door een politieagent. Het incident werd onmiddellijk in verband gebracht met een grootschaliger anti-Marokkaans sentiment bij de autoriteiten, dat vooral zou zijn gevoed door de gebeurtenissen van 11 september 2001. Marokkaanse Amsterdammers klagen dat ze voortdurend worden aangehouden door de politie; ze voelen zich tweederangsburgers. Dat was de boodschap van het Comité tegen Zinloos Politiegeweld en Discriminatie, dat direct na het tragische incident op het Mercatorplein werd opgericht. Burgemeester Cohen sprak met vertegenwoordigers van het comité en stelde vast dat er «iets broeit» bij de Marokkanen in Amsterdam.

De dood van Driss Arbib fungeerde als katalysator voor een al veel langer gevoel van onbehagen bij de Marokkaanse gemeenschap in Amsterdam. Of zijn dood echt het gevolg is geweest van anti-Marokkaanse sentimenten is echter zeer de vraag. In het algemeen is het geen goed idee om zich met een mes in de buurt van een politieagent op te houden. Zo werd in 1981 Meta Hofman, een autochtone Amsterdamse, in Amsterdam-Oost doodgeschoten door een agent, nadat ze deze zou hebben bedreigd met een keukenmesje. De rechtbank oordeelde dat het ging om een geval van noodweer.

Voor het gevoel van gelijke rechten zou het overigens goed zijn als de gebeurtenissen die leidden tot de dood van Driss Arbib ook door een onafhankelijke rechter zouden worden getoetst, en niet, zoals nu dreigt te gebeuren, afgehandeld als een interne affaire van de politie. Zo niet, dan krijgen het wantrouwen en de paranoia weer een impuls, dat alles ten faveure van Abou Jahjah’s AEL, die er afgelopen zaterdag natuurlijk weer als de kippen bij was om de tragedie van het Mercatorplein op tamelijk weerzinwekkende wijze politiek te gelde te maken.