Er een beetje van leven

Dat het eigenlijk een heel raar beroep is, de hele dag velletjes papier volschrijven, ontdek je pas als je kennismaakt met andere mensen (verjaardagen, bruiloften, nieuwe buren), die de onvermijdelijke vraag stellen: ‘En jij? Wat doe jij?’

Laatst overkwam het me weer. Een leeftijdgenoot had net uitvoerig zitten vertellen dat hij ‘vooral aan de procesmatige kant zit’, dat de organisatie waarvoor hij werkt (‘jaja, in die lelijke kantoortoren’) zichzelf als intermediair opstelt tussen lokale partijen, de semi-overheid maar evengoed de non-profitsector, waarbij het accent vooral lag op de uitdaging om bilateraal…
Er viel een sluier tussen ons, of eigenlijk was het een brandscherm, en alleen een ingebakken beleefdheid weerhield me van gapen. Tot overmaat van ramp was het daarna de beurt aan zijn vriendin, die even enthousiast van wal stak over een gelijksoortige job, maar dan meer in de ‘beleidsevaluerende sfeer’.
Dit was geen verjaardagsfeestje, dit leek er meer op alsof ze bij mij kwamen solliciteren, en een gelikte cv-presentatie hadden ingestudeerd. Ik zapte weg, en merkte dat ik nog altijd werktuiglijk zat te knikken nadat ze de vraag hadden gesteld: ‘En jij? Wat doe jij?’
‘Jajá… Dat is interessant… Tsjonge…’
‘Maar wat doe jíj eigenlijk?’
‘Ik?’ Ik schrok wakker. Interne technici takelden het brandscherm ras op. De vraag overviel me, gek genoeg, want zo onverwacht was ze nu ook weer niet, en ik had ruim de tijd gehad om een acceptabel antwoord te vinden. Vier ogen richtten zich met verlammende welwillendheid op de mijne. ‘O, ik zit de hele dag in een klein kamertje velletjes papier vol te schrijven.’
Maar zoiets zeg je niet. En als je het tenslotte toch gezegd hebt, in andere woorden, weet je dat je de volgende tien minuten bezig bent met het ophelderen van twee raadsels: of je daar wel ‘van kunt leven’, en ‘waar je je inspiratie vandaan haalt’.
‘Dus je schrijft? Apart zeg. En kun je daar een beetje van leven?’
‘Ik zou niet meer zonder kunnen.’
Verbaasde blikken. Nee, vanavond ging ik hier geen vrienden maken, zoveel was zeker. Moest ik hen nu vragen of zij ‘een beetje konden leven’ van hun procesmatige beleidsevaluaties?
De vraag naar het ‘ervan kunnen leven’ is nu al zo vaak gesteld dat ik inmiddels toch wel een pasklaar antwoord moet hebben. Maar de waarheid is dat ik het niet zo goed weet. Uiteraard lijkt mijn lijfelijke aanwezigheid te pleiten voor een ‘ja’, maar voor velletjes papier volschrijven bestaat geen uurloon, geen dertiende maand, geen vakantiegeld, geen lease-automobiel, geen toekomstgarantie en een kredietwaardigheid van nul.
Ook staat de prestatie in geen enkele logische verhouding tot de honorering. Je kunt jaren besteden aan een onverkoopbaar boek, of een bestseller schrijven in twee maanden. Bij een exorbitante aanschaf kun je niet verzuchten dat je hier zo-en-zo-lang voor hebt moeten werken.
Kun je er een beetje van leven? Laatst schreef Alain de Botton er een aardige tweet over, die ik misschien uit m'n hoofd moet leren als pasklaar antwoord: ‘The law of money & complexity: an artist needs 20 followers to survive, a writer 20,000, a newspaper 300,000; a tv station, a million.’
‘Nou, apárt hoor! Enne… hoe kom je aan je inspiratie dan?’
‘Op de fiets.’ Die heb ik gejat van de Duitse schrijver Daniël Kehlmann. In Roem voert hij een personage op, schrijver, die ook steeds die vraag krijgt, en zich realiseert dat je dan niet moet proberen eerlijk te zijn, want de mensen willen gewoon iets concreets horen. Dus antwoordt zijn personage altijd: in bad. Toch durf ik dat niet schaamteloos te koppiepeesten (al krijg ik inderdaad veel ideeën onder de douche en, sinds ik er een heb, in het ligbad, wat onhandig is omdat je er vulpen noch laptop kunt gebruiken). ‘Ik heb een racefiets, en woon vlak naast de duinen, en daar krijg ik al mijn ideeën.’
‘Joh, apárt!’
En ook nog eens pertinent onwaar. Want dat fietsen is nu juist om het hoofd leeg te maken, alle woorden te verjagen, mezelf te vermommen als zo'n geruisloos insectachtig wezen dat over de duinfietspaden suist, recreanten opzij belt, en ontsnapt in een universum van derailleurgeratel, zweet, gehijg, zeelucht. De enige woorden die m'n hoofd doorkruisen zijn die op de ANWB-bordjes.
Pas op: slecht wegdek. Dat bordje zag ik laatst op mijn vaste stukje tussen Den Haag en Hoek van Holland, wat inderdaad altijd een rampzalig stuiterkuilenparcours was, maar dat dit voorjaar ineens helemaal opnieuw is geasfalteerd. Toch stond het bordje er nog. Een oxymoron, of is het een paradox? In elk geval zou het een metafoor kunnen zijn. Maar van wat?
Ik schakel op, en ontsnap uit een denkbeeldig peloton. Weg wegdekbordje. Weg oxymoron. Weg stuiterkuilenparcours. Want straks krijg ik op de fiets nog inspiratie.