Een dubbele minderheid in Turkije

‘Er hangt iets gruwelijks over Dersim’

In 1938 trok het leger van Kemal Atatürk naar de Oost-Turkse stad Dersim. De liberale Koerdisch-alevitische bevolking, die dacht in Atatürk een beschermheer te hebben, werd afgeslacht. Nu vrezen sommigen een nieuwe invasie.

Het water van de Munzur is niet grijs of bruin, zoals de kleur van rivierwater hoort te zijn. De afgelopen dagen heeft de overvloedige regenval klaprozen, madeliefjes en paarse hyacinten uit de grond van Dersim laten schieten. ‘Met zoveel regen kan de guerrilla echt niet gaan lopen’, bromt de moeizaam pratende Haydar. We zitten thee te drinken bij de rivier die, vanwege het bloed van de duizenden doden die ooit zijn afgeslacht en in dit water zijn gegooid, de kleur bruingroen heeft aangenomen en tevreden lijkt met deze eigenaardige kleur. Haydar neemt een laatste teug van zijn thee, gooit zijn sigaret in de rivier die alle verschrikkingen heeft gezien, en zegt: ‘Zullen we morgen op zoek gaan naar de guerrilla? Wie weet zijn ze nog niet weg en treffen we hen in de bergen.’

De kleine stad, die wordt omringd door hoge bergen met militaire bases, heet volgens de Turkse staat Tunceli. Het is de enige plek in Turkije waar louter alevieten wonen. En deze alevieten kunnen het niet over hun hart verkrijgen om hun stad met de Turkse naam aan te duiden. Zij hebben het nog steeds over Dersim.

Het leger van Kemal Atatürk trok 75 jaar geleden de bergen van Dersim in om ‘schoon schip’ te maken met de Koerdisch-alevitische bevolking. De stiefdochter van Atatürk, Sabiha Gokcen, bombardeerde hoogstpersoonlijk de dorpen vanuit haar gevechtsvliegtuig. De soldaten staken de rivier over, namen zwaar begaanbare paden en bereikten de kleinste dorpen om duizenden kinderen, vrouwen en mannen af te slachten. Naar schatting vonden in de lente van 1938 dertigduizend Dersimli’s op bevel van Ankara de dood.

De hele stad is verslaafd aan sigaretten en thee. De 38-jarige Haydar, die de volgende dag per se de tot nu toe voor gewone burgers onbegaanbare bergen in wil om met de pkk-militanten te praten, is geen uitzondering. Hij bestelt weer eens een glaasje thee, wijst naar de militaire uitkijkposten op de heuvels en worstelt met woorden om verstaanbare zinnen uit te spreken: ‘Zijn ze niet als de armen van een octopus? Het vredesproces is nu op gang gekomen en de pkk heeft aangekondigd Turkije te zullen verlaten. Maar wanneer gaan de militairen dan weg?’

Haydar is een forse, gespierde kerel. De tatoeage op zijn rechterarm is zodanig mislukt dat het niet duidelijk is wat die zou moeten voorstellen. Met zijn grote handen heeft Haydar ooit als pkk-vechter de kalasjnikov gehanteerd. Na een jaar guerrilla te zijn geweest heeft hij er de brui aan gegeven omdat zijn hoofd de lange, ideologische lessen niet meer aankon. Hij keerde terug naar huis om zonder het ‘gezeik’ over marxisme en leninisme een te worden met de wilde natuur van Dersim. Hij heeft met stenen op wilde zwijnen gejaagd. Hij heeft de doden uit auto’s in de rivier gehaald. Haydar heeft een militair uit het water gered die aan het verdrinken was. De stervende honden van Dersim kennen hem en laten zich alleen door hem over de kop aaien.

In de nachtelijke uren bestellen we bier in een drankhuis. Met bier op heeft de man veel minder moeite met zijn woorden: ‘In 1994 werden we door het Turkse leger gedwongen om ons dorp te verlaten. We verhuisden naar de stad, maar de twaalf honden van ons dorp gingen niet mee. Het was winter, die honden hadden geen kans om te overleven. Die winter heb ik drie keer in de week brood en ander eten het dorp in gesmokkeld. Die arme honden legden me op de grond en likten uit dankbaarheid mijn gezicht. Tot de lente heb ik die honden brood kunnen brengen. Toen de sneeuw begon te smelten hebben ook zij het dorp verlaten.’

Yusuf, de boezemvriend van Haydar, belt de hele tijd met een man die een mooi stuk grond bij de rivier heeft. Het vredesproces is volop aan de gang, op de rivier die iets verderop al grommend de binnenlanden in trekt, zullen waarschijnlijk binnen een paar jaar hordes toeristen kajakken. Yusuf wil op de grond die de eigenaar weigert te verkopen kano’s verhuren, thee, koffie en eten verkopen. Haydar heeft echter geen oren naar dit soort plannen. Zijn al gauw benevelde brein heeft geen behoefte aan geldzaken. Met zijn krachtige stem overstemt hij Yusuf en vertelt door: ‘Toen het leger de bossen hier in brand stak, renden we van het ene brandende bos naar het andere, of niet Yusuf? Om de branden te blussen hebben Yusuf en ik het rivier­water in onze schoenen gedragen. Op een gegeven moment konden we niet anders dan naar de kazerne gaan en de militairen bedreigen met wraakacties. Toen pas zijn ze gestopt met het in de fik zetten van de bomen.’

In deze nachtelijke uren vallen de regendruppels als kogels op het dak van het drankhuis. Op de televisie begeleidt een zanger zijn melodramatische liedjes met de bescheiden klanken van een saz. Haydar huilt zonder tranen te laten; hij is niet gerust op de toekomst, hij is bang dat in de nieuwe tijd de alevieten van Dersim weer eens afgeslacht zullen worden en hij weet zeker dat het nieuwe kapitaal en de nieuwe bewoners met geld niets zullen overlaten van zijn Dersim met de wildste en mooiste natuur van heel Turkije.

De volgende dag zitten we in een tuin alweer thee te drinken. Het regent niet meer. Yusuf kijkt blij omdat de grondeigenaar eindelijk heeft ingestemd met een gesprek over de eventuele verhuur van de grond. Haydar moet wel de enige man in de stad zijn die zich in deze kou in een blouse met korte mouwen naar buiten begeeft. Vandaag is ook Cihan Polat met ons thee aan het drinken. Hij is een neef van Yusuf en een architect uit Hamburg die op de eerste dag van het vredesproces besloot zijn leven in de Duitse stad vaarwel te zeggen en zich in Dersim te vestigen. Onder zijn modieuze, fel groene broek draagt de dertiger blitse Puma-schoenen. Het dunne, witte T-shirt waar zijn iets te dikke buik tegenaan drukt is bijna doorzichtig. Als de architect wordt gevraagd om over zijn toekomstplannen te vertellen, ontstaat om zijn dunne lippen een trotse glimlach. De toekomstplannen van de Duitse Koerd zijn net zo wild als de bergen die ons omringen, bergen waar nu de guerrilla wandelt, de hongerige wolven huilen en de beren die de afgelopen winter zelfs de koffie­huizen in de stad bestormden nu al uitkijken hoe ze de winterslaap nog een kans kunnen geven. De Hamburger, die op zijn derde deze stad verliet, drinkt zijn thee zonder te slurpen en past alleen hierom al niet in deze omgeving.

Ik vertel hem dat hij goed past in een verklaring van een Turkse minister. De man meldde dat Europese Turken nog nooit zo massaal terugkeerden naar het moederland als nu. Vorig jaar hebben meer dan vijftigduizend Duitse Turken hun koffers gepakt en zijn voorgoed naar Turkije teruggekeerd. Dat is de helft van het aantal Duitse Turken dat tussen 2007 en 2011 besloot te remigreren. En het opvallende is dat niet de kansarmen terugkeren naar Turkije, maar uitgerekend de gekwalificeerde jongeren. De minister die deze cijfers onthulde voegde eraan toe dat het aantal remigranten met het vredesproces sterk zal toenemen.

Cihan Polat knikt bevestigend. Hij hakkelt niet zoals Haydar en ratelt in perfect Turks over zijn motivatie om ontslag te nemen bij het architectenbureau om in het getraumatiseerde Dersim aan een nieuw leven te beginnen: ‘Dit gebied heeft zoveel potentie, het is jammer dat de bewoners van Dersim dit zelf niet beseffen. De natuur is prachtig en is door de aanwezigheid van de pkk onberoerd gelaten. De toeristen zullen hun ogen uitkijken. Ik kan hier zoveel doen. Veeteelt wil ik doen, ik wil van die heerlijke roomboter maken die mijn oma altijd maakte. Voor heel weinig geld kan ik wel dertig bruggen over de rivier zetten. Wandelingen organiseren is een andere optie. Mijn opa had ooit honderd schapen, nu leven in ons verlaten dorp wilde zwijnen. Dersim is niet alleen mooi, het gebied is ook een oase in het oosten waar vanwege de liberale alevitische cultuur de mensen vrijer zijn. Hier zie je geen hoofddoeken, de meisjes lopen hier met hun vriendjes hand in hand door de straten.’

Hij vervolgt: ‘Ik ben enorm uitgekeken op Duitsland. Ik ben nu bijna veertig, spreek perfect Duits en toch moet ik iedere keer domme vragen beantwoorden over de islam en de Turken. Altijd als ik op een party wijn sta te drinken, komt een Duitser mij vragen of alcohol niet verboden is in de islam. Ik wil hier tussen mijn eigen mensen leven en dit gebied helpen opbouwen. En mocht het gebeuren dat Dersim weer eens wordt aangevallen, dan wil ik hier zijn om schouder aan schouder met de andere Koerdische alevieten terug te vechten.’

Haydar is al geen goede luisteraar, maar vooral met deze Duitse Koerd lijkt hij geen geduld te hebben. De hele tijd wrijft hij over zijn blote arm, krabt in zijn haar, steekt de ene na de andere sigaret op en zegt uiteindelijk: ‘Ik ga op zoek naar de guerrilla vandaag. Ze gaan misschien voorgoed weg. Gaan jullie mee?’ De geremigreerde architect wil weten of het niet te gevaarlijk is. Met hoorbaar plezier in zijn stem laat Haydar weten dat we vandaag naar gebieden gaan die voorheen onbegaanbaar waren en dat de pkk ze mogelijk van landmijnen heeft voorzien. Haydar, de boezemvriend Yusuf en ik stappen in de gammele Toyota, de architect zegt een afspraak te hebben bij waterbedrijf Munzur.

We laten de stad achter ons. Al snel doen de twee mannen een deel van hun plannen uit de doeken. Allereerst willen ze afhankelijk van de wildheid van het water de rivier overzwemmen om in een pas ontdekte grot naar de honderden botten van de slachtoffers van 1938 te kijken. ‘Hopen dat het water niet zo hard stroomt en dat we het kunnen overzwemmen’, zegt Haydar.

De auto van Yusuf stopt een uur later bij een plek langs de rivier waar andere mensen ons voor zijn geweest. Ze hebben twee zwarte kransen tegen de bomen gezet om de duizenden doden te herdenken. De pas ontdekte grot, waar de dorpelingen in het jaar van de massamoorden hun heil zochten en waar ze door de soldaten van het regime massaal werden afgeslacht, ligt een kilometer van de rivier. De twee vrienden kijken elkaar vragend aan. Is het verstandig om een oversteek te wagen? Haydar vraagt voor de zekerheid nog een keer aan mij: ‘Weet je zeker dat je een goede zwemmer bent?’ Ik hoor het dreigende water en knik onzeker. Yusuf besluit om het niet te doen: ‘Wat je niet ziet zijn de rotsen onder water. Straks knallen we daartegenaan. Het water is ook te koud, je kunt er bewusteloos van raken.’

We rijden door, de rivier volgend langs de voet van de bergen, om in plaatsen te komen waar gewone burgers vanwege de oorlog tussen het leger en de pkk voorheen geen stap konden zetten. Yusuf steekt weer eens een sigaret op en zegt met zijn schorre stem: ‘Het vredesproces is toch aan de gang in dit land? Laten we eens kijken of dat werkelijk zo is.’

Onderweg vertelt hij over zijn stadsgenoten die niet weten waarom hun ouders en voorouders in 1938 dood moesten en hoe die ‘genocide’ onder het bewind van de door hen zo geadoreerde Kemal Atatürk kon plaatsvinden. ‘De dorpelingen hebben het leger in een blije stemming verwelkomd. De mensen hielden van Atatürk omdat de man de nadruk niet op het geloof legde. De alevitische minderheid hier dacht dat ze gered waren met zo’n leider. Er werd zelfs verteld dat Atatürk stiekem ook een aleviet was. Toen de militairen opeens begonnen te schieten raakten de mannen, vrouwen en kinderen verlamd van verbijstering. Ze konden niet begrijpen waarom ze werden aangevallen. Nu pas beginnen de overlevenden en hun kinderen te begrijpen dat het Turkse regime hen dood wilde hebben vanwege hun geloof. Aleviet en Koerd, dat kon niet. Dankzij de openheid van de laatste jaren beseffen de mensen hoe het werkelijk zat. Ze halen langzaam de posters van Atatürk van hun muren. Want in het jaar van de massamoorden was deze op de hoogte van alles wat er in het land gebeurde.’

Het Turkse leger klom in dat jaar de hoge bergen in, stak het water over, vloog over de dorpen om ze te bombarderen en hield vreselijk huis om de alevieten een lesje te leren. Dersim zou een voorbeeld moeten zijn voor alle andere streken waar de bevolking rebelleerde tegen de staat die alle minderheden wilde assimileren tot Turken.

De onderkant van de auto krijgt het zwaar te verduren van de stenen op de weg. Boven op het ravijn bevindt zich de zoveelste militaire uitkijkpost vanwaar soldaten ons zien rijden. ‘Het is echt vrede, ze houden ons niet tegen’, zegt Haydar. Iets verder houdt de weg op en moeten we te voet verder. Na een uur openbaart zich een landschap dat aan Zwitserland doet denken. Een mooie plek om op adem te komen. Yusuf en Haydar roken weer. De iets oudere, tengere Yusuf ziet in het gras een verroest gaspitje en zegt met trillende stem: ‘Volgens mij zijn we in pkk-gebied. Hier hebben ze gezeten.’

De volgende sigaret wordt met het vuur van de opgerookte peuk aangestoken. Yusuf zucht diep, kijkt naar de bergen en vindt het tijd voor een openhartig gesprek: ‘Ik zou willen dat de pkk-militanten terugkeren naar Dersim, dat ze huisjes bouwen in de bergen die ze zo goed kennen en dat ze over ons waken. Geloof me, er hangt iets gruwelijks over Dersim. Ik ben bang dat de Turken ons gaan opofferen in een soennieten-sjiietenoorlog. Als stad zijn we omringd door Turken en Koerden die soenniet zijn. Een doorn in het oog zijn we altijd al geweest. Waarom zou het nu anders zijn? Als de Turkse regering zo democratisch zou zijn als ze altijd beweert, had ze de stad om te beginnen de echte naam Dersim kunnen teruggeven. Ze blijven ons bewust Tunceli noemen zodat we altijd aan het verschrikkelijke verleden denken en bang blijven.’

De zon is vandaag gul. De rots waar we op zitten is droog. Opeens horen we mensengeluid vanachter de bomen. Een jongeman met helderblauwe ogen, een levend skelet, maakt met gebaren duidelijk dat we in zijn richting moeten lopen. ‘Het is de pkk’, zegt Yusuf zenuwachtig. Als we de dunne, lange man naderen, zien we de kalasjnikov in zijn hand, de granaatbom om zijn middel, de bruine bergschoenen waar alle pkk’ers op lopen en het pkk-uniform. Hij wijst naar een boom waar we onder moeten gaan zitten. Even later komt de commandant. Het eerste wat opvalt is de plastic tas die hij tussen de sokken en de schoenen heeft gewikkeld.

De militant klinkt als een rustige onderwijzer voor de klas, maar dan wel eentje met een kalasjnikov op schoot. Twee uur lang weidt hij uit over het fantastische werk dat zijn beweging heeft verricht en over de ‘grote leider Öcalan’ die altijd gelijk heeft. De 34-jarige man zit al dertien jaar bij de pkk en is ook een Dersimli, dus aleviet en Koerd. ‘De pkk heeft respect voor de alevitische minderheid. Was het niet leider Öcalan die heeft gezegd dat de Koerden aanhangers zijn van meerdere goden en eigenlijk weinig te maken hebben met de islam?’

De pkk-commandant zegt de bevelen van de leider te zullen opvolgen en in het kader van het vredesproces Turkije snel te zullen verlaten. ‘Het water van de rivieren staat nog te hoog deze maand. Daarom wachten we nog even met weggaan’, zegt hij bijna op fluistertoon.

Haydar vraagt de pkk’er recht voor z’n raap om niet weg te gaan. ‘Dersim wordt straks door vreemdelingen bestormd. Ze zullen niets overlaten van de natuur hier. Heval, vriend, straks komen hier niet-alevieten wonen.’

De pkk-commandant heeft geen remedie voor het zeer van Haydar. De magere militant van daarnet snelt naar ons toe. ‘Er komt een helikopter deze kant op’, roept hij. We benen drie kwartier lang naar de auto. Yusuf en Haydar zijn stilgevallen na de ontmoeting van net. Als we bij de auto zijn, zegt Yusuf nog eens: ‘Er hangt mist over Dersim. Ik ben bang dat ze de al-Qaeda-vechters uit Syrië op ons loslaten. Een soenniet gaat per slot van rekening gegarandeerd naar het paradijs als die zeven of meer alevieten heeft vermoord. Zo denken veel soennieten.’

De auto rijdt een paar uur later de stad weer in. De schemer is over Dersim gevallen. Het regent weer en de rivier die alles heeft gezien krijgt vandaag nog meer vers water. In het drankhuis schuift de Duits-Koerdische architect aan. Enthousiast vertelt hij over zijn ontmoeting met de bedrijfsleider: ‘Ik heb hem verteld dat hij het voorbeeld van McDonald’s moet volgen en een paar mensen moet inzetten om de plastic flesjes van zijn bedrijf te laten opruimen. Laatst stond ik bij de oever van de rivier te schreeuwen naar mensen dat ze hun vuilnis moesten opruimen. Er moet nog zoveel werk verricht worden in Dersim. De mensen moeten nog zoveel leren.’

Haydar maakt een broodje hamburger soldaat, bestelt een flesje bier en buigt het metalen dopje van het flesje tussen duim en wijsvinger. Cihan Polat vervolgt: ‘Ik vroeg vandaag mijn nicht, die als verpleegster werkt, waarom ze niet op een boerderij wil werken. Ze zei dat ze niet wilde stinken. Alsof het in een ziekenhuis niet stinkt.’ Haydar buigt ook het dopje van Yusufs bierflesje tussen zijn vingers. Hij is te beleefd om tegen de Hamburger te zeggen dat hij hem en de anderen met hun kapitaal niet in zijn stad wil hebben. In plaats daarvan richt hij zijn blik naar het dopje van mijn fles. Net op tijd weet ik dat zelf te bemachtigen en probeer ik met mijn vingers van een stedeling hetzelfde te doen als hij. Buiten giet het. De vraag is wanneer het nieuwe water de zeldzame kleur van de Munzur gaat veranderen. Morgen meteen? Of pas als het geschreeuw en het gelach van de kajakkers door de ravijnen van Dersim galmt?