Er hoeft maar één hagel dwars te liggen

Hélène Gelèns, Zet af en zweef. Gedichten. € 16,90

wat rafelt en bloeit

van de dansende stad de oren vol piep
van de dans de heupen in zwang
van de stad de ziel

er groeit rafelrand in de ziel van de stad
juichen we de rand toe? er bloeit een nacht van rafels
plukken we de nacht voor er lantaarns zijn geplant?

de vleermuis komt naar de rand, de klotsende golf
het mosterdgeel wolkendek, de maan - het zingt rond

van de bloeiende nacht ontwaken in groen
van de bloei de haren verward
van de nacht gewoel

men richt handlantaarns op het gewoel van de nacht
joelen we de hand uit? men sticht een korps lantaarns
dulden we het korps zolang de rafelrand gedijt?
Al sinds de Oudheid wordt aangenomen dat de mens zich van het dier onderscheidt doordat hij een rationeel wezen is, dat over bewustzijn beschikt en in staat is zelfstandig beslissingen te nemen waarvan hij de consequenties overziet. Helaas hebben biologie, psychologie, neurologie en philosophy of the mind de afgelopen decennia roet in het eten gegooid. De ziel bestaat niet, geheugen en bewustzijn zijn gefundeerd op drijfzand, we beschikken over minimale mogelijkheden om zelf keuzes te maken en vele vaardigheden waarop we ons laten voorstaan, worden ook aangetroffen bij ratten, bonobo’s, dolfijnen en roeken. Het ziet ernaar uit dat ons gedrag al net zo gedetermineerd is als dat van scholen vissen, zwermen spreeuwen en mierenkolonies. Wie zich van de massa onderscheidt, doet dat als onderdeel van een doorgaans tamelijk voorspelbaar opererend superorganisme. Of kan één dwarsligger de koers van het systeem verleggen?
Hélène Gelèns (1967), opgeleid als filosoof, verraste in 2006 met de speelse, ambachtelijk doorwrochte, maar nog enigszins onevenwichtige bundel Niet beginnen bij het hoofd. Haar tweede bundel maakt de belofte ruimschoots waar. Deze poëzie onderzoekt op meeslepende wijze de grenzen van de rationaliteit, de drempelzone waarin lichaam en ziel in elkaar over lijken te gaan en de beperkte bruikbaarheid van de taal. Lyriek en wetenschap gaan naadloos in elkaar over, zelfs het domein van de mystiek wordt niet geschuwd. Gelèns schrijft met vaart en humor, zodat ook de zwaarste thema’s een lichtheid krijgen die het mogelijk maakt ze te relativeren, zonder dat er sprake is van vermaledijde ironie die alles kapotmaakt.
De bundel opent met een reeks gedichten waarin vaart en stilstand tegen elkaar worden afgewogen. Voortgang is essentieel om in leven te blijven, elk moment van rust is geladen met energie, maar het gaan zelf, dat hier vooral als hardlopen verschijnt, kan zich voordoen als een min of meer stabiele toestand. Het is zaak de vaart in de stilstand, de rust in de snelheid te vinden, en vooral steeds paden te kiezen die nieuw zijn. Sterker nog, het is het rennen zelf dat het landschap doet ontstaan, want ‘in ongeremd rennen (…) ren je de zon tevoorschijn en een duinvallei’. De grenzen tussen mens en omgeving blijken fluïde:

We denken ons doelloos ons ongeremd rennend
we lopen ons leeg het lijf tot een pijl
moeiteloos rennen we niets doet nog pijn

niet wij rennen
het pad rent

Het belang van in beweging blijven, en het plezier ervan, staat centraal in een gedicht dat een experiment weergeeft waarbij muizen hersencellen krijgen ingeplant om te bepalen in hoeverre dit hun ruimtelijk geheugen beïnvloedt. De dieren zwemmen in een bak met troebel water en dienen te onthouden waar zich onder het oppervlak een uitrustpunt bevindt. De onderzoekers gaan ervan uit dat de muizen die dat punt het snelst gevonden hebben, over het beste geheugen beschikken. Maar is dat de juiste conclusie? De dichter twijfelt: 'leert een luie muis even snel als een zwemlustige of juist sneller? misschien ontwijken zwemlustige muizen met opzet het uitrustpunt en schat ik hun ruimtelijk geheugen ten onrechte laag in’.
Verderop in dezelfde afdeling observeert Gelèns het gedrag van hagelslag op een trillend oppervlak, bijvoorbeeld een wasmachine: 'de hageltjes schuifelen, schuiven in/ scholen samen, schuiven nog wat in/ beginnen zij aan zij op te rukken’. Een analogie met levende wezens ligt voor de hand: 'er hoeft maar één hagel dwars te liggen/ één boven het trilveld uit te steken/ en buurhagels zwenken zij aan zij (…) als een zwerm schoolkinderen’. Vervolgens onderneemt de onderzoeker een gedachte-experiment: wat zou er gebeuren als je het trilvlak zo groot maakt als een voetbalveld en geen hagelslag of knikkers, maar mensen als proefmateriaal neemt? 'schoolt de mens samen of blijft hij kriskras verspreid?’
Te midden van al deze gedichten vol wervelende bewegingen staat een gedicht ter nagedachtenis aan de Somalische cineast Abdi Ismael Jama, die een jaar geleden na een avondje stappen in een Amsterdamse gracht verdronk. Zelfs hier weet Gelèns een zekere lichtheid te bewaren: 'dat je (…) nog zwierbolde van het laven aan mensen drank/ stilhield bij de eerste tsjieptjieptjiep van de dag’, waarna 'het steen zomaar ophield en/ het water begon’. Jij zou willen, zegt de dichter, 'dat de gracht voor ons gracht blijft’, een wateroppervlak waarop het voorjaar glinsteringen doet stuiteren, in plaats van dat men 'zoekmaker denkt moordenaar graf’. Ook hier gaan mens en omgeving in elkaar over en blijkt het onderscheid tussen levenloos en bezield een kwestie van perspectief te zijn. Als het niet zo plechtig klonk, zou men kunnen zeggen dat dit poëzie van grote wijsheid is.

HÉLÈNE GELÈNS
ZET AF EN ZWEEF
Cossee, 64 blz., € 16,90