Er is alleen maar vroeger

Sartre mocht dan als goeroe bij Les Deux Magots zitten, het artistieke klimaat in het Parijs van toen werd niet door hem bepaald. De echte smaakmakers waren Jacques Prevert en Boris Vian. En Simon Vinkenoog op zijn scooter.
ZOALS BERLIJN in de jaren twintig en New York nu, zo was Parijs in de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog de navel van de artistieke wereld. Daar gebeurde het, daar moest je zijn. Bij Reijnders op het Amsterdamse Leidseplein gonsde het van de verhalen over Sartre en zijn existentialisme. Geen voer voor serieuze filosofen, maar eerder het etiket voor een trend: lang sluik haar, zonnebrillen - ook bij avond en in donkere nachtclubs -, espadrilles met veters kruislings tot boven de kuit, zwartgelakte nagels, ribfluweel en zwarte truien. En Franse chansons: Juliette Greco met repertoire van Jacques Prevert; Mouloudji en Patachou met de liedjes van Georges Brassens waar je je schoolfrans op brak.

In 1951, ik was zeventien, speelde ik klarinet in jazzformaties van de Amsterdamse Jazz Societeit. Ook deed ik vrijwilligerswerk in het culturele pakhuis Le Canard aan de Spuistraat. Daar leerde ik de vijftigers en de Cobra-schilders kennen, met hun romantische verhalen over het bruisende Parijs. Een van die schilders vertelde me dat je in Parijs op 14 juli geld kon verdienen met muziek, omdat er dan geen straatvergunning nodig was. Hij maakte een schetsje voor me van de plek waar het in Parijs gebeurde: een rechthoek, begrensd door de linker Seinekade, de Rue de Rennes, de Boulevard Montparnasse en de Boulevard Saint-Michel (Boul'Mich’ voor de ingewijden). Binnen die rechthoek gaven kruisjes de plekken aan waar je moest wezen. De cafes Flore en Les Deux Magots waar Sartre en De Beauvoir recipieerden, de kelder van de Vieux Colombier, een duivetil waar Greco ’s avonds neerstreek, en cafe Select op Montparnasse, stamkroeg van de Nederlandse kunstenaarsbent, het Reijnders van Parijs.
Zo is het gekomen. Op 13 juli 1952 stond ik om acht uur ’s morgens, samen met een vriendin die banjo en gitaar speelde, aan de oude Haagweg te liften. Zij op espadrilles en met de instrumenten, ik op Zwartjes- sandalen, met rug- en plunjezak. Die avond haalden we Soissons, sliepen er in een middeleeuwse stadspoort en werden de volgende morgen wakkergetoeterd door een fanfare die afschuwelijk vals De Marseillaise blies. Het was Quatorze Juillet en stralend weer! Rond het middaguur kwamen we aan in een snikheet Parijs, in het Maison Internationale des Jeunes, een sleep-in avant la lettre in de Rue Victor Masse nabij Pigalle.
Het ging bijna fout. We hadden dorst en dronken ieder een liter cider, in de veronderstelling dat het appelsap was. Toen we tegen zevenen uit onze roes wakker schrokken, was het hoog tijd om een goeie stek te zoeken. De metro bracht ons naar de Place Saint-Michel, waar een menigte mensen van de rechter- naar de linkeroever dromde. Tegen een brugpijler vonden we een afgeschermd plaatsje, we pakten onze instrumenten uit, zetten de geopende gitaarkoffer aan onze voeten, stemden en begonnen te swingen. Het resultaat verbijsterde ons. Binnen de kortste keren waren we omringd door een haag van mensen en regende het munten en biljetten in de gitaarkoffer.
Toen de menigte wat dunner werd, trokken we verder over de Boulevard Saint-Michel. Waar het publiek ging, gingen wij: tegen de hekken van het Luxembourg, op Montparnasse en veel later, toen de spoeling daar dun werd, naar het hart van Saint- Germain voor het terras van de Rhumerie. Daar ging het feest - en de geldregen - nog tot een uur of vijf ’s morgens door. De eerste metro bracht ons terug naar Pigalle, waar we alvorens in te slapen het opgehaalde geld telden. We hadden die nacht - ongelooflijk maar waar - omgerekend ruim vijfhonderd toenmalige guldens opgehaald. Een vermogen.
De volgende dag verkasten we naar een hotel in de Rue Monsieur le Prince. Op straat spelen mocht niet en dus gingen we op zoek naar de jazz-scene van die dagen, die nog geheel geent was op oude stijl en swing. Het hart van de Parijse jazz lag net buiten Saint-Germain in de Rue de la Huchette, een straatje tussen de Place Saint-Michel en de Rue Saint-Jacques, parallel aan de Seine, in de slagschaduw van de Notre Dame. Als je het straatje binnenliep, had je vrijwel direct aan je rechterhand de fameuze jazzbar de Storyville, waar je bij een glas wijn een 78-toerenplaat naar keuze kon bestellen. Op het gebied van oude jazz hadden ze er werkelijk alles en als je bijvoorbeeld de Wolverine Blues van klarinettist Albert Nicholas in duet met drummer Baby Dodds (uit 1930) bestelde, een plaat die ik thuis zelf bezat, kreeg je die te horen op hetzelfde moment dat je glas gros bleu voor je werd neergezet.
Iets verder, ook aan de rechterkant, waren twee kelders waarin de orkesten van Claude Luter en Andre Reweliotty elkaar beconcurrereerden, vaak als begeleiders van de vermaarde Sidney Bechet op sopraansax. Eerder had daar ook het orkest van Claude Abady gespeeld, met de legendarische Boris Vian op trompinette (cornet a piston), maar Boris mocht niet meer spelen - medisch voorschrift, vanwege een aangeboren hartkwaal.
Die twee jazzkelders waren voor ons het Walhalla. We durfden zelfs niet te vragen of we mee mochten spelen. Maar geen nood, net om de hoek, in de Rue Saint-Jacques was een eenvoudiger jazzcafe waar een jazzband van arbeidersjongens uit Aubervilliers, een noordelijke wijk van Parijs, het publiek vermaakte. We jamden een paar avonden met dat orkest mee, toen werd de klarinettist ziek en werd ik gevraagd hem te vervangen - tegen betaling! Een buitenkansje dat ons verblijf in Parijs weer met zo'n twee weken rekte.
Toen, op een avond, kwam er een ‘oude’ grijze neger (hij moet toen 52 geweest zijn) binnen met een klarinet-etui. Hij vroeg bescheiden of hij mocht meedoen en de trompettist zei: 'Ja graag.’ We begonnen met Muskrat Ramble en ik werd bijna van het podium geblazen door de gastspeler. Toen ik de bandleider na een moeilijk uurtje vroeg met wie we eigenlijk hadden gespeeld, zei hij: 'Oh, met Albert Nicholas.’
DIE EERSTE WEKEN in Parijs was mijn aandacht minder gericht op het chanson. Ik liep wel langs de cabarets om er naar de namen van de zangers te kijken die aan de gevel werden geafficheerd, maar naar binnen ging ik nog niet. Het systeem schrok me af: de entreeprijs zat in het eerste drankje. Dat kostte dan, omgerekend, zo'n vijftien toenmalige guldens, een afschrikwekkend bedrag. Maar ze waren er al wel: in de Rue Saint-Jacques de befaamde Echelle de Jacob van Madame Suzy Lebrun, waar Jacques Brel in 1955 zou debuteren. Verderop in diezelfde straat Aux Assassins, waar Leo Ferre zich presenteerde op een toneel ter grootte van een groentenkist, en l'Ecluse, op de Seinekade direct om de hoek van de Place Saint-Michel.
Maar verreweg het belangrijkste Parijse cabaret van die tijd was La Rose Rouge in de Rue de Rennes. Het werd geexploiteerd door de gebroeders Pierre en Jacques Prevert en had een bij uitstek literair karakter. Er werd niet alleen gezongen - Francis Lemarque was er huiszanger - maar ook toneelgespeeld in eenakters en sketches van de hand van Jacques Prevert, Raymond Queneau en Boris Vian. Het gezelschap van Yves Robert speelde er de Stijloefeningen van Queneau, het beroemde 'handtheater’ van Yves Joly ging er in premiere en Juliette Greco zong er de gedichten van Prevert (Les feuilles mortes), Queneau (Si tu t'imagines) en Vian (Fais-moi mal, Johnny).
Sartre mocht dan als goeroe bij Les Deux Magots zitten, het artistieke klimaat in het Parijs van toen werd niet bepaald door zijn filosofische of letterkundige werken. De echte smaakmakers waren Jacques Prevert en Boris Vian.
Jacques Prevert (1900-1981) was al voor de oorlog bekend als surrealist en als communistisch theatermaker voor een breed arbeiderspubliek. In de oorlog maakte hij deel uit van het verzet. In 1945 werd zijn eerste bundel gedichten uitgegeven, Paroles, die het levensgevoel van de toenmalige jeugd zo aansprak dat er een miljoen exemplaren van werden verkocht. Waarschijnlijk het wereldrecord voor een poezieoplage. Toen de ex-Hongaar Joseph Kosma een aantal van deze gedichten op muziek zette, werden dat megahits die door iedereen werden gezongen, in de Rose Rouge bij voorbeeld ook door Les Freres Jacques. Daarnaast schreef Prevert gezichtsbepalende filmscenario’s (Les enfants du paradis, Quai des Brumes). Zijn werk sprak veel meer tot de verbeelding van de brede massa dan dat van Sartre en De Beauvoir te zamen.
Boris Vian (1920-1959) was de superbegaafde playboy van die dagen. Hij was begonnen als trompettist, maar daarnaast was hij dichter, romancier, ingenieur-uitvinder, zanger en platenproducer. Zijn romans hadden een sterk surrealistische inslag, maar toen een uitgever hem vroeg of hij, met zijn kennis van de Amerikaanse literatuur, niet een hardboiled story kende die het in vertaling zou doen bij het Franse publiek, kwam hij enkele weken later op de proppen met een boek van Vernon Sullivan, vertaald door Boris Vian: J'irai cracher sur vos tombes ('Op jullie graven zal ik spugen’), een meedogenloos hard verhaal over de Amerikaanse rassenstrijd. Het boek werd goed ontvangen, de critici loofden het talent van de Amerikaan - tot duidelijk werd dat Sullivan en Vian een en dezelfde persoon waren. Critici houden er niet van beetgenomen te worden door een mystificatie, en het schandaal was daar. Overigens liet Vian daarna nog drie andere Vernon Sullivans verschijnen. Vian grossierde trouwens in schandalen. In 1955 trad hij als zanger op in het theatertje Les Trois Baudets, bij Clichy. Hij zong onder andere zijn lied 'Le Deserteur’, maar een opname daarvan werd onmiddellijk getroffen door een radioboycot. Oproepen tot desertie terwijl het Franse leger in Indo- China vocht, dat streek heel conservatief Frankrijk tegen de haren in. Het lied richtte zich bovendien rechtstreeks tot de president: 'Monsieur le Prsident…’ Toen Mouloudji het nummer wat later opnam, veranderde hij om risico te vermijden de eerste regel in 'Monsieur qu'on nomme grand…’ ('Meneer, die een groot man genoemd wordt’), maar het mocht niet baten.
En passant vond Vian ook nog even het profiel voor een nieuwe regenband voor de grootste Franse bandenfabriek uit, maar zijn laatste levensjaren bracht hij door als artistiek directeur van Philips Parijs. In die functie heeft hij zelfs nog eens de artistieke leiding gehad over een plaat met de Nederlandse Corry Brokken! Hij stierf in het harnas, tijdens de premiere van de film die naar 'Op uw graven zal ik spugen’ was gemaakt.
DE NEDERLANDSE beeldende kunstenaars woonden bij elkaar in een oude leerfabriek in de Rue Santeuil. Hoewel het leerlooien daar terzijde van Montparnasse al jaren was gestopt, stonk het er nog altijd naar. De grote fabrieksruimte was met dunne boardplaten in ateliers verdeeld. Karel Appel zat er, Corneille ook, maar die heb ik er niet gezien. Ik ging er op bezoek bij de Haagse keramiste Lotty van der Gaag voor wie ik in de Amsterdamse galerie Le Canard een tentoonstelling had ingericht. Ze maakte allerlei trollen en kobolden van terracotta, maar aangezien ze die geen namen gaf, was het maken van een catalogus wat moeilijk. In de tijd vlak voor ik naar Parijs vertrok had ik daarom een middag lang samen met Bert Schierbeek namen lopen verzinnen voor Lotty’s surrealistische kabouters. Reden genoeg om haar op te zoeken en mijn nieuwsgierigheid naar de huisvesting van de Nederlandse schilderskolonie te bevredigen. De leden van die kolonie waren op het heilige aperitiefuur trouwens altijd te vinden op het terras van cafe Select aan de Boulevard Montparnasse, waar meer Nederlands dan Frans werd gesproken. Wij speelden daar in een hoekje, dat mocht van de patron, maar geld ophalen was er niet bij. Tegen zevenen schoot Simon Vinkenoog, die iets bij de Unesco deed, er altijd met zijn scooter het trottoir op. Een dichter die een scooter bezat, dat was wat in die tijd.
DE RECHTEROEVER van de Seine komt in dit verhaal niet voor. Die bestond eenvoudig niet voor de artistieke meute van die tijd. De rechteroever was burgerlijk, poenig en al te ordelijk. Een uitzondering werd alleen ’s nachts gemaakt, wanneer je uiensoep ging eten bij een van de nachtcafes in de Hallen, de 'buik van Parijs’.
Toen ons geld opraakte, in de tweede helft van augustus, deden we niet het meest voor de hand liggende - dat zou terugliften naar Amsterdam zijn geweest. Wij trokken de andere kant op, richting Provence, waar je in Saint-Tropez een Saint-Germain in het klein vond, maar dan meer dat van de filmers en acteurs. We verdienden er ons stokbrood en nog wat meer, door in restaurants te spelen: maaltijd van de zaak en geld ophalen bij de gasten.
Saint-Germain-des-Pres is er nog altijd. En tot op zekere hoogte is het ook nog altijd het 'dorp’ binnen Parijs. Maar zoals Guy Beart, die in die jaren debuteerde, ooit zong: 'Il n'y a plus d'apres Saint-Germain- des-Pres… il n'y a qu'autrefois.’ Er bestaat geen later op Saint-Germain-des-Pres… Er is alleen maar vroeger.