Er is alleen verlies te winnen

Wat we vaak vergeten wanneer we lezen: we lezen onszelf. Poëzie, maar ook proza, wordt door de meesten van ons nog steeds gelezen als ging het enkel om de emoties en gedachten van de schrijver of dichter. Kloos: het gedicht is de haarfijn-precieze weergave van wat in het innerlijk van de dichter leeft. Dat mag zo zijn, het mag zijn wat de dichter misschien al schrijvend probeert te bereiken, maar voor de lezer is een gedicht een merkwaardig geslepen spiegel die hem in de allereerste plaats iets van zichzelf laat zien. In het beste geval: iets wat hij nog niet kent, maar desalniettemin wel herkent.

Het is wat Kopland ‘herinneringen aan het onbekende’ noemt - een formulering die suggereert dat het daarbij gaat om iets wat we verloren hebben, om iets weemoedigs bijna. Maar ook de als 'weemoedig’ te boek staande Kopland heeft daarbij toch vooral de schok op het oog, die het herkennen van het onbekende als iets zeer eigens in ons teweegbrengt. 'In de deur staat/ groot en heftig je andere kant/ te grijnzen, met in zijn achterhoofd/ je eigen, dwaze lach’, schreef Stefan Hertmans hierover ooit in een gedicht.
'Wij willen wat we kennen tot bestaan./ Herhaling: de illusie van essentie’, schrijft Esther Jansma in het gedicht 'Bericht uit de nachtstad’ uit haar nieuwste bundel Hier is de tijd. Op het eerste gezicht lijken deze regels misschien het tegenovergestelde te zijn van wat ik zojuist beweerde, maar wie het gedicht in zijn geheel leest, begrijpt dat juist deze stellige uitspraak je een spiegel voorhoudt. 'Bericht uit de nachtstad’ is een gedicht waarin dat wat men kent alleen maar afgrijzen wekt, zodat de wil om het gekende tot de essentie van het bestaan te maken, dat bestaan zelf hier transformeert in iets wat niemand zich zou wensen.
In het gedicht houdt een grotendeels impliciete ik een expliciet aangesproken jij voor: 'We hebben geen getuigen meer’ - en dat roept het beeld op van iemand die alleen met zijn spiegelbeeld is, die zichzelf toespreekt in een andere persoon. 'We zoeken antwoord// op blinde muren, in resten van woorden,/ graffiti, overgespoten, onleesbaar’, zo staat er, en we bevinden ons in wat een kort en klein geslagen huis lijkt te zijn: 'Er waren/ zalen met gebroken ramen, zonlicht dreef// in plassen glas op de vloer, de dag/ deed pijn van groen en geel, bloemen en gras/ en zo blijft het: het is lente en je vuist/ blijft door het raam heen slaan, de vaas// blijft vallen in de tuin en wind en buiten/ blijven waaien om het kind dat op de vloer zit,/ met ijs speelt’. Het is een huis in de nachtstad, met zijn 'vuile ingewanden waar/ het geluid van sirenes nooit ophoudt/ omdat er altijd wel iemand kapot valt’.
Hier zit iemand met zijn gezicht naar de muur waaruit hij bloedt, zoals Faverey het ooit zo mooi omschreef, iemand die geconfronteerd met een alles-verwoestend verlies zijn 'afgrijzen ordent tot plooien/ rond de onleesbare brief van je mond’, zoals Jansma het niet minder pregnant verwoordt. Zo gaat dat bij elk werkelijk verlies, bij elke absolute gebeurtenis, waarvan het belangrijkste kenmerk de onomkeerbaarheid is. 'Zo blijft het’, weet je, dit is voortaan altijd zo, en wie het in en voor en tegen zichzelf blijft herhalen, verdicht het tot een zelfdestructieve essentie, slaat zich met stomheid, vernietigt zichzelf, brengt zich om. Dat is wat de spiegel je toont in die van afgrijzen vertrokken, zwijgende mond, wat dit gedicht je als je eigen spiegelbeeld teruggeeft.
Maar 'ik in mijn hand, mijn hand/ in mij, ik in het nu,/ nu in vandaag’, heet het in een ander gedicht uit de bundel, en dat is de tegenbeweging die het leven zelf maakt, blíjft maken, bij alle verlies en haast ondanks onszelf. Het leven gaat door, zo luidt het cliché, men moet, en wat meer is: iets in ons wíl ook verder. Daarom houdt de ik in 'Bericht uit de nachtstad’ de jij deze constante verandering van verleden in heden voor, van herinnering in aanwezigheid. 'Er zijn geen represailles wanneer je zwart/ hernoemt tot licht’, zegt die ik, 'scherven tot deken,/ het verleden tot hand die je opvangt,/ geopend, moeiteloos’. En aan het slot: 'Kijk dan,/ ik stap uit je mantel van steen, ik stuur me/ de brief van je mond toe, geopend’.
Zo wordt het gedicht zelf als het ware een bewijs van de transformatie van stomheid in spreken, van dood in leven, van een onomkeerbare gebeurtenis die ons verstart in een voortzetting van de tijd, in beweging. En het is wat Jansma in vrijwel alle gedichten uit deze bundel doet. De gedichten zijn bewegingen, metamorfosen, die ons al lezend zowel de onvermijdelijkheid van ons eigen verlies in vaak heftige, maar altijd rake beelden laten ervaren, als de continue verandering van onszelf in het hier en nu. Beter nog: die verandering ís verlies, maar tevens het enige dat we te winnen hebben.
Je hoeft de gedichten alleen maar te lezen om dit te ervaren. Ze bestaan uit zinnen waarin het ene woord het andere uithaalt, waarin door associaties de betekenissen vanzelf veranderen, moeiteloos bijna. 'Sneeuw is het vellen en vallen van reuzen./ Vellen trommelvliezen, bomen die schreeuwen’, luiden de eerste regels van het lange openingsgedicht 'Behouden Huys’. Het zijn regels waarin heel veel gebeurt, en dat gaat het hele gedicht zo door. De woorden haken als lussen in elkaar en laten zo op miraculeuze wijze Willem Barentsz ontsnappen aan datgene waaraan hij (ook hier) toch niet ontsnapt. Waaraan ik al lezend ontsnap - en niet.
Hier is de tijd is een bundel waarin het memento mori en het memento vivere twee kanten van dezelfde zaak zijn. 'Doorbloed het wit/ met woorden’ heet het ergens zowel warmbloedig als haast bloeddorstig, en niet zelden zit je als lezer boven de woorden waaruit je bloedt. Men verliest een zoontje dat men niet heeft, maar al lezend toch verliest omdat het ons eigen werd gemaakt, en na het lezen van een in-memoriamgedicht voor Herman de Coninck, aan wie de titel van deze bundel werd ontleend, ervaart men zichzelf, alweer tot zijn afgrijzen, opeens als een plek. 'De dood maakt van mensen een plek’, zo opent dat gedicht, en het eindigt met: 'wat een plek maakt, weet die plek niet’ - en dat is opnieuw zo'n formulering die een schok teweegbrengt, omdat men zich herkent als wat men niet kent, wat men alleen maar voortdurend wordt, 'van seconde tot later’, om nog eens een andere dichter te citeren. Dit gedicht gaat dan ook niet over Herman de Coninck; het gaat over mij, ons, u - ja, en natuurlijk ook over Esther ansma.