Interview Agnes van Ardenne

«Er is een sterke binding tussen Europa en Afrika»

Het werven van ziekenhuispersoneel in de Derde Wereld vindt staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Agnes van Ardenne onacceptabel. Als ze in het volgende kabinet terug is — als minister — dan moet daar over gediscussieerd worden. «Je moet je afvragen of onze nood wel zo hoog is.»

De staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking wil na de verkiezingen van 22 januari zó graag minister voor Ontwikkelingssamenwerking worden, dat ze er in de Tweede Kamer vorige week alvast kabinetsbeleid van maakte. Tijdens de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken zei de CDA-bewindsvrouw aanvankelijk «namens het kabinet» te spreken toen ze aangaf dat haar functie «door het belang ervan en voor de geloofwaardigheid van Nederland als belangrijke donor, evenals voorheen het best door een minister kan worden opgepakt». En dat terwijl in juli dit jaar door de onderhandelaars van CDA, VVD en LPF juist was overeengekomen weliswaar het percentage voor ontwikkelingssamenwerking op 0,8 van het Bruto Nationaal Product te laten staan, maar VVD en LPF tevreden te stellen en van ontwikkelingssamenwerking een staatssecretariaat te maken. «Zo hoor je nog eens wat!» reageerde VVD-kamerlid Erica Terpstra tijdens het debat over de begroting verrast.

Opmerkelijk was de ontboezeming van de staatssecretaris niet. Al sinds de val van het kabinet-Balkenende laat Agnes van Ardenne-van der Hoeven geen gelegenheid onbenut om te pleiten voor de herwaardering van ontwikkelingssamenwerking. Vooral in haar eigen CDA was de kritiek niet mals toen bij de formatie het ministerschap eraan moest geloven. Alleen Van Ardenne zelf was toen nog tamelijk mild. Ze verwachtte dat de devaluering van het ambt niet direct problemen zou geven. Het percentage van het BNP bleef immers op 0,8 staan en in het buitenland, waar het eigenlijke werkterrein van de staatssecretaris ligt, mocht ze zich minister noemen.

Maar zo simpel was het niet. «Op mijn visitekaartje staat minister, maar in het buitenland zijn ze heus niet gek», glimlacht Van Ardenne, zittend aan de grote vergadertafel in haar werkkamer op het departement van Buitenlandse Zaken. «Met meer dan gemiddelde belangstelling houdt de wereld ons sinds Pim Fortuyn in de gaten. Nederland was voorloper in stabiliteit en voorspelbaarheid en is dat nu niet meer. Dan ziet men ook dat we in het buitenlands beleid niet meer zo voluit gaan als in het verleden. Ik ben veel in het buitenland en daar moet ik het met dialoog en onderhandelingen winnen. Niemand heeft het erover, maar mijn gevoel is dat men het wel in de gaten heeft dat ik in Nederland geen minister ben. Natuurlijk mag ik nog net zo goed als eerste spreken op een topontmoeting, maar ik voel me er toch niet gemakkelijk bij. Het is ook een beetje gek, een beetje Nederlands: we weten allemaal dat het beter is als deze functie gewoon door een minister wordt bekleed, anders zouden we deze constructie niet hebben.»

Bij de volgende formatie moet het dus anders. Van Ardenne noemt dat een «harde eis» van het CDA: «De VVD zal meer flexibel moeten zijn. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking moet terug. Niet alleen in het buitenland, ook in het binnenland. Ik dacht aanvankelijk: het is niet zo’n probleem, dat staatssecretariaat. Maar als je maar eens in de zoveel tijd in de ministerraad mag komen als je een punt hebt, dan zeggen ze: daar heb je haar weer, ze komt zeker weer met moeilijke dingen. Het is altijd veel beter als je in een club constant deel bent van het gezelschap en dan van tijd tot tijd ook eens een punt kunt inbrengen dat alleen zijdelings voor jouw portefeuille van belang is. Nu ben ik alleen maar welkom als ik expliciet voor mijn eigen portefeuille kom. Dat is niet goed. Het lijkt mij dat het een weeffout is geweest die in het nieuwe regeerakkoord hersteld moet worden.»

Regeringspartner VVD volhardt echter in het staatssecretariaat en zou bovendien graag het percentage van het BNP met een tiende terugbrengen naar 0,7, de in internationaal verband afgesproken norm die maar door enkele landen wordt gehaald. Het geld is, aldus lijsttrekker Zalm, hard nodig voor de Nederlandse veiligheid. Onbespreekbaar, zegt Van Ardenne, die zoiets in haar tijd als kamerlid «vervuiling» van het ontwikkelingsbudget noemde. Ze vindt het daarbij «diep treurig» dat de link tussen binnenlandse veiligheid en armoedebestrijding in het buitenland niet wordt gelegd. «Alles wat je aan interne veiligheid wil doen, aan sociale cohesie, aan begrip voor elkaar, aan tolerantie, heeft te maken met een bijdrage aan de externe veiligheid.» Ze vindt het een taak van het hele kabinet, dus ook van het VVD-smaldeel, dat verband te blijven zien.

Hoewel al met al de VVD voor het specifieke terrein van ontwikkelingssamenwerking niet de meest ideale regeringspartner is, opteert Van Ardenne voor voortzetting van de samenwerking met de liberalen in een volgend kabinet-Balkenende: «Tot nu toe is inhoudelijk goed samen te werken met de VVD. Als het gaat om het vergroten van de markttoegang voor arme landen door het wegnemen van handelsverstorende subsidies, dan vinden we elkaar wél. Van een minister uit Benin hoorde ik laatst dat de Europese Unie ter bescherming van de markt zelfs een standaard heeft voor de omvang van een ananas. Dat soort zaken, daar moet een eind aan komen. Voor het CDA is dit met de grote boerenachterban niet altijd een gemakkelijk thema, maar met de VVD-collega’s op Financiën en Europese Zaken, gaat dit goed.

Wat bovendien plezierig is: de VVD beweegt. Dat is een voordeel bij onderhandelingen. Ze zijn een beetje in chaos, dat ook, maar men is in voor verandering. Ze zitten in de situatie waarin het CDA acht jaar geleden zat. We bedreven politiek op de traditionele toer en ook qua inhoud kwamen we niet aan vernieuwing toe. Maar door het verlies van 1994 zijn we gedwongen dat wél te doen en dat is winst. De VVD zit nu ook op dat punt. De Partij van de Arbeid moet hier nog aan beginnen. Ik heb dus een duidelijke voorkeur voor het continueren van de samenwerking met de VVD. Wat dat percentage en het ministerschap betreft, is het een kwestie van onderhandelen. Ik ga ervan uit dat onze minister-president luistert naar onze partij en onze partij is eenduidig: ontwikkelingssamenwerking moet hersteld worden als ministerschap.»

De discussie over het ministerschap ten spijt, in de verkiezingscampagnes is buitenlands beleid maar van zeer gering belang. Het gaat om veiligheid, om integratie. Om vluchtelingen ook. «Het verband tussen migratie en ontwikkelingssamenwerking wordt maar weinig gelegd», constateert Van Ardenne. Voor een deel heeft dat te maken met onwetendheid. «Nederlanders weten niet waar ze het over hebben als ze klagen over de vluchtelingenproblematiek. In Afrika, dáár weten ze pas wat vluchtelingenstromen zijn. Drie miljoen mensen staan nu op het punt te vertrekken vanuit Ivoorkust naar Burkina Faso. Dat geeft een geweldige verstoring voor de betalingsbalans, voor de sociale structuur. We hebben op de wereld ruim twintig miljoen vluchtelingen en daarnaast zijn er nog eens zo’n twintig tot 25 miljoen ontheemden, waarvan ruim de helft in Afrika. Dat zijn aantallen, daar tipt de Europese Unie bij lange na niet aan. Daar hebben Nederlanders werkelijk geen enkel idee van. De discussie die hier wordt gevoerd, is verkeerd. Je moet kijken wat je kunt doen om te voorkomen dat mensen op de vlucht raken, in plaats van je te concentreren op wat mensen stromen asielzoekers in eigen land noemen.»

Nout Wellink, president van De Nederlandsche Bank en partijgenoot van Van Ardenne, blies onlangs het debat over moderne gastarbeid nieuw leven in. Werknemers uit het buitenland zullen voor de Nederlandse economie hard nodig zijn, zei Wellink, een gericht immigratiebeleid is vereist. Van Ardenne is het ten dele met hem eens. «We hebben mensen nodig», zegt ze. «In Nederland is het een taboe hierover te spreken. Maar als voormalig land- en tuinbouwwoordvoerder is mij het fenomeen seizoens arbeid bijvoorbeeld niet vreemd. We hebben veel illegalen en bijna allemaal hebben ze een baan. Er is dus voldoende werk. Maar het blijft een duivels dilemma. Groot-Brittannië be noemt bij het aantal gequoteerde vluchtelingen op voorhand wat men nodig heeft: ingenieurs, artsen. Nederland heeft dat nooit gedaan. Dus krijgen wij altijd mensen die we van begin af aan moeten opleiden. Daarover moet gesproken worden. In Nederland is dat nooit serieus gebeurd, maar in de volgende kabinetsperiode zou dat wat mij betreft kunnen beginnen.»

Verscheidene grote ziekenhuizen hebben hier de afgelopen jaren alvast een voorschot op genomen en artsen en verpleegkundigen gerekruteerd in het buitenland, vooral in Zuid-Afrika. Tot groot ongenoegen van de Zuid-Afrikaanse regering, die zelf ook bleek te kampen met een tekort aan gekwalificeerd personeel in de zorg. «Allicht dat Zuid-Afrika geklaagd heeft. Wij moeten dit niet doen. Dit soort braindrain kan domweg niet», betoogt Van Ardenne, opeens nogal fel. «Als wij kijken naar de omstandigheden in de landen daar en de nood hier, dan moet je je afvragen of onze nood wel zo hoog is. In het uiterste geval kijk je naar een vorm van wederkerigheid, waarbij een deel van onze kennis teruggaat naar het land waar de arbeidskracht vandaan komt. Je zou voor iedere verpleegkundige die je hierheen haalt er daar één kunnen opleiden. Op kosten van het Nederlandse ziekenhuis uiteraard. Wilt u een verpleegkundige uit het buitenland? Dan kost u dat het dubbele bedrag: hier eentje naartoe en eentje opleiden in Afrika. Alleen als je die wederkerigheid inbouwt, vind ik het maatschappelijk verantwoord ondernemen.»

Een globaliserende wereld heeft nu eenmaal zo zijn nadelen, erkent Van Ardenne: mensen reizen rond en strijken neer op de plek waar ze het best hun geld kunnen verdienen, ook hoogopgeleiden uit de Derde Wereld. Van Ardenne: «Tenzij je een financiële stimulans kunt bieden. We zijn nu bezig gekwalificeerde Afghanen terug te brengen naar Kaboel en in te zetten voor de wederopbouw. Zij krijgen een toeslag op hun salarissen. Dat is de enige manier om ze terug te krijgen. Ik zie geen andere mogelijkheid.»

Als lid van de Tweede Kamer vocht Agnes van Ardenne menig gevecht uit met haar voorgangster, minister Herfkens (PvdA), die de aanvallen van haar tegenstreefster «losse flodders uit de heup» placht te noemen. De ruzies liepen eens zo hoog op dat kamervoorzitter Weisglas duidelijk hoorbaar verzuchtte: «Ik-word-hier-gek-van.»

Nu zit ze zelf aan de knoppen, maar een scherpe koerswijziging is vooralsnog uitgebleven. Samen met minister Jaap de Hoop Scheffer zegt ze een meer integraal buitenlands beleid na te streven, een nog grotere nadruk op Afrika te willen leggen en in de contacten met arme landen het bedrijfsleven een grotere rol te willen geven. Het zo veel besproken landenbeleid blijft voorlopig ongewijzigd. Nederland moet immers een betrouwbare partner blijven, zegt de staatssecretaris: «Als we drie jaar geleden het hele landenbeleid op de schop hebben gegooid, dan vind ik het wel heel erg snel om bij het aantreden dat meteen te veranderen.» Begin volgend jaar wordt een evaluatie van het landenbeleid verwacht.

De door het kamerlid Van Ardenne zo verfoeide selectiecriteria voor de landenlijst van Herfkens staan eveneens nog overeind. Ook de weinig haalbare eis dat landen waar Nederland een bilaterale relatie mee onderhoudt «goed bestuur» moeten hebben. Van Ardenne: «Kritiek op de criteria heb ik nog steeds. Er is te veel corruptie in Vietnam, en in Oeganda kun je ook nog niet spreken van goed bestuur. Maar Herfkens was te rigide in haar beoordeling. Zelf heb ik de neiging het om te draaien: je zou landen moeten kiezen waar je kansen ziet om het bestuur te verbeteren, om beter bestuur te bereiken. Dat is een heel andere invalshoek dan de Wereldbank en nogal wat donoren kiezen. Zij willen alleen maar in zee met goed bestuurde landen, maar dat betekent dat er een heleboel landen buiten de boot vallen.»

In Afrika bijvoorbeeld, het continent dat als het koppel Van Ardenne-De Hoop Scheffer na de verkiezingen op Buitenlandse Zaken blijft, nog meer dan het al was speerpunt van het beleid moet worden. De historicus Roel van der Veen, die vorige maand het kloeke overzichtswerk Afrika: van de koude oorlog naar de 21e eeuw (KIT publishers) het licht deed zien, is buitengewoon kritisch over het effect dat hulp aan Afrika de laatste vijftig jaar heeft gesorteerd. Van der Veen schreef het boek weliswaar op persoonlijke titel, maar is in het dagelijks leven beleidsambtenaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Koren op de molen van het VVD-kamerlid Terpstra, dat het boek in televisieprogramma Buitenhof gebruikte om het zwaardere accent van de staatssecretaris op Afrika aan te vechten.

«Ik zie ook dat veel geld op verkeerde plaatsen terecht is gekomen in de verkeerde zakken», zegt Van Ardenne. «Dat had vanzelfsprekend nooit mogen gebeuren. Maar ik denk dat we daar lessen uit moeten trekken en op een andere manier het ontwikkelingsbeleid moeten inrichten, met nóg betere controles, nóg betere afspraken. Kort geleden heb ik in Soedan gesproken met de partijen die betrokken zijn bij het vredesakkoord. Nederland staat bekend als een vrijgevige, rijke donor, dus dachten ze meteen dat ik met hulp kwam. Wij hadden deze keer een andere boodschap: eerst aan de onderhandelingstafel en een programma maken voor de eerste honderd dagen na het akkoord. Daar keken ze even van op, maar ze zijn er nu toch hard mee aan het werk.

Europa en Afrika zijn eigenlijk net als Noord- en Zuid-Amerika: ze horen bij elkaar. Dat zei althans een Afrikaanse minister vorige week. Ik vind dat bijzonder. En hij heeft gelijk: er ís een sterke binding tussen Europa en Afrika. Voor een deel natuurlijk door de Franse en Britse koloniale banden, maar ook wij dragen ons steentje bij. Nederland is in Afrika een land uit onverdachte hoek, neutraal, altijd in voor het bevorderen van stabiliteit en welvaart, zonder dat we daar echt iets voor willen terug hebben.

Ik denk werkelijk dat het in Afrika juist nu kan gebeuren. Ze zijn bezig hun eigen geschiedenis te schrijven, de Afrikanen. Een plan als Nepad, een omvangrijk voorstel voor de ontwikkeling van Afrika, is niet door het Westen bedacht, maar opgesteld door een aantal Afrikaanse landen zelf. Dit zelfbewustzijn onder Afrikanen zie je overal sterker worden. We discussiëren op de grote conferenties inmiddels op niveau van gelijken met elkaar. Dan worden wij ook aangesproken op dingen die we niet zo leuk vinden. ‹Waarom komen mensen bij jullie niet naar de stembus?› wil men dan weten. Of: ‹Waarom haalt bij jullie een politieke partij nooit de absolute meerderheid?›»