Er is een vrouw

De Hongaarse schrijver Péter Esterházy (Boedapest, 1950) houdt niet van geijkte literaire vormen. Werp een blik in zijn roman De hulpwerkwoorden van het hart, in 1991 in het Nederlands vertaald, en je oog valt onmiddellijk op de ongebruikelijk opmaak van de pagina’s. Je ziet niet alleen in kapitaal gezette citaten uit de wereldliteratuur als een soort ondertiteling onder aan de bladzijde staan; de pagina’s zijn ook met een zwarte rouwrand omkaderd. Die rouwrand rijmt op de inhoud van het boek: Péter Esterházy vertelt erin over de dood van een moeder, zijn eigen moeder. Nu ja, vertellen over is het woord niet.

De roman heeft ook nog een inleiding die begint met de constatering dat het enige wat ontbreekt aan de verhalen van tegenwoordig een inleiding is. Vandaar dat dit boek wél een inleiding heeft. Daarin staat een wat duistere alinea die zich als het programma van Esterházy laat lezen: ‘Ik gebruik de taal niet, het is niet zo dat ik inzicht wil verwerven, laat staan dat ik dat aan U wil openbaren. Ook komt het zelfs niet in mijn hoofd op de wereld te benoemen, dus ik benoem helemaal niets, want iets benoemen betekent zoveel als het steeds weer opofferen van een naam aan de zaak die erdoor wordt aangeduid…’
Die alinea drukt uit dat Esterházy niet over iets schrijft, hij gebruikt de taal niet als een vanzelfsprekend werktuig om de dingen een naam te geven, om, zeg, een psychologische uiteenzetting te geven over wat verlies en rouw zijn. Hij is, schrijft hij iets later, een 'herinnerings- en uitdrukkingsmachine’. De taal is overal om hem heen, is in hem, en hij is een soort doorgeefluik. Om op Wittgenstein te variëren: hij spreekt omdat hij niet kan zwijgen.
In zijn nieuwste boek, Een vrouw, stroomt de taal ook zonder dat een verhaal wordt verteld. Ook in dit boek hoef je maar te neuzen om te zien dat de vorm ongebruikelijk is. Het bestaat uit 97 korte hoofdstukken die allemaal 'Een vrouw’ zijn getiteld, gevolgd door het nummer van het hoofdstuk. Al die hoofdstukken beginnen hetzelfde: 'Er is een vrouw’. Afwisselend is het 'een vrouw, die mij liefheeft’ en 'een vrouw, die mij haat’. Met die zinnetjes varieert Esterházy eindeloos: 'Er is een vrouw, die mij haat, die mij liefheeft, die van mij gehouden heeft, een hele middag lang’; 'Er is een vrouw, die met mij hetzelfde heeft als ik met haar: ze haat me en ze heeft me lief’; 'Er is een vrouw, die kennelijk van me houdt, maar misschien was het wel beter als ze me haatte, want haat bindt sterker dan liefde.’ Op het laatst is het zinnetje zo vaak herhaald dat het simpel kan worden afgekort: 'Er is een vrouw, d.m.l.’ of ’d.m.h.’
e kunt van alles over die taalstroom in Een vrouw bedenken. Je kunt de verschillende hoofdstukken een ode noemen aan de vele gedaanten die een vrouw kan aannemen. Je kunt zeggen dat ze één grote liefdesverklaring zijn aan één speciefieke vrouw en dat de liefde maakt dat je veel facetten van iemand ziet. Je kunt het boek een encyclopedie over verliefdheid noemen. Dat is allemaal waar. Alleen klinkt het nog te veel alsof Een vrouw óver iets gaat.