Yvonne Dröge Wendel en het organiseren van kwetsbaarheid

Er is geen B

Op speelse en filosofische manier onderzoekt kunstenaar Yvonne Dröge Wendel de relatie tussen mensen en dingen. Wij bestaan niet zonder voorwerpen, maar hoe bepalen ze ons bestaan? En hoe komen ze tot stand?

Medium 28014447963 be09d70f74 o

Yvonne Dröge (Karlsruhe, 1961) trouwde in 1992 met een kastje, vervaardigd door de firma Wendel, dat op de slaapkamer van haar moeder had gestaan. De joodse familie van haar moeder was in de Tweede Wereldoorlog alles kwijtgeraakt. Na de oorlog werden ze gecompenseerd, en haar moeder kocht onmiddellijk nieuwe spullen, vazen, schilderijen, klokken, serviezen, een hele verzameling. Ze boden haar moeder houvast en bij extensie de kleine Yvonne ook. Haar vader was telg van een Winschoter textielfamilie. Hij werd in de oorlog krijgsgevangen; het gezin woonde later her en der in Duitsland en Zwitserland, zonder ooit te aarden. Duits werden ze nooit.

Medium 5.black ball istanbul

Als ze verhuisden, dan verhuisden de spullen mee. Spullen, dat is wie je bent, leerde Yvonne. Ze bepaalden het leven in het gezin. De keuze voor een nieuw huis werd bepaald door de vraag of de spullen erin pasten. ‘De spullen’, zo zei Dröge Wendel in 2008 in een interview met Louise Schouwenberg, ‘waren de auteurs van ons leven.’ Toen ze zich jaren later in Amsterdam vestigde kwam ze in kraakpand Tetterode terecht. Haar moeder schonk haar meubels uit de eigen collectie, maar eigenlijk waren ze te mooi voor de onbestendige rommel waarin Yvonne woonde. Ze besloot de relatie met haar moeders spullen te beperken tot dat ene dierbare kastje. Ze trouwde ermee. Ze ging ermee op huwelijksreis. Ze nam de naam ‘Wendel’ aan, tot op de dag van vandaag: Yvonne Dröge Wendel.

Als u denkt: trouwen met het meubilair, malligheid, dan zeg ik: wel, als je je jachtgeweer laat zegenen door de pastoor of je auto door de paus, als je je oude hockeystick bewaart terwijl je allang geen bal meer slaat, of dat ene papbordje van het Nutricia-ontbijtservies waarvan de rest allang gesneuveld is en dat terwijl je eigenlijk nooit pap eet, waarom zou je dan niet met een kastje kunnen trouwen? Het is een kwestie van ritueel, van emotie, herinnering, gedeelde geschiedenis. Wij hebben dat met ‘dingen’, nietwaar? Dröge Wendel zegt: ‘We bezitten spullen, we vermeerderen ons bezit, en tegelijkertijd hebben de dingen geen waarde voor ons. We gooien ze gemakkelijk weg, omdat we er geen bijzondere relatie mee aangaan. De dingen hebben karakter, gevoelens, we koesteren ze, we aanbidden ze, maar hoe ze ons leven precies beïnvloeden, dat weten wij eigenlijk niet. Daar hebben wij eigenlijk nog geen taal voor.’

Om te voldoen aan een laatste wens van haar moeder ging Dröge Wendel studeren aan de universiteit van Münster, Engels. Ze kon er promoveren, maar ze koos voor de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. Die academie bleek uitermate geschikt voor haar. In haar tijd – en eigenlijk is het nog zo – was de Rietveld goed in wat ze er vooral niet doen: geen vast program, geen vaststaande parameters, geen scenario’s schetsen, geen overkoepelende context neerzetten, om zo de mogelijkheid van een onverwachte ontwikkeling open te houden. Dröge Wendel was een weerbare student die opbloeide bij de mogelijkheid haar werk zelf te organiseren en zelf samenwerking te zoeken. Het bepaalt tot de dag van vandaag haar opvattingen over het maken van kunst en over het kunstonderwijs (sinds 2009 is ze zelf hoofddocent aan de Rietveld). Denk niet naar een doel of een product. Denk niet te snel over ‘vorm’ en ‘materiaal’. Denk niet in ‘een traject van A naar B’. Er is geen B.

Dröge Wendel zocht na haar studie graag het collectief. Ze werkte jaren bij Dogtroep, een heerlijk volkje met een eigen denk- en werksysteem, waar ze ad-hoc spektakelstukken bouwde, kostuums maakte, meedeed. Ze belandde in 1987 in Tetterode, een bolwerk van kunstenaars en aanverwanten, een plek waar ze nog altijd woont en die nog altijd in permanente staat van ontwikkeling is, inclusief de woon- en werkruimte waar ze met man en twee kinderen verblijft. Graag verwijst ze naar het grote belang van die collectieve humuslaag, die andere kunstenaars in het pand, haar docenten, het gebouw, de stad. ‘Dit huis heeft mij gemaakt’, zegt ze als ik haar spreek. ‘Je doet niets alleen.’ Amsterdam is haar medeauteur. In Duitsland had ze zich nooit zo ontwikkeld.

Haar kunstenaarschap draait om twee nauw verweven onderwerpen. Eén: hoe gaan wij met de dingen om? Wat betekenen ze, voor ons, voor zichzelf? Twee: hoe komen dingen tot stand? Hoe maak je ze? Hoe werk je samen? Dat kunstenaarschap is zeer breed te noemen. Yvonne Dröge Wendel werkt aan de Universiteit Twente aan een dissertatie over ‘Relational and Performative Abilities of Things’, en ze initieerde een interdisciplinair onderzoeksproject, het Object Research Lab. Verder fabriceert ze installaties en sculpturen, geeft ze les, en reist ze de wereld rond.

Er is een bredere stroom in de filosofie die zich met ‘het ding’ en ‘de dingen’ bezighield en bezighoudt. Heidegger, Latour, Baudrillard, en meer recent de Nederlandse filosoof Peter-Paul Verbeek, hoogleraar filosofie van mens en techniek in Twente, die veel publiceerde over het morele aspect van de relatie tussen mensen, producten en technologie. Het traditionele idee dat voorwerpen passief zijn en alleen de mens handelt (als in: ‘Guns don’t kill people; people kill people’) is achterhaald, nu technologie de menselijke handeling mede vormgeeft, en dus deel wordt van de ethiek van het handelen. Het onderzoek van Verbeek, en in het verlengde dat van Dröge Wendel, analyseert vooral de interactie tussen mens en ding, de performance van het object.

Dröge Wendel meent dat je de dingen om te beginnen domweg serieus moet nemen. Iedereen weet dat voedsel anders smaakt als je met blauwe lepels van een blauw bord eet. Kijk goed naar een kopje, en dan wordt het meer dan een kopje. Je moet weg van de eerste betekenis en de emotie, en vooral kijken naar wat de dingen doen en hoe we met ze willen leven.

Tot wat voor bestaan hebben de voorwerpen ons gevormd? En waarom liggen de vuilnisbelten er vol mee?

Als ze over de rol van de dingen vertelt kan ze behoorlijk vinnig worden. Ze noemt een gesprek met een verstandig gezelschap over ‘de invloed van materiële cultuur’ gehouden in een verschrikkelijke vergaderkamer, een lelijke ruimte met een slechte tafel, geen zuurstof. Ze spreekt smalend over het tijdelijke ateliergebouw van de Rietveld Academie, bedoeld voor de vrije kunsten en de beeldhouwers, maar met een veel te kleine lift, waardoor de kaders van het werk onmiddellijk vaststaan. Ze foetert op het meubilair van Ikea, ‘one night stands’, met alles behalve liefde. Ze zegt dat de inrichting van het Britse House of Commons direct invloed heeft op besluitvorming daar, zittend, staand, stabiel, instabiel. Kortom: dingen hebben een moraal. Ze hebben input.

In de loop van haar werkzame leven heeft ze daar heel goede werken over gemaakt. Het aardigste is misschien wel Black Ball (2000). Ze maakte een grote zwarte bal van vilt, 3,5 meter doorsnee, en liet die in Istanbul, Bolzano en Odense door de stad rollen. Er wordt verder niets gevraagd of gedaan; het publiek duwt het ding weg, gooit het omhoog, en zo gaat het door straten en stegen, pleinen en tuinen. Niemand zegt wat het ís – een sculptuur, een stuk speelgoed, een werktuig? In Rotterdam maakte ze een tentoonstelling over houten stokken, stokken in de kunst, stokken in de archeologie, stokken de antropologie, enzovoort. De installatie Item Store (2008) bestond uit dofgroene vormeloze Barbapapa-achtige voorwerpen, tussen een kegelbal en een zitzak in, maar dan anders, zomaar in de ruimte geplaatst. Net als bij de Zwarte Bal nodigen die dingen uit tot actie. Je kunt ze oprapen. Je kunt ermee gooien. Je kunt erop zitten. Ze schrijven niks voor, ze hebben geen herkenbare functie, ze zijn volgens Dröge Wendel ‘hartelijk en gul’, maar weer niet zó aantrekkelijk dat ze een bepaalde emotionele reactie uitlokken. Ze zijn nét ‘ding’ genoeg om de bezoeker op onderzoek te laten gaan.

Nou èn? zult u misschien denken, maar daar gaat ’t nou net om: dit zijn neutraal ding-achtige dingen, en ze vragen je om alleen te denken over ‘potentie’, niet over vorm, kleur, functie of emotie. Daar moet het onderzoek naar onze relatie met dingen beginnen: zie ze als ontwapend, naakt. Bezin je daarna misschien op hoe je eigenlijk met ‘de dingen’ omgaat, en hoe belangrijk ze voor je zijn, en waarom. Het hoeft geen betoog dat een poging tot fundamentele bezinning op onze relatie met spullen en dingen hoogst actueel is. Die bezinning leidt, bijvoorbeeld, tot een verhoogd gevoel van verantwoordelijkheid in de designwereld voor het effect van ontwerpen om het ontwerpen en produceren om het produceren, al was het maar vanwege het milieu. Wij bestaan niet zonder voorwerpen, maar tot wat voor bestaan hebben die voorwerpen ons gevormd? En waarom liggen de vuilnisbelten er vol mee?

Vraag twee: hoe komen die dingen dan tot stand? Ook hier komt de terughoudende, niet-directieve manier van denken van Dröge Wendel naar voren. Ze bemoeit zich al jaren met het tot stand brengen van samenwerkingen. In 2004 begon ze het project ‘Architecture of Interaction’, een gereedschapskist voor het onderzoek naar interactieve projecten – met wie, hoe, waarom? – die probeert alle parameters en apriori’s uit te bannen. Interdisciplinaire samenwerking over objecten moet vooral gaan over het maakproces, niet het eindproduct. Hier leunt Dröge Wendel graag op Bruno Latour, die het ook graag had over ‘de wetenschap al doende’, niet de ‘wetenschap van het voltooide’. Tijdens het maken zijn makers open voor allerlei onzekerheden en ook wel voor diepere filosofische vragen. Om echt gelijkwaardige collega’s te worden, in zo’n proces, moet je proberen op dat diepere niveau te spreken, te discussiëren, na te denken, vóór dat je je disciplines afbakent en antwoorden gaat formuleren. Dröge Wendel noemt dat het ‘organiseren van kwetsbaarheid’.

Dat is allemaal nog niet zo makkelijk, overigens. Samenwerking is een glad begrip. Veel enthousiaste conferenties over de cross-overs tussen wetenschap en de kunsten bestaan eigenlijk vooral uit het tonen van output: ik heb dit, jij hebt dat, kijk mij eens. Men zit in dezelfde zaal en men luistert met interesse, maar een verbinding is er niet. Dröge Wendel werkt daarom aan een ware denktank, een tank die meedenkt als een mens, een fysieke ruimte die ik – en nu zondig ik tegen het uitgangspunt dat je dingen niet meteen moet benoemen – een beetje op een gestrande onderzeeboot vind lijken. Daarnaast maakte ze een draagbaar interieur, dat op dezelfde manier zou kunnen werken.

Dröge Wendel hoopt dat haar denktank een plek zal zijn waar niemand vaste grond onder de voeten heeft, en elke bezoeker uit zijn comfortzone raakt. Binnen schuilen haar onbestemde dingen, rotsen die zelf bewegen, aan elkaar plakken. Ze zegt: ‘Er is geen plan, en er zijn geen parameters, en dus geen frustratie. Je mag nog geen idee hebben. Het is verboden vooraf een vast idee te vormen.’ Er is geen lineair traject. Er is geen B. Eerst chaos, eerst vervreemding, dan pas innovatie.


Op donderdag 29 september ontvangt Yvonne Dröge Wendel de Dr. A.H. Heinekenprijs voor de Kunst, de grootste beeldende-kunstprijs van Nederland. Meer informatie: knaw.nl/yvonnedrogewendel

YVONNE DRÖGE WENDEL / LUMEN TRAVO GALERIE & JOHAN DEUMENS GALERIE