Interview: Pieter Kuijpers

«Er is geen compassie»

Pieter Kuijpers won een Gouden Kalf met Van God los. Zijn nieuwe film Off Screen is niet alleen een portret van een door geslagen idealist, maar ook een kritiek op een samen leving die zichzelf bang lijkt te praten

Compassie wekken – het blijkt de belangrijkste drijfveer van film regisseur Pieter Kuijpers: «Ik wil dat de kijker meevoelt met personages die op het eerste gezicht ver van hem af staan. Dat hij ervaart dat het gedrag van een gijzelnemer of een bendelid niet zo vreemd is als het lijkt. Ik wil het onbegrijpelijke begrijpelijk maken.»

Kuijpers (36) is een van de interessantste regisseurs van dit moment. De afgelopen jaren maakte hij een drietal door pers en publiek gewaardeerde auteursfilms, waarin hij in een licht gestileerde en op het magisch realisme leunende stijl de blinde vlekken van de welvaartsmaatschappij probeert bloot te leggen. Off Screen, zijn meest recente film, is losjes gebaseerd op het verhaal van John Voerman, de verwarde buschauffeur die begin 2003 de Rembrandttoren in Amsterdam korte tijd in gijzeling hield. Voerman verkeerde in de waan dat de breedbeeldtelevisie van Philips geheime codes uitzond, maar hij bleek zich in het gebouw te hebben vergist. Philips was verhuisd. Voerman pleegde zelfmoord op de wc.

Behalve een hermansiaanse vertelling over een vereenzaamde man die aan zijn eigen idealisme ten onder gaat, is Off Screen vooral een kritiek op de «eten of gegeten worden»-mentaliteit binnen het bedrijfsleven. Wie Kuijpers hoort praten over de meedogenloosheid van de multinationals, de stakingen van het FNV en de schaamteloze reclame in bushokjes kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hij een beetje lijkt op zijn antiheld. Pieter Kuijpers: «Dat gevoel van onmacht, dat je iets wilt veranderen aan de wereld, maar niet weet hoe, is denk ik voor heel veel mensen herkenbaar. Tijdens de promotietour sprak ik veel ouderen. Je merkt dat er bij hen grote teleurstelling heerst. Het geloof is weg, de ideologieën zijn overboord gezet, maar daar kwam niets voor in de plaats. Nu moet je het allemaal kopen. Daardoor lijkt het alsof er vrijheid is, maar die vrijheid is schijn. Het is een zoethoudertje van de mensen die het voor het zeggen hebben.»

Voermans waanbeelden beschouwde hij vooral als een mooie metafoor. Kuijpers: «Het is net een stap verder dan je denkt. Kort daarvoor had ik een documentaire op de radio gehoord, Verdachte geluiden. Die ging over een man van de NOB die 3D-geluid had ontwikkeld. Toen ze dat gingen testen bleek het allerlei bijwerkingen te hebben. Je hoorde het geluid van iemand die de trap op liep, en je kreeg een heel prettig gevoel of je werd verschrikkelijk misselijk. Je werd gestuurd zonder dat je daar controle over had. De NOB schrok zich rot. Ze hebben het project direct stopgezet en die man met pensioen gestuurd. Wat ik belangrijker vond was dat áls Voerman de waarheid sprak en er werkelijk codes werden verzonden we daar nooit achter zouden komen.»

Was het nodig om de film vanuit het perspectief van de dader te vertellen?

«Ja, als ik het verhaal op een observerende, journalistieke manier had verteld, dan was je als kijker op afstand gebleven. Dan had je gedacht: wat is dat voor rare man, die Voerman? Wie het gedrag van mensen wil begrijpen, moet in hun werkelijkheid stappen. Los van alle morele oordelen moet je met hun blik durven kijken. Dan ga je dingen zien die je eerder niet zag.»

Relativeer je daarmee de misdaden?

«Je relativeert niet. Je maakt het gedrag inzichtelijker, niet minder erg. Je probeert helderheid te krijgen. Het is heel gemakzuchtig om van een afstandje naar iemand te kijken en dan te zeggen: dat gaat mij niet gebeuren. Natuurlijk was het een ander verhaal geweest wanneer Voerman drie onschuldige mensen had neergeschoten. Ik weet niet of ik de film dan nog had kunnen maken. Ik vond het juist wel nobel dat hij niks deed. Ik stelde me voor dat hij wilde zeggen: ‹De wereld is gek!› en op het laatste moment ontdekte hij dat hijzelf de grootste gek was. Had hij mensen vermoord, dan zit je met een filmisch probleem. Dan wordt het moeilijker om sympathie voor zo iemand op te brengen.»

Moreel gezien vormt Voerman het tegenbeeld van de jongeren uit ‹Van God los›, de misdaadfilm waarvoor u vorig jaar een Gouden Kalf kreeg. Gaat ‹Off Screen› over een man die zijn idealen en principes boven alles stelt, ‹Van God los› toonde wat er gebeurt als mensen er geen enkele moraal meer op nahouden.

«Maar Van God los levert ook kritiek op de generatie van de jaren zestig. Dat is een generatie die vooral met zichzelf bezig is geweest. Een generatie van egoïsten. Die noemen hun eigen kinderen dan de generatie Nix. Wat een onzin. Wie zijn kinderen uitlevert aan de commercie moet niet vreemd opkijken als die kinderen vreemde dingen gaan uithalen. Ik ben ervan overtuigd dat als de ouders van Stan (de hoofd per soon in ‹Van God los› – sk) iets meer oprechte interesse in hun zoon hadden getoond die misdaden niet waren gepleegd. Niemand mishandelt andere mensen omdat hij daar zin in heeft. Doe je dat wel, dan ben je een psychopaat. Dan ben je ziek. Dat is een heel heldere verklaring. Sommige mensen hebben leverziekte, anderen hebben kanker en weer anderen zijn ziek in hun hoofd.»

De ondertitel van ‹Off Screen›, «Angst is een slechte raadgever», is erg actueel.

Pieter Kuijpers: «Ik heb het idee dat we ons steeds meer laten leiden door angst. Dat is een slechte ontwikkeling. Het houdt ons in een wurggreep. En leidt tot polarisatie. Mensen gaan emotioneel reageren. Terwijl onze ratio ons juist onderscheidt van de dieren. Die angst is ook heel merkwaardig, want volgens mij leven we in een heel veilige tijd. En toch is iedereen bang. Allerlei wetten worden opgerekt. Voor wie? denk ik dan. Voor wat? De Hofstadgroep? Alleen die naam is al te veel eer. Vier pubers, meer is het niet. Daar ga je een samenleving toch niet op inrichten.»

Zou je over die jongens een film kunnen maken? Of over Mohammed B.?

«Ja. En dan zo dat je die jongen van a tot z begrijpt.»

Waarbij de kijker dezelfde sympathie voelt als voor John Voerman?

«Dat is het enge: ik denk dat je een heel eind met hem mee kunt. Ik heb natuurlijk allerlei fantasieën over hoe iemand tot zo’n moord komt. Het kan heel simpel zijn: je hebt een groepje fundamentalistische moslimjongeren – allemaal zo’n achttien, negentien jaar. Eén jongen wordt niet echt serieus genomen, die hangt er een beetje bij. Zo’n jongen denkt: ik zal ze eens laten zien hoe serieus ik ben. En die pleegt zo’n moord. Dat heeft niets te maken met internationaal terrorisme. Wij denken te groot. Te abstract. Over dertig jaar kijken we terug op deze periode en dan zeggen we: o ja, moslimterrorisme, dat was net als met die communisten van McCarthy.»

Het ontbreekt ons aan nuchterheid?

«Ik weet niet of het een gebrek aan nuchterheid is. Het is eerder een gebrek aan zelf bewustheid. Dat zie je nu ook weer in het terrorismedebat: aan de ene kant gaan we enorme paniek zaaien, aan de andere kant zijn we heel cynisch, lachen we erom. Neem Balkenende: wat zie je op tv nou werkelijk van die man? Kopspijkers, Koefnoen, Café de Wereld. Heel leuk allemaal, maar ondertussen is dat wel onze minister-president die de ene wet na de andere er doorheen drukt en die het gezicht van Nederland naar het buitenland vormt. Die man is een probleem. Die moet je inhoudelijk bestrijden, daar moet je mee in debat, maar om dat te doen moet je hem op z’n minst serieus nemen. Dat doen wij niet. Wij nemen niets meer serieus. En ondertussen zijn we voortdurend bang.»

Waar ligt de bron van dat cynisme?

«Ik denk in de jaren negentig. We hebben ons toen ontzettend laten kennen door in de droom te geloven dat je van niets doen rijk kunt worden. Het is de mens eigen om de schuld buiten zichzelf te zoeken, dus had Paars het gedaan. Onzin natuurlijk: het is nog nooit zo goed met Nederland gegaan als in die acht jaar Paars. Jarenlang hebben we massaal geloofd dat we allemaal rijk zouden worden, terwijl iedereen weet dat dat niet kan. Teleurstelling is verschraald tot cynisme. We zitten nu in een cynische fase. Dat zie je bijvoorbeeld aan de enorme hang naar cabaret. Ik kan daar niet naar kijken. Er is geen mededogen, geen compassie. Compassie is het minste wat je moet hebben. Iedereen zwoegt, iedereen doet zijn best. Ik werk nu aan een film over een dikke jongen die met behulp van een magnetrondoos een diamantroof pleegt. Het is heel makkelijk om zo’n jongen belachelijk te maken. Toch denk ik dat mensen zich in hem zullen herkennen. Dat wanneer ze om hem lachen ze eigenlijk om zichzelf lachen. De motieven zijn ook zo herkenbaar: we willen allemaal iemand zijn. Die spanning tussen iemand en niemand zijn, daar gaan eigenlijk al mijn films over. Mijn helden zijn antihelden. Traditionele helden zijn saai. Daar zit geen drama in. Het wordt pas interessant wanneer het fout gaat.»