Er is geen geheim

JANNEKE VAN DER HORST
IK WEET HOE JONGENS HUILEN
Nieuw Amsterdam, 176 blz., € 16,50

Als je een paar jaar na je redacteurschap van Propria Cures debuteert, ben je bijna verplicht een lading studentikoze satire in je werk te stoppen. Janneke van der Horst (1981) lost die verplichting in. Met Ik weet hoe jongens huilen schreef ze een verhalenbundel die precies dat is: literair, studentikoos en erg geestig. Neem het verhaal Baconscène, waarin een meisje de eindeloze reeks one-night-stands van haar huisgenote afwimpelt: ‘Toen hij de gang inliep richting de voordeur, keek ik hem na. Hij liep als een falende spits die gewisseld wordt. Een persoon waarmee je als supporter geen enkel medelijden hebt.’

Af en toe is de humor nogal gezocht, zoals in De soldaat en ik (en de smaak van Hubba Bubba-kauwgom), waarin een soldaat en een zestienjarig meisje op zomervakantie met elkaar bevriend raken en de soldaat spontaan een vioolconcert geeft voor een groep copulerende naaktstrandbezoekers. Zulke absurde wendingen botsen met haar realistische vertelstijl – daar is niets op tegen, maar het komt soms dwangmatig over, alsof Van der Horst een kunstgreep nodig heeft om haar verhalen te eindigen. En wat is de rol van de naamloze soldaat? Als lezer ga je op zoek naar iets dat misschien ergens in de tekst verstopt zit, iets dat hint op een trauma of oorlogservaring, zoals Hemingway dat briljant deed in zijn beroemde korte verhaal The Big Two Hearted River. Maar nee. Er is geen geheim of symboliek; de soldaat is gewoon soldaat en had net zo goed bakker of imker kunnen zijn. Van der Horst lijkt hem vooral zo prominent op te voeren omdat zijn beroep zo lekker afsteekt tegen alle meisjesstudenten die in het boek de revue passeren. Een trucje dus.

Natuurlijk probeert Van der Horst geen Hemingway te zijn. Eerder gaat de vergelijking met Manon Uphoff op; haar verhalen gaan over verlangen en gemis binnen liefdes- en familierelaties. Prachtig is het eerste verhaal, Haar vader en het vrouwtje, waarin een meisje op zoek gaat naar haar halfbroer. Het verhaal is oprecht schrijnend, maar wordt afgewisseld met zo’n kunstmatige poging tot absurd drama, waardoor de bundel toch onevenwichtig overkomt.

Nu is dit echt een onvergeeflijk cliché om mee af te sluiten, maar dit boek maakt wel nieuwsgierig naar een volgende publicatie waarin Van der Horst één personage uitdiept en al haar talent en humor gebruikt om die ene scherpe, doorknede roman te schrijven, het type roman waar Propria Cures zo graag op afgeeft.