Er is geen plaats om te blijven

Toen Rutger Kopland (1934-2012) wist dat zijn tijd erop zat, besefte hij hoezeer hij slechts een passant was in een onverschillig landschap. Zal zijn poëzie gelezen blijven worden?

Zonder sterfelijkheid geen poëzie. Sinds de mens op deze aarde rondloopt, en dat is in kosmologische termen nog pas kort, heeft hij zich moeten verstaan met de dood, die hij niet alleen niet begreep, maar waarvan hij ook liever verschoond wenste te blijven. Omdat men nu eenmaal geen controleerbare uitspraken kan doen over een afwezigheid vormde men een aparte taal om het verdwijnen op te roepen, te omcirkelen en te bezweren. Dat is de poëzie. In het hart van ieder gedicht bevindt zich een gapende leegte. Doordat het verderf op deze manier ingekapseld lijkt, zou men de vergissing kunnen begaan te geloven dat de poëzie sterker is dan de dood. Veel dichters hebben dat gedacht, maar het berust op woordspel. Het enige wat een gedicht kan doen is een kleine bijdrage leveren aan het aanvaarden van ons verlies.

Wanneer een dichter van naam overlijdt, is het gebruikelijk zijn werk nog eens door te bladeren en de vraag te stellen of het de tand des tijds zal weten te weerstaan. Het antwoord op die vraag luidt in de meeste gevallen ontkennend. Alleen de heel groten leven voort. Omdat veel poëzie de vergankelijkheid bezingt, ligt het voor de hand te kijken naar wat de dichter over zijn eigen afscheid heeft gezegd. Bij Rutger Kopland, die deze zomer op 77-jarige leeftijd overleed, is het niet moeilijk gedichten te vinden die het sterven trachten te verwoorden. Sterker nog, vanaf zijn eerste bundel, Onder het vee (1966), is Kopland geïntrigeerd geweest door het verglijden van de tijd.

Zijn er dichters die het volle leven in al zijn verschijningsvormen uitbundig vieren, Koplands poëzie was van meet af aan bedachtzaam en melancholisch, en bijna altijd afstandelijk. Jazeker, ook hij schreef over de liefde, maar zelden over heftige erotiek. Er wordt in zijn werk vaak jenever gedronken, maar feest is het nooit. Het hectische stadsleven is zo goed als afwezig, aan het merendeel van de gedichten valt niet af te lezen hoe het er met de wereld voor staat. Gras, paarden, een bijbelse appelboom en de Drentse A, dat is Koplands biotoop, en die is voor hem enerverend genoeg. In Onder het vee duikt de rivier voor het eerst op:

De A kruipt oud en omslachtig

door Drente, een ader

meanderend in een verdord gezicht

dat tot in de verste

uithoeken werd volgegrift

met herhalingen van boomkruinen

ontbladerd tot op het laatste

wat bleef en glimlachte.

Onnadrukkelijk, bijna terloops formulerend weet de dichter hier met een paar lijnen een uiterst gelaagd portret van een landschap te schetsen. Het afgeleefde water baant zich onbeholpen een weg door een stervend gebied, dat vergeleken wordt met een gezicht, dat op zijn beurt weer een landschap wordt. Bovendien suggereert de naam van de rivier dat hij de oorsprong vormt van de taal. Het gezicht is ‘volgegrift’ met tekens die steeds herhaald worden. Schrijven reproduceert de werkelijkheid, die gekenmerkt wordt door oeroude ritmes. Het enige wat overblijft, ten slotte, is een glimlach.

In Een man in de tuin (2004) treffen we hetzelfde uitzicht aan. Veertig jaren zijn verstreken, maar er is niets veranderd. Nuchter stelt de dichter vast dat het landschap hem niet waarneemt. Het water stroomt maar en ‘alles is bezig met alleen maar zichzelf te zijn’. Opnieuw is er sprake van een gezicht en een glimlach, maar de lettertekens hebben plaatsgemaakt voor lijnen. Betekenis is vrijwel afwezig:

de lijnen van de rivier liggen als de plooien

van een vage afwezige glimlach in een gezicht

het landschap met de rivier kijkt door me heen

Al die jaren dat ik hier zat te kijken, zegt de dichter later, heb ik ‘gezien hoe het bekende onzichtbaar veranderde in/ het onbekende, en daaruit terugkeerde’. In zekere zin beschrijft Kopland hier de route die zijn poëzie heeft afgelegd. Het allereerste gedicht roept het verloren paradijs op, de ‘grazige weiden de rustige wateren/ op het behang van mijn kamer’, in de laatste reeks, Aan het grensland (2008), is hij terug bij af:

Je kijkt in je hoofd en daar ligt het land

waar je vandaan komt en nooit meer naar terugkeert

je ziet de psalm uit je jeugd met de weiden

de waatren het veeja dit is het grensland

Toch heeft Koplands poëzie in de tussentijd wel degelijk een ontwikkeling doorgemaakt. Begon hij als licht ironisch neoromanticus, in Alles op de fiets (1969) lijkt enige bitterheid door te klinken, met als dieptepunt de evergreen Jonge sla, dat de dichter de laatste jaren terecht niet meer wilde voorlezen. Een lege plek om te blijven (1975), het eerste hoogtepunt in Koplands oeuvre, is hier en daar zelfs cynisch, en dan niet op een gemakkelijke manier:

Er is geen plaats om te blijven,

wij ontvangen kaarten met groeten,

buiten woont een paard in de kou.

De spreker is een teleurgesteld man, en zijn afscheid van de christelijke God is daaraan niet vreemd. Misschien is het voor hedendaagse lezers moeilijk om zich iets voor te stellen bij Koplands worsteling met de afwezigheid van een instantie die voor hem ooit vanzelfsprekend was geweest. Een van de sterkste reeksen die hij ooit schreef, kortweg G geheten (1978), blijkt daardoor achteraf enorm tijdgebonden te zijn. In negen bijna-sonnetten probeert de dichter het pijnlijk maar onvermijdelijk verlies van de Vader onder ogen te zien:

Die dagen met jou G, ze smaakten heel hevig

naar weinig, als de dag van een uitgesteld

afscheid, als je alleen wilt zijn en niet kan,

de smaak van oud brood al en restjes jenever.

Ik wist nog niet, zegt Kopland ontgoocheld, dat jij er zonder mij niet zou zijn. Die ‘dagen met jou G, heb ik gemompeld als een schaker,/ alleen tegen zijn bord, zo hevig tegen niemand’.

De bundels die daarna komen, missen spankracht en urgentie. De poëzie neigt naar kaalheid en abstractie, een gebrek aan inspiratie wordt gecompenseerd met maakwerk naar aanleiding van een bezoek aan concentratiekamp Natzweiler of de kunstschatten van Florence. ‘Mijn bedoeling is om lang actueel te blijven’, zegt hij in het dagboek Over het maken van een gedicht, en dat betekent ‘dat je in zekere zin abstract wordt, onduidelijk op het eerste gezicht, waar tegenover staat dat de lezer meer zelf moet doen’. Daar zit een probleem. Enerzijds wilde Kopland de dingen voor zichzelf laten spreken door zich eruit terug te trekken, anderzijds hoopte hij herkenning en emoties op te roepen. In weerwil van wat hij beoogde, werd veel van wat hij in de jaren tachtig en negentig schreef te expliciet en voorspelbaar. Uit hetzelfde dagboek blijkt bovendien dat hij niet echt in vorm was geïnteresseerd. Zijn voortkabbelende spreektoon is misschien sympathiek, maar beklijft niet.

Hier en daar vlamt nieuwe energie op, zoals in Geduldig gereedschap (1993), waarin een magistrale maar vervreemdende liefdesverklaring staat:

ik wilde je rug strelen zonder mijzelf te zoeken

onder je huid en ook jou zocht ik daar niet

wij zijn daar onvindbaar

liefde is een woord voor iets anders

dan ik zocht, niet de liefde heeft ons gemaakt

wij zijn gemaakt met onverschillig aandachtig

geduldig gereedschap, hetzelfde

dat ons weer afbreekt

De bundels Tot het ons loslaat (1997) en Over het verlangen naar een sigaret (2001) zijn, op enkele gedichten na, mislukt. De dichter was moe, liet zich verleiden tot gemakkelijke gelegenheidswerkjes, bezondigde zich aan derderangs metafysica, wapperde met zijn adresboek.

Met Een man in de tuin liet Kopland voor het laatst zien dat hij iets te betekenen had. Transparant maar tegelijkertijd vol mysterie is een reeks ter ere van beeldend kunstenaar Roger Raveel. Het is gevaarlijk, schrijven bij beelden van een ander, maar wat Kopland hier doet is fenomenaal. Dat komt niet alleen door wat hij zegt, maar vooral door de stapsgewijze, logische structuur van de vijf gedichten:

Zoals je tijdens het denken kunt weten

dat je aan niets denkt

en zoals je tijdens het kijken kunt zien

dat je niets ziet

zo kunnen er in zijn beelden gaten vallen

In de schilderijen bevinden zich witte gaten waarin je ziet dat we van de dingen niet weten hoe ze zijn, waarin je ziet dat de echte wereld een gat is. De met ‘zoals’ begonnen vergelijking wordt pas in de laatste strofe opgelost:

zo wil ik dat gedichten de gaten laten zien in

de taal waar voor de dingen geen plek is

In 2008 verscheen het magere bundeltje Toen ik dit zag. Kopland had ernstige hartproblemen gehad, was met zijn auto tegen een boom gereden, lag maanden in ziekenhuizen en keerde als broze oude man terug in Glimmen. Hij wist dat zijn tijd erop zat. In Tuin beseft Kopland meer dan ooit hoezeer hij slechts een passant is geweest in een onverschillig landschap:

Ik zit voor het raam en zie

hoe de tuin niet is veranderd

voor haar ben ik niet weggeweest

Het is vreemd te bedenken ‘dat zij mij/ niet kent, zich mij niet herinnert’. Maar die gedachte stemt niet verdrietig. Ze heeft zelfs iets troostgevends:

er is niets gebeurd zegt de tuin in het raam

de bomen, de vogels, de zacht waaiende

struiken, het gras, het bleef allemaal zijn

wat het was, er is geen verleden hier

wat er gebeurde is deze tuin

Zal Kopland gelezen blijven worden? Ik denk dat het grootste deel van zijn werk daarvoor te vluchtig is. Maar misschien is dat juist ook de kwaliteit ervan. De taal lost op met haar maker. Wat resteert is de ‘vage afwezige glimlach’ van een landschap dat nog even blijft.


Rutger Kopland, Verzamelde gedichten, 35,-