Interview: André Rouvoet

«Er is geen recht op een goed leven»

De makke van onze tijd, zo meent ChristenUnie–fractievoorzitter André Rouvoet, is de illusie dat de verzorgingsstaat in alles kan voorzien. De burger is van de overheid gaan verwachten dat ze hem gelukkig maakt. «In plaats van geluk denk ik dat dat veel mensen frustratie bezorgt, omdat het vaak helemaal niet kan.»

Wat hem persoonlijk gelukkig maakt? Daarop heeft André Rouvoet zich niet voorbereid. De fractievoorzitter van de ChristenUnie dacht dat het gesprek zou gaan over de relatie tussen politiek en geluk. Maar dan moet een politicus toch ook enigszins voor ogen hebben waar hij zelf gelukkig van wordt? Aarzelend zoekt de 44-jarige Rouvoet een antwoord: «Ik vind het moeilijk, waarschijnlijk omdat er geen patroon zit in de momenten waarop ik gelukkig ben. Je kunt niet zeggen: straks ga ik me gelukkig voelen. Geluk overvalt je.» Al pratend ontdekt hij toch een patroon: «Als ik tijdens een avond met jongeren het gevoel heb gehad dat mensen hun hart hebben laten spreken, waardoor het een verrijking is geworden voor mij en voor die jongeren, dan rijd ik terug en zet muziek op. Dat zijn momenten van geluk.»

Dan schiet hem ineens een persoonlijk moment te binnen: «Geluk kan ook in intens verdriet zitten. Dat heb ik geleerd bij het sterven van mijn beide schoonouders. We waren toen verdrietig als kinderen. Maar er zat ook een dieptelaag van geluk in, omdat je weet dat het goed is tussen jou en degene die aan het sterven is. Voor ons speelde ook het geloofs-aspect mee. Je kunt zeggen: het is goed, het is klaar, we weten waar het naartoe gaat. Daar heb ik geluk in beleefd. Dat was voor mij een -ver-rassende ontdekking. Geluk staat niet haaks op verdriet, maar is ook in dat verdriet te -vinden.»

Rouvoet is goed in zijn werk. Hij won begin deze eeuw de Thorbecke-prijs voor politieke welsprekendheid en werd een jaar later gekozen tot politicus van het jaar. Toch noemt hij werk niet als iets wat hem gelukkig maakt: «Ik kan enorm genieten van een debat, al sta ik ook wel eens te balen. Ik kan ook zeggen dat ik gelukkig ben in deze baan, maar dat is dan meer het alledaagse gebruik van de term. Ik geniet van een debat, maar ik geniet ook van mijn kinderen. Toch zijn dat twee dieptelagen. Als ik van mijn kinderen geniet, zit daar die dimensie van geluk aan vast.»

Dat hij zijn werk niet noemt, heeft te maken met de christelijke traditie waarin de goede -prioriteitstelling is: gezin, kerk, werk: «Het is een natuurlijke volgorde waardoor je balans in je leven vindt. Ik associeer geluk het eerst met intieme relaties, want het is natuurlijk het mooist als je het met anderen kunt beleven. De ontmoeting met mensen is bij mij essentieel voor geluk. Dat gevoel van geluk heb ik dus niet als ik een inbreng in een debat heb geleverd.

Werk is wel belangrijk als randvoorwaarde voor geluk, omdat het een nuttige levens-vulling is. Je krijgt er mogelijkheden door om jezelf te ontplooien en mensen te ontmoeten. Waarom zeggen we anders: die zit thuis achter de geraniums? Daar zit achter: die is alleen. Maar dat mag je niet omdraaien. Je mag niet zeggen: als je geen betaald werk hebt, kun je niet gelukkig worden. Jezelf ontwikkelen doe je ook in sociale relaties. Ook daarin is een -zinvolle levensvervulling te vinden.»

Over de vraag of er een recht op geluk bestaat, hoeft Rouvoet daarentegen geen seconde na te denken: «Nee. We kunnen blijkbaar alleen nog maar praten over dingen in termen van rechten. Er is geen recht op geluk. Er is geen recht op kinderen. Er is geen recht op een goed leven. De keerzijde daarvan zou zijn dat er een plicht tot geluk is. Overigens, wie zou er dan verantwoordelijk zijn voor het vervullen van dat recht? Ben je dat zelf? Dat is raar. Dus moet er iemand anders zijn bij wie je dat recht kunt verzilveren. Mag ik van u zoveel eenheden geluk? Is dat dan de overheid?»

Maar de idee dat de overheid geluk moet bezorgen, sluimert wel: «Er wordt in toe-nemende mate van alles van de overheid -verwacht. Er komen ook steeds meer -hand-vesten van rechten. Dat wekt de suggestie dat je altijd bij de overheid terecht kunt als je het moeilijk hebt. In plaats van geluk denk ik dat dat veel mensen frustratie bezorgt, omdat het vaak helemaal niet kan. Dat is de makke van onze tijd. Ik generaliseer een beetje, dat besef ik. Natuurlijk heeft de overheid een taak. Maar dat is het vervullen van de voorwaarden voor een beetje redelijk ontspannen bestaan.»

Te lang is volgens Rouvoet de illusie levend gehouden dat de verzorgingsstaat in alles kan voorzien: «Met alle kritiek die ik heb op het tempo van de hervormingen van het -kabinet-Balkenende en met name op de verdeling van de lasten – we zien inmiddels in dat de overheid dat niet meer waar kan maken. We zitten in een -proces van noodzakelijke herijking van de -verzorgingsstaat. Kijk bijvoorbeeld naar de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Dat is niet zomaar een technische aanpassing. Nee, we hebben te lang de gedachte gehad dat de -overheid de hoofdspeler was op de markt van welzijn en geluk. Dat blijkt dus vies tegen te -vallen. Maar we hebben wel van alles vastgelegd in grondrechten en aanspraken. Alles wat je daar afhaalt, roept protest op.»

Volgens Rouvoet weet de overheid ook niet zo goed bij wie ze de verantwoordelijkheid dan wél neer moet leggen: «In de toelichting op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning schrijft de staatssecretaris allemaal prachtige dingen, zoals dat er zorg op maat moet komen, dichter bij de burger. Ze noemt dan ook de kerken. Maar ho, wacht even. De kerken zeggen tegen ons: dat deden wij vroeger altijd, maar dat hebben we allemaal overgedragen aan de overheid.

Stel dat de overheid morgen zou zeggen: we schaffen de nabestaandenwet af, en hulp-pakketten, dat gaat de kerk weer doen. Dat kan dus niet. Niet eens voor de eigen leden, laat staan voor de samenleving. Die vervulling van de randvoorwaarden voor geluk hebben we gecentraliseerd, gefiscaliseerd en anoniem gemaakt. Nu de overheid ze terug gaat schuiven, valt dat in een gat. Dat leidt tot frustratie, want de burger zegt: ik heb er toch recht op.»

De secularisatie heeft hier volgens Rouvoet sterk aan bijgedragen. Al trekt hij het liever -breder door het ontideologisering te noemen: «Het besef is weggevallen dat er meer is dan de aardse omstandigheden. Als ik het wat zwaarder mag zeggen, het besef van transcendentie is er niet meer. Daardoor zijn we aangewezen op onderlinge relaties. Als je die niet hebt, moet je wel naar de overheid kijken. Maar die schiet gegarandeerd te kort.»

De vroegere rol van de kerk in bijvoorbeeld de zorg ziet Rouvoet echter niet terugkomen. Hij zou het ook niet willen. Dat wil niet zeggen dat de overheid geen beroep kan doen op geloofs-gemeenschappen bij het vervullen van de randvoorwaarden voor een beetje geluk in een mensenleven: «Als Job Cohen zegt dat we ook religie moeten aangrijpen om mensen te helpen bij het integratieproces, om de boel bij elkaar te houden zoals hij dat noemt, dan wordt daar lacherig over gedaan. Maar volgens mij heeft die man het veel beter begrepen dan al zijn critici bij elkaar. Niet dat de overheid religie moet lopen promoten, daar geloof ik niet in. Maar uit zo’n observatie van Cohen blijkt wel dat je inziet wat religie in een mensenleven betekent en dat je als overheid wel gek zou zijn om je daar tegen te keren. De overheid moet zich realiseren dat zij de mensen niet gelukkig kan maken en dat er andere instanties zijn die daar wél een rol in kunnen spelen. Daar hoort een moskee bij voor moslims, want hun levensgeluk hangt samen met hun religieuze belevingen. De overheid moet niet zeggen: we gaan het subsidiëren. Nee, maar ze moet dit type sociale verbanden wel koesteren met het oog op de broodnodige sociale cohesie. Een overheid die uit een soort verlichtings-fundamentalisme zegt absoluut geen bemoeienis met religie te willen, roept over zich af dat mensen die wél iets in hun geloof vinden zich tegen de overheid keren. Dat zie je gebeuren. Er vindt een soort vervreemding plaats.»

Is dat ook een aspect van de spreekwoordelijke kloof? Rouvoet gelooft niet dat die kloof afgedaan kan worden met de opmerking dat die van alle tijden is: «Er is echt iets gaande. De vertrouwenscijfers zijn desastreus. De mensen herkennen zich niet meer in wat hier in de Tweede Kamer gebeurt. Dat is meer dan dat politici dingen beloven die ze niet waar kunnen maken, want dat is een klacht van alle tijden. Het is ook te makkelijk om te zeggen: het ligt aan dit kabinet. Het gaat over dé politiek, het is ons gemeenschappelijke probleem. Daarom geloof ik ook zo weinig in bestuurlijke vernieuwing wanneer dat alleen gaat om structuren. Ik geloof er geen jota van dat als mensen een referendum krijgen voorgeschoteld ze weer helemaal content worden. Ik geloof helemaal niet dat mensen overal over willen meepraten. Ze willen de volle overtuiging hebben dat de mannen en vrouwen die hen hier vertegenwoor-digen de moeite waard zijn om te vertrouwen. Men spreekt soms badinerend over één keer in de vier jaar een hokje rood maken. Maar dat is een heel existentiële daad van vertrouwen.»

Dat rode hokje krijgt Rouvoet het liefst van een kiezer die niet om een of ander deelbelangetje op de ChristenUnie stemt: «Democratie is volgens mij niet het najagen van het eigen-belang. Ik wil dat mensen op ons stemmen omdat ze onze visie delen. Die is overigens vaak moeilijk over het voetlicht te krijgen. Allerlei blaadjes, als van de ouderenbond of de vereniging voor huiseigenaren, zoomen in op deel-belangen. Dat is legitiem, het zijn belangen-organisaties. Maar als de politiek in dat spoor meegaat, leidt dat tot een verplatting van de politiek. Politiek gaat over concurrerende visies op het goede leven, op de inrichting van de samenleving en de taken van de overheid -daar-in.

Dit klinkt goedkoop, maar ik zeg het toch. Een deel van het probleem is dat politieke partijen, misschien wel van nature, graag willen opkomen voor al die deelbelangen, want het zijn wel allemaal kiezers. Daarom durft het cda niet te praten over de aow of de hypotheek-renteaftrek. Maar je moet smoel durven tonen. Dan zullen er weliswaar mensen zijn die zeggen: dat smoel staat me niet aan. Maar dat is juist democratie. Als we allemaal meer kleur zouden durven bekennen, zou het een stuk beter gaan met het vertrouwen van de burgers in de politiek.»

De ChristenUnie heeft wel smoel en profiteert daarvan blijkens de peilingen, die een verdubbeling van het zeteltal voorspellen: «Wij weten heel goed wat we willen. Daar zijn we vrijmoedig in. We zijn ook een uitgesproken christelijke partij. We zeggen: dit is ons beeld van het goede leven. Maar je hoeft geen christen te zijn om op ons te stemmen. Steeds meer mensen zien dat ook. Ik hoop dat mensen niet meer zeggen: help, hoe vertel ik het mijn vrienden dat ik in de Stemwijzer bij de ChristenUnie uitkom?»

Als Rouvoet zijn virtuele winst in november verzilvert, gaat hij nadenken over meeregeren: «Natuurlijk. We zijn tenslotte in 2003 ook al benaderd. Maar ja, Balkenende koos toen voor d66. Daar heeft hij volgens mij nu slapeloze nachten van.»