Interview Ronald Plasterk

«Er is geen verband tussen altruïsme en God»

Toen hij dertien jaar oud was, wist Ronald Plasterk zeker dat God niet bestond. Als moleculair geneticus en directeur van het Hubrecht Instituut gelooft hij in wetenschappelijk onderzoek. «We hebben God niet nodig om een goed mens te zijn.»

Hij is net terug uit New York. De naderende jetlag-dip gaat Ronald Plasterk straks overwinnen met hardlopen. De sportspullen liggen al klaar op een stoel. Van de veranderende situatie sinds de elfde september heeft hij weinig gemerkt tijdens zijn tweedaagse bezoek als gastdocent aan Harvard Univer sity. «Wat me opviel, is dat mijn Amerikaanse vrienden, van wie de meeste intellectuele progressieve Democraten zijn, unaniem achter Bush staan. Ze vinden hem, hoewel hij een Republikein is, verstandig en rustig opereren. Het zou best eens kunnen zijn dat als Al Gore in het Witte Huis had gezeten Amerika wél een overhaaste reactie had vertoond.»

Over de gebeurtenissen in de VS is hij helder. De strijd die Amerika voert in Afghanistan is volkomen terecht. Als de wereld had geredeneerd — zoals Jan Pronk — dat de bombardementen niet hadden mogen plaatsvinden, dan zou Kaboel nog steeds onder de Taliban hebben gezucht. En: zonder geloof zou een dergelijk fanatisme nooit mogelijk zijn geweest. «God in de politiek is fataal. Als terroristen geen maagden in het hiernamaals beloofd worden, dan zijn ze niet tot dergelijke extreme daden in staat. Elke beweging die een heilstaat predikt, beschouw ik als verwerpelijk, overigens ook als deze is gebaseerd op een niet-religieuze ideologie. In het verabsoluteren van de eigen waarheid zit per definitie geweld ingebakken. Haal je de irrationele dimensie uit een verhaal, dan zouden mensen veel pragmatischer handelen. Je zou je kunnen voorstellen dat dan de gedachte ontstaat dat we allemaal recht hebben om hier op aarde te zijn en dat we elkaar nodig hebben om het met z’n allen te redden. Als ik in gesprek ben met mensen die ik intelligent acht maar die sterk religieus zijn, denk ik weleens: besef je wel dat geloof aangeleerd gedrag is? Als je een dorpje verderop geboren zou zijn, zou je in een andere kerkbank zitten, en een andere waarheid verdedigen.»

Ronald Plasterk (1957) is een overtuigd atheïst. Maar hij zegt er nadrukkelijk bij dat hij niet streeft naar atheïsme. «Mijn eigen opvatting mag geen heilsleer zijn die ik ten koste van alles ga verdedigen. Ik respecteer geloof, zolang mensen het maar niet opdringen.»

Hij heeft dan wel geen missiedrang, maar als columnist van de Volkskrant en als gastspreker in het televisieprogramma Buitenhof timmert hij aan de weg als een overtuigd verdediger van de pure ratio. De moleculair geneticus heeft in Nederland onmiskenbaar een positie verworven als opinion maker. Deze maand nog brak hij in zijn gesproken column in Buitenhof een lans voor het aanleggen van een databank van vingerafdrukken of DNA-fingerprints bij de politie. De angst dat de rechtsstaat omslaat in een politiestaat is ongegrond, stelde hij. Het voordeel is evident. Hij verwees naar de Utrechtse serieverkrachter, van wie het DNA-profiel bij de politie bekend is. Als directeur van het Hubrecht Instituut, dat midden in het gebied staat waar de verkrachter al jaren opereert, ziet hij hoe elke dag zijn vrouwelijke medewerkers in hun bewegingsvrijheid worden beperkt. «Die inbreuk is veel groter dan die van een DNA-testje», zei hij, terwijl hij voor de camera een wattenstaafje langs het slijmvlies van zijn wang haalde om van zichzelf wat DNA-materiaal af te nemen. De fingerprint die daarvan is gemaakt, is nu op het internet te aanschouwen.

Met een dergelijk politiek statement draagt Plasterk regelmatig bij aan het debat over de toepassing en de ethische grenzen van technologische ontwikkelingen. In zijn gebundelde Intermediair en Volkskrant-columns Leven uit het lab weet hij helder de vertaalslag te maken van bevindingen uit het laboratorium naar de maatschappij. Een talent waar het veel van zijn collega’s die fundamenteel wetenschappelijk onderzoek doen aan ontbreekt. In het voorwoord verwijst zijn stelling dat «de wetenschap belooft, dwingt en adviseert» met een knipoog naar de vermeende goddelijke rol van de wetenschapper. Hij kan zich vermakelijk ergeren wanneer de discussie over moderne toepassingen van biotechnologie en genetisch onderzoek wordt gevoerd door mensen die er nauwelijks verstand hebben. «Alfa’s kun je alles wijsmaken. Ons hele parlement bestaat overigens uit alfa’s, die beslissingen nemen over de toekomst van ons land.» In Plasterks ogen is het zonde dat elk nadenken over genetische manipulatie al gauw wordt vertroebeld door het doemscenario van een Frankenstein-mens. Een ethicus noemt hij badinerend een academisch opgeleide Catharine Keijl die slechts vragen stelt zonder een wezenlijke bijdrage te leveren. Over christenen schrijft hij: «Iemand mag gerust over jou zeggen dat jouw leven een hel is, dat je een lege nihilist bent, maar jij mag niet zeggen dat je nog eerder geloof hecht aan de paashaas dan een verrijzenis na drie dagen.»

Geloof — of dat nu in God is of in de hocus-pocus van homeopaten en antroposofen — en wetenschap dulden elkaar in de ogen van Plasterk niet. Wat hem betreft is het kiezen tussen God of Darwin. Daar zit niet veel tussen, zoals gelovige wetenschappers of bevrijde gelovigen in allerlei compromisredeneringen beweren. «Retorisch gezien heb ik meer respect voor de orthodoxen dan voor gelovigen die met hun eigen waarheid marchanderen. Zij hangen vanuit hun duidelijke keuze tenminste een consequent wereldbeeld aan: de mens is geschapen door God met een bedoeling en Hij heeft het beste met ons voor. Maar zelf kan ik het leven niet beter snappen of een beter mens worden met behulp van God. Ik mis een God niet voor contemplatie of verwerking van grote emoties. Muziek kan die functie net zo goed hebben. Rituelen die horen bij life events zoals de geboorte van mijn twee zoons of mijn eigen huwelijk vullen we zelf in. Ik weet wel dat voor velen geloof troost kan bieden. Maar ik denk toch echt niet dat het verdriet om een overledene er minder van wordt.

Waar ik in geloof? In de mens die zelf nadenkt, en in een tolerante, geestelijk vrije samenleving.»

Vanuit zijn rieten stoel in de serre wordt Plasterk even afgeleid door zijn twee zoontjes, die uit school komen om tussen de middag thuis een boterham te eten. «Ha papa, hoe was het in Amerika?» roept Wouter, die op zijn schoot springt. En, kijk papa staat in de krant bij het Stan Huygensjournaal van De Telegraaf, over zijn ontmoeting met Oliver Sacks tijdens diens korte bezoek aan Nederland. «Wat sta je raar op de foto, zeg.» Weg zijn ze weer, naar de keuken. Plasterk kijkt ze liefdevol na en zegt: «Ik zie ook niet dat de normen en waarden vanuit religie beter zouden zijn. Er bestaat slechts een onderscheid tussen goede of slechte mensen, die evenveel aanwezig zijn onder gelovigen en niet-gelovigen. Het heeft alles te maken met een aangeboren neiging die zich in een bepaalde omgeving kan ontwikkelen. In mijn huis gelooft niemand, maar mijn kinderen zijn net zo goeiig, of goed voor de buren of voor dieren of bejaarden als bij wijze van spreken kinderen die worden geboren in een orthodox gezin op de Veluwe. Er is geen enkel verband tussen altruïsme en God.»

Hij kan wel begrijpen waar die drang vandaan komt om «iets» aan te hangen. Het geloof in hogere opperwezens, en later bij verschillende monotheïstische religies de devotie voor één centrale god, verklaart hij vanuit de logica van de evolutie. «Natuurlijk moet je oppassen met plausibel klinkende sociobiologie, want je redeneert naar een bekend resultaat toe. De mens is in een betrekkelijk korte tijd ontstaan vanuit intelligente primaten. In het Pleistoceen kreeg het de vorm die het nu heeft. De mens was relatief een zwak type, die het niet moest hebben van fysieke kracht maar van zijn intelligentie. Sociaal gezien was het voor de overleving als groep voordelig om met elkaar te communiceren door verhalen te verzinnen. Aangestuurd door honger is het leven een aaneenschakeling van doelgerichte handelingen. Als we doelwezens zijn, dan is het niet te accepteren dat het totaal van die handelingen geen doel zou hebben. In tegenstelling tot een chimpansee gaan wij van die gedachte wakker liggen.

Het zijproduct van de natuurlijke selectie, het bewustzijn, is tevens een nadeel. Alle volkeren hebben een behoefte ontwikkeld om een vorm van opperwezens te aanbidden, omdat het binnen de eigen stam een voordeel bood. De gedachte dat er altijd een paar ogen naar je kijken als niemand uit de groep je ziet, zorgt ervoor dat je geneigd bent ook dán het goede te doen. Anders zou het maar een zootje worden. Deze handelingen komen in feite neer op de later theologisch geformuleerde tien geboden. Aangezien we vrij agressieve primaten zijn, hebben deze driften binnen de godsdienst ook een functie gekregen. Tegenover iedereen die een bedreiging vormt voor het geloof in die ene God, is het volkomen geoorloofd en zelfs nuttig voor het behoud van de groep om de ongelovigen uit te moorden. Godsdienst creëert de demarcatielijn voor bloeddorstig gedrag. Lees het Oude Testament er maar op na. De geschiedenis laat zien dat mensen te allen tijde in staat zijn de knop om te zetten en alle regels en geaccepteerde normen en waarden voor de eigen groep overboord te gooien — in naam van hun eigen God — om de ander uit te moorden. Religie veroorzaakt niet zozeer de conflicten — dat heeft meestal een etnische of economische oorzaak — maar het verschaft de extra motivatie voor de strijdende partijen.»

Uiteindelijk is Ronald Plasterk wel optimistisch over de wereld. «De mensen die nu nog in de kerkbanken zitten, zeggen dat God hun behoedt en beschermt, hun gebeden hoort, het goede met ze voorheeft. Wat ze werkelijk bedoelen is iets vagers dan ze beweren, namelijk dat er toch ‹iets› moet zijn tussen hemel en aarde, wat ik het ‹ietsisme› noem. De angst voor de leegte wordt ingevuld met ‹iets hogers›. De weg langs verschillende evolutionaire stadia loopt van de orthodoxie via het ietsisme naar het relativisme: het niet meer absoluut stellen van de eigen waarheid. Het kan uiteindelijk bij het atheïsme uitkomen. Onwetendheid maakt intolerant. Maar dankzij de mondiale communicatie en de reislustigheid vindt uitwisseling van ideeën plaats. Verbetering van de economische situatie draagt daartoe bij. Dit proces is ingezet in de vorige eeuw bij christenen en joden, en vindt ook plaats onder moslims. Vechten voor Allah zoals nu gebeurt, beschouw ik als een terugslag van tijdelijke aard, als een overgangsfase. Langs de lijnen van emancipatiebewegingen zal het fanatieke geloof uiteindelijk afnemen in de wereld. We vergeten hoe onze eigen maatschappij nog zo’n honderd jaar geleden ook niet zo vriendelijk was. Mijn moeder sprak nog over een vrouw die te vrij met mannen omging als ‹een afgelikte boterham›.»

Plasterk kan aan zijn eigen achtergrond zien hoe zo’n ontwikkeling kan gaan. Hij is een product van twee milieus: hij groeide op in een katholiek intellectueel gezin in een nieuwbouwwijk in Den Haag tussen de arbeiderskinderen. Die situatie was het gevolg van de Tweede Wereldoorlog. Plasterks vader kwam, als zoon van een joodse topchirurg die midden in de Berlijnse upperclass verkeerde en een katholieke moeder, uit een bemiddeld, intellectueel nest. Uit veiligheidsoverwegingen stuurden zijn ouders hem na de Kristallnacht in Duitsland (1938) naar het veilig gewaande Nederland, omdat hij in nazi-jargon een geprivilegieerde gemengde jood was.

Na de oorlog keerde hij niet terug naar Duitsland en trouwde een katholiek meisje. Er was geen rode cent meer om te studeren. Als buizengieter bij Philips wist hij zich met de nodige avondcursussen te ontwikkelen tot directeur van een wetenschappelijke uitgeverij. «Thuis werd veel gelezen en gepraat, maar op straat moest ik niet de ‹professor› proberen uit te hangen. Elke zondag ging ik aan de hand van mijn ouders naar de kerk. Toen ik dertien was, wist ik opeens zeker dat God niet kon bestaan. Ik zag in dat het allemaal een bedenksel was waar we met z’n allen in waren gaan geloven. Voor mijn ouders bracht dat niet een klap teweeg, want ze waren zelf inmiddels druk bezig in de vernieuwingsbeweging binnen de kerk. In mijn leven zie ik hoe veel wordt bepaald door toevalligheden.»

Plasterk wilde aanvankelijk net als zijn grootvader geneeskunde studeren. Het werd toch biologie. Zijn toevallige levenswandel — of eerder, zoals hij het als evolutionist zou noemen, een aaneenschakeling van doelgerichte handelingen — is uiterst succesvol gebleken. Na zijn studie promoveerde hij in 1985 aan het Biochemisch Laboratorium. Zijn onderzoek naar DNA zette hij voort in Amerika en Engeland en bij terugkomst in Nederland werd hij op zijn dertigste hoofd van de sectie moleculaire biologie bij het Nederlands Kanker Instituut van het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam. Die functie ging hij combineren met een hoogleraarschap moleculaire genetica aan de UvA. Tevens werd hij directeur van de Onderzoekschool Oncologie Amsterdam. Op een gegeven moment werd hij gevraagd columns over zijn eigen vakgebied te schrijven in Intermediair. Op basis daarvan vroeg de Volkskrant hem hetzelfde te doen, wat weer leidde tot uitnodigingen voor praatprogramma’s en een bijdrage aan het televisieprogramma Buitenhof. Het smalle geplooide gezicht van Plasterk was al snel niet meer van de buis weg te denken.

Zijn indrukwekkende curriculum vitae eindigt voorlopig bij zijn benoeming vorig jaar tot directeur van het vermaarde Hubrecht Instituut dat in 1917 in Utrecht werd opgericht als wetenschappelijk instituut voor ontwikkelingsbiologie. Momenteel doet Plasterk onderzoek naar de zogeheten nematode caenorhabditis elegans, het eerste diertje waarvan de volledige DNA-volgorde bekend was. Gekeken wordt hoe het brein van het aaltje zijn omgeving ervaart en hoe hij prikkels van buitenaf vertaalt in gedrag. «Er is net een artikel geaccepteerd door het wetenschappelijke tijdschrift Science, het loopt wel lekker», zegt Plasterk trots. «De hoop is natuurlijk dat het systeem zo wordt blootgelegd dat het ook toegepast kan worden op hogere organismen.»

Als wetenschapper die onderzoek doet naar het prille begin van het leven heeft hij het vermogen in te grijpen in het creatieproces. «We moeten goed leren omgaan met die rol. Sommigen kunnen de verleiding niet weerstaan om te vervallen in allerlei grootse beloften. Je moet goed beseffen dat het een enorme verantwoordelijkheid geeft. Ik heb in mijn werk natúúrlijk morele sluizen, zoals voorkomen dat proefdieren leed wordt aangedaan. Bij voorkeur doe je proeven met een zo laag mogelijk ontwikkelde diersoort. Bij het klonen zijn wij als wetenschappers ook geneigd om hard op de rem te staan. Het zijn eerder de media die met allerlei toekomst visioenen aan de haal gaan. Ik ben niet voor het reproductief klonen van mensen, omdat het niet veilig is. We weten helemaal niet of zo’n gekloond kind net zo gezond zal worden als een ander normaal kind. Er zijn veel meer vragen: hoe belastend is het voor een kind om een dertig jaar oudere identieke uitvoering van zichzelf te hebben? Wel vind ik dat je in de discussie consequent moet zijn. Bij de algemeen geaccepteerde techniek IVF verdwijnen er ook eerste beginsels van leven in de prullenbak, maar daar hoor je het CDA niet over.

Overigens kun je niet uitsluiten dat als het wel veilig is het ervan komt dat een mens gekloond wordt. Klonen zal dan een kwestie van wennen zijn. Ervaring uit het verleden leert dat ethische opvattingen verschuiven. Vroeger was prenatale diagnostiek nog uit den boze, nu krijgt iedere vrouw boven de 35 jaar met een kinderwens het standaard aangeboden. Ik vind op dit moment klonen voor therapeutische doeleinden wel acceptabel, maar voor een kinderwens niet. De medische veiligheid en het nut, daar moet de vraag over blijven gaan. En ook is de angst voor eugenetica wel terecht. De overheid moet duidelijke regels stellen. In mijn vak gaat het uiteindelijk om twee dingen: weten hoe de mens in elkaar zit, en proberen die kennis toe te passen door zieke mensen beter te maken of te voorkomen dat mensen ziek worden. God heeft daar niet de hand in gehad, nooit.»

Twee gifgroene leguanen staren vanuit hun afzonderlijke terraria in de serre naar de pratende figuur op de rieten stoel. De grote zit onbeweeglijk op zijn tak, terwijl in het andere hok het kleintje schichtig tegen de glazen wanden aan schiet. «Ze komen uit hetzelfde nestje. De kleine heeft het moeilijk, en zal het waarschijnlijk niet redden. Het is erg interessant om te volgen hoe die twee zich verschillend ontwikkelen», zegt Ronald Plasterk over de twee prehistorische rudimenten. Voor gelovigen zijn zij een levend bewijs van de creatie. Hij kan er wel om lachen, want het heeft eerder iets charmants om dat te denken. De evolutie komt, ontdaan van ieder mysterie, op hen vaak ruw over. «De mens is een schitterende moleculaire machine met een bewustzijn. We zijn het product van moleculaire mutatie, en selectie. We hebben het vermogen — en daarmee ook de plicht — na te denken hoe we met onze omgeving omgaan. De mens is derhalve verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. Het is niet anders.»

Plasterk wordt met zijn nuchtere kijk op de harde feiten soms verweten dat hij arrogant tegen de mensheid aankijkt en vanuit zijn laboratorium voorbijgaat aan het onbenoembare van de existentie. Ongevoeligheid wordt bètawetenschappers al gauw aangerekend, maar Plasterk glimlacht erom. «Juist als je het leven in detail bestudeert en ziet hoe mensen en dieren in elkaar zitten, realiseer je je des te meer hoe prachtig en mooi het allemaal is. Kennis doet je ontzag alleen maar toenemen. We weten nog zo weinig. De hersenen zijn vanuit de wetenschap nog een onontgonnen gebied. Daar ligt voor de mensheid het grootste mysterie.»