Een verslag uit het verwoeste Arbin

‘Er is geen weg terug’

De Syrische Walid, nu even in Nederland, had liever gezien dat in zijn land geen revolutie was uitgebroken. Zijn stad is vernietigd, een paar neven zijn omgekomen en zijn familie is uit elkaar gevallen. ‘Iets anders dan de val van het regime accepteer ik niet meer.’

Medium 42 36753947
Aleppo, 25 september. Leden van het Vrije Leger vuren op vliegtuigen van het leger van Assad © Ahmed Deeb / Demotix / Corbis

Mijn vriend Walid komt rechtstreeks uit de oorlog. Een paar dagen is hij in Nederland om voor even het geweld in zijn geboorteland te ontvluchten. En, misschien voor hem persoonlijk nog belangrijker, om voor het eerst in zijn leven een voet te zetten in het Westen. Walid is de oudste zoon van een Syrische imam. Tijdens mijn verblijf in Syrië trok ik vrijwel elke dag met hem op en toen de revolutie uitbrak, liepen we gezamenlijk mee in demonstraties tegen het regime van president Assad. Vanavond logeert hij bij mij thuis. Met de komst van Walid komen ook de verhalen uit Arbin, een ultra-orthodoxe voorstad ten oosten van Damascus. De stad waar ik twee jaar lang heb rond gelopen, is volledig kapot geschoten. ‘De situatie in Syrië verslechtert met de dag’, begint Walid te vertellen. ‘En er is geen enkele hoop op verbetering, zeker niet bij ons in Arbin.’

Het is in de conservatieve voorsteden als Arbin dat de revolutie tegen president Assad begon. Aanvankelijk met vreedzame betogingen die opriepen tot vrijheid en politieke hervormingen. Maar toen de veiligheidsdiensten excessief geweld gebruikten om de protesten de kop in te drukken, eisten de demonstranten de val van het regime, en niet veel later de executie van de president. Het regime reageerde hierop met arrestaties, martelingen en nog meer geweld. Totdat de mensen uiteindelijk de wapens opnamen.

Het ging aanvankelijk nog om kleine aantallen. Jonge mannen uit Arbin die oude geweren verzamelden onder de inwoners met het doel de demonstranten te beschermen tegen aanvallen van de veiligheidsdiensten. Deze jongeren genoten de steun van de lokale bevolking die hen voorzag van eten, drinken en onderdak. In de maanden erna groeide hun aantal gestaag.

Walid legt uit waarom de mensen uit Arbin zich aansloten bij het gewapende verzet: ‘Allereerst is het verzet een vorm van zelfverdediging en daarmee een religieuze plicht. Wie een familie­lid of vriend verliest, gaat niet thuis zitten kniezen. Die vecht terug om zijn dood te wreken. De strijd tegen het regime is tevens een mogelijkheid om een plek in het paradijs te verdienen. Het is een jihad. Wij geloven dat iedereen die bij gevechten om het leven komt een martelaar is en rechtstreeks naar de hemel gaat. Er zijn ook mensen die zich aansluiten bij de rebellen om zo hun status in de gemeenschap te verhogen. Nietsnutten en dronkenlappen waar vroeger iedereen op neerkeek, worden nu met alle respect behandeld. Wie bij het Vrije Leger zit, betekent wat!’

Langzaam maar zeker slaagden de opstandelingen van Arbin erin om meer wapens in handen te krijgen: kalasjnikovs en raketwerpers (rpg’s), meegenomen van gedeserteerde militairen, gekocht van corrupte legerofficieren of verkregen op de zwarte markt. Er kwam ook hulp van buitenaf. Het Westen leverde technische ondersteuning, zoals communicatie­apparatuur, satelliettelefoons en computers. ‘In Arbin hebben we nu zelfs een apparaat waarmee we radioverkeer tussen gevechtsvliegtuigen kunnen onderscheppen’, zegt Walid met enige trots.

Financiële steun is echter voornamelijk afkomstig uit de Golf en wordt gebruikt om wapens en munitie van te kopen. Sinds een aantal maanden ontvangen de rebellen ook soldij, betaald met geld uit Saoedi-Arabië en Qatar. Dat is voor de mensen nog een extra stimulans om zich aan te sluiten bij de rebellen. ‘Er is nauwelijks nog werk’, zegt Walid. ‘Hoe moet je in leven blijven zonder inkomen? Dan kun je je net zo goed aansluiten bij het Vrije Leger. Daar is alles verzorgd en krijg je bovenop nog eens achtduizend lira per maand.’

Met geld, wapens en technologie van buiten gingen de rebellen vervolgens over op het offensief. Ze voerden ’s nachts hit-and-run-aanvallen uit op controleposten van het leger aan de rand van Arbin of op patrouilles van de veiligheidsdienst. Het regime reageerde op de aanvallen van de opstandelingen door de gebieden te bombarderen waarvan zij vermoedden dat er zich rebellen ophielden. ‘De opstandelingen hadden op een gegeven moment de school voor ons huis ingericht als hoofdkwartier’, vertelt Walid. ‘Ze gebruikten het complex om hun manschappen te trainen, om er te eten en te slapen. Toen het leger achter de locatie kwam, begon het deze van afstand met mortieren en tanks onder vuur te nemen. Ik denk dat ze wel honderd mortieren hebben afgeschoten zonder dat er ook maar één daadwerkelijk de school trof.’ In plaats daarvan sloegen de mortieren bij de woonflats rondom de school in. Het gevolg: veel slachtoffers onder de burgerbevolking die hals over kop hun woningen moesten verlaten op de vlucht voor het bombardement. Een neef van Walid werd voor zijn huis getroffen door een granaat toen hij zijn vrouw in veiligheid wilde brengen en overleed.

Ik schenk een kop thee in voor Walid. Hij neemt een slok en trekt een vies gezicht. Ik was vergeten dat thee zonder suiker voor een Arabier hetzelfde is alsof je hem een kop smeerolie laat drinken. Ik haast me naar de keuken om de suiker te halen.

‘De mensen zijn ontzettend teleurgesteld en boos op de moslims in het buitenland’, roept Walid naar de keuken. ‘Terwijl het regime voortdurend de islam beledigt. Bij ons in Arbin heeft de veiligheidsdienst de centrale moskee helemaal verwoest. Ze hebben het tapijt in brand gestoken en tegen het spreekgestoelte aangeplast. Maar hoor je daar iemand over? Nee! Maar wanneer er in de Verenigde Staten een slechte film uitkomt, dan is de islamitische wereld plotseling te klein.’

Walid neemt drie scheppen suiker en proeft van de thee. Dan voegt hij nog een schep toe en vertelt verder over het Vrije Leger in Arbin.

In Arbin zijn momenteel vier brigades actief met in totaal zo’n vierhonderd strijders. Naast de gevechtsbrigades is er een sharia-raad die de opstandelingen bijstaat met religieus advies, onder meer over hoe om te gaan met gevangen genomen militairen, militieleden of agenten van de veiligheidsdienst. Ook is er een zogenoemde ‘mediacommissie’ die de operaties van de opstandelingen filmt en vervolgens op het internet plaatst. Mohammed, de jongere broer van Walid, is actief in deze commissie. ‘Mohammed was vanaf het begin af aan betroken bij de revolutie’, verklaart Walid. ‘Omdat hij veel weet van computers en internet, hebben ze hem gevraagd. Ze hebben hem onder meer een laptop gegeven met een satellietverbinding, zodat hij altijd toegang heeft tot internet.’

Naast de vier reguliere brigades is er ook nog een groep die deel uitmaakt van Nusrat al-Sham, een aan al-Qaeda gelieerde groepering. Onder het regime van Assad werden deze fundamentalisten keihard onderdrukt, maar in het huidige klimaat zijn zij komen bovendrijven. ‘Ik wist eigenlijk helemaal niet dat er al-Qaeda in Arbin was’, geeft Walid toe. ‘Maar het zijn geen vreemdelingen. Het zijn gewoon mensen bij ons uit de stad. Het kan best zijn dat er in het noorden van Syrië buitenlandse strijders actief zijn, maar bij ons is dat zeker niet het geval.’

Nusrat al-Sham beschikt over eigen geldschieters uit Saoedi-Arabië en heeft daardoor een veel grotere financiële armslag. Waar de gewone opstandelingen slechts bewapend zijn met kalasjnikovs, lopen de strijders van Nusrat al-Sham rond met Amerikaanse M16’s. De samenwerking tussen de groepering van al-Qaeda en de andere brigades loopt stroef, omdat er een duidelijk verschil is in ideologie. ‘Het blijft iets wat niet thuishoort in Arbin’, vindt Riyad. ‘Ze worden daarom strak in de gaten gehouden. Als ze een misstap begaan, liggen ze eruit. Maar zolang de groepen hetzelfde doel nastreven, is er geen probleem. Bovendien hebben ze veel geld, waarmee ze de revolutie goede diensten kunnen bewijzen.’

‘Iedereen wist dat we een hoge prijs zouden moeten betalen voor die nutteloze aanval op de legerpost’

De bewoners noemen de opstandelingen in Arbin het Vrije Leger, maar strikt gezien is die benaming niet juist. De brigades in Arbin staan namelijk niet onder het operationele commando van het Vrije Leger, maar zijn in hun besluitvoering volledig onafhankelijk. Zelfs tussen de verschillende brigades uit Arbin is er nauwelijks overleg. Het gebrek aan coördinatie is een groot probleem.

Februari dit jaar trok het regeringsleger Arbin binnen met het idee om voor eens en voor altijd een einde te maken aan het verzet in de stad. Militairen bezetten het centrale plein voor het gemeentehuis en richtten het in als permanente controlepost, versterkt met tanks en pantservoertuigen. Vanaf het dak van het gemeentehuis hielden scherpschutters de omgeving in de gaten. Iedereen die het plein wilde oversteken moest zijn papieren laten zien en werd verhoord. ‘De controlepost was echter via de nauwe straatjes binnendoor makkelijk te omzeilen’, zegt Walid met een glimlach. ‘Dat wisten de militairen ook wel, maar die traden er verder niet tegen op. Het behoorde immers niet tot hun takenpakket.’

’s Avonds gold een avondklok. Iedereen die zich na tienen nog op straat bevond werd aangezien voor rebel en zonder pardon neergeschoten. Het maakte daarbij niet uit of het om gewapende opstandelingen ging of om onschuldige voorbijgangers. ‘Elke week vielen er wel een paar slachtoffers’, zegt Walid. ‘Een vrouw op weg naar huis, een man die zijn winkel aan het afsluiten was. Je kon ook nergens zeker van zijn. Misschien schoten ze al om kwart voor tien, misschien om half tien, misschien nog eerder.’

Een tweede neef van Walid kwam op een dergelijke manier om het leven. Een sluipschutter had eerder die dag zijn buurman doodgeschoten en diens lichaam lag al een paar uur op straat. Niemand had het nog aangedurfd hem weg te halen, aangezien er mogelijk nog steeds sluipschutters actief waren. Uiteindelijk nam Walids neef het risico. Hij was echter nog niet achter zijn beschutte plek vandaan gekomen of een kogel trof hem in zijn borst. ‘Aan de voorkant van zijn lichaam was een klein gaatje, maar aan de achterkant zat een enorm gat’, zegt Walid, terwijl hij met beide handen de omvang van het gat aangeeft. ‘Dat komt doordat het leger munitie gebruikt die binnen het lichaam van het slachtoffer uit elkaar knalt.’

Medium 18020169
Damascus, 9 september, hoofdkantoor van de politie. Gevangenen wachten om vrijgelaten te worden © Carole Alfarah / Polaris / HH

Een maand geleden kwam de commandant van een van de brigades uit Arbin, een zekere Aboe Ismaël, met het voorstel om gezamenlijk een aanval uit te voeren op de controlepost op het plein. De overige drie brigades gingen hier echter niet mee akkoord. Zij wisten dat als ze de post zouden vernietigen, het leger keihard zou terugslaan. En dat zou weer leiden tot veel schade en burgerslachtoffers. De commandant van de brigade trok zich echter niets aan van de bezwaren en zette het plan op eigen houtje door. Met drie brigades uit de nabijgelegen stad Douma omsingelden ze het plein en voerden in het holst van de nacht een aanval uit, waarbij ze alle aanwezige soldaten doden en de pantservoertuigen vernietigden.

De wraak van het leger liet niet lang op zich wachten. De volgende dag voerden vliegtuigen een enorm bombardement uit op Arbin. De inwoners waren gedwongen om halsoverkop de stad te verlaten. Zij zochten toevlucht in andere buitenwijken van Damascus of in het centrum van de hoofdstad zelf. Ook de familie van Walid sloeg op de vlucht. Ze betrokken een kamertje in het centrum van Damascus waar ze met veertien man verbleven. ‘Dat was een moeilijke periode. Vaak waren er niet genoeg kussens, dekens of matrassen, waardoor ik op de vloer moest slapen.’

Arbin zelf was volledig verwoest. Het regime was dan wel verdreven, maar tegen welke prijs? ‘Het was een grote fout om de post aan te vallen’, meent Walid. ‘Iedereen wist dat we er een hoge prijs voor zouden moeten betalen. Het was ook helemaal niet nodig, aangezien het plein nauwelijks strategische waarde had.’ De afgelopen week zijn de inwoners langzaam naar Arbin teruggekeerd. Ook de ouders van Walid zijn weer naar huis teruggegaan. De rest van Walids familie is intussen uit elkaar gevallen. Twee zussen zijn met hun echtegenoten naar Egypte gevlucht, een broer en een andere zus zitten voorlopig in Libanon.

De bewoners van Arbin waren woedend op commandant Aboe Ismaël, die van tevoren niemand had gewaarschuwd. Sommigen eisten zelfs zijn berechting. Het probleem loste zich uiteindelijk vanzelf op toen een paar dagen later een raket insloeg in de auto van Aboe Ismaël en hij met voertuig en al werd opgeblazen.

Wanneer Walid een nieuwe slok van zijn thee wil nemen, gaat zijn telefoon. Hij loopt naar de keuken, om tien minuten later weer terug te komen. Met slecht nieuws. ‘Er is gisteren opnieuw een neef van mij omgekomen’, verzucht hij. ‘Die jongen woonde bij ons in hetzelfde gebouw en was de beste vriend van mijn jongere broer. Het was voor de eerste keer dat hij mee ging met een missie van het Vrije Leger. Om te filmen, maar dat liep niet goed af. Het is nog niet precies bekend hoe hij is gedood. Sommigen zeggen dat hij door zijn hoofd is geschoten door een sluipschutter, anderen zeggen dat er op de plek waar hij stond een granaat is ingeslagen. Ze hebben hem niet mee teruggenomen naar Arbin, maar ter plekke begraven. Als martelaar.’

Het regime heeft nog steeds de controle over het centrum van Damascus. De ringweg om de stad vormt de grens tussen ‘bevrijd’ en ‘bezet’ gebied. Op alle toegangswegen naar de stad heeft het leger controleposten ingericht. In Arbin en de andere voorsteden maakt het Vrije Leger de dienst uit. Twee weken geleden veroverden opstandelingen uit Arbin een checkpoint op de brug over de ringbaan. ‘Raad eens hoe lang ze deze in handen hebben kunnen houden?’ vraagt Walid. ‘Precies één dag. En toen begon het leger te bombarderen. Bij de eerste raket trokken de opstandelingen zich meteen weer terug. Nu is de post weer in handen van het leger.’

Ook in Arbin kan het Vrije Leger niet achterover leunen. Het regeringsleger kan met artillerie, tanks en bommenwerpers nog steeds heel de stad bestrijken. Overdag laten de opstandelingen zich dan ook niet zien. Alleen ’s nachts voeren ze patrouilles uit. Lang op één en dezelfde plek blijven is voor de opstandelingen niet mogelijk.

Tussen ‘bevrijd’ en ‘bezet’ gebied rijdt gewoon openbaar vervoer: witte minibusjes (micro’s) die passagiers vervoeren van Arbin naar Damascus en omgekeerd. Bij de ringbaan controleert het leger alle voertuigen. Sommige chauffeurs werken als spionnen voor het leger. Walid vertelt: ‘Op een dag zat een vrouw uit Arbin met haar zoontje van dertien in een micro naar Damascus. “Kijk eens hoe ze Arbin verwoest hebben”, riep de jongen boos. “Ik hoop dat God hen ook verwoest.” De chauffeur had dit gehoord en gaf de soldaten bij het eerstvolgende checkpoint een seintje. Even later trokken de militairen de jongen naar buiten en gaven hem een enorm pak slaag.’

‘Gisteren is opnieuw een neef van me omgekomen. Ze hebben hem ter plekke begraven. Als martelaar’

In hetzelfde busje zat echter ook iemand van het Vrije Leger. En die had precies gezien wat er gebeurd was. Hij noteerde het nummer van de micro en belde naar zijn strijdmakkers in Arbin met de opdracht de minibus bij terugkomst tegen te houden. Toen de micro weer in Arbin aankwam, dwongen enkele gewapende opstandelingen het voertuig tot stoppen en ontvoerden ze de chauffeur. Ze gaven hem eerst een onvoorstelbare afranseling en hielden hem daarna vast als krijgsgevangene. Telkens als de mannen zich verplaatsten, namen ze de chauffeur weer mee. Of de rebellen de man uiteindelijk hebben gedood of weer hebben vrijgelaten weet Walid niet.

Wel is duidelijk dat de opstandelingen in Arbin zich niet aan de Conventie van Genève houden. Gevangen genomen leden van regerings­milities of de veiligheidsdienst worden conform de regels van de sharia geëxecuteerd wanneer ze bekennen dat zij iemands dood op hun geweten hebben. En bekentenissen worden verkregen door marteling. ‘Het is niet zo dat ze speciale marteltechnieken toepassen’, zegt Walid schouderophalend. ‘Ze slaan gewoon iemand net zo lang totdat hij bekent. En daarna schieten ze hem dood. Het is per slot van rekening wel gewoon oorlog.’

Op een gegeven moment hadden de opstandelingen het lokale hoofd van de veiligheidsdienst te pakken, maar die bleef ontkennen dat hij iets op zijn kerfstok had. ‘Hoeveel pijn ze hem ook deden, hij weigerde toe te geven dat hij opdracht had gegeven tot het martelen of doden. Eerst wilden de rebellen hem ruilen tegen een aantal gevangenen uit Arbin, maar toen het regime daar niet op inging, hebben ze hem toch maar doodgeschoten. Al was het maar om aan te tonen dat het regime geen poot uitsteekt om het leven van zijn aanhangers te redden. Bovendien is zo’n gevangene een blok aan het been. Je kunt zo iemand niet de hele tijd bewaken en overal mee naartoe nemen.’

Het Syrische regime schildert de rebellen in de staatsmedia af als boosaardige moslimextremisten uit het buitenland. Maar ook de opstandelingen voeren een propagandaoorlog. Enkele weken geleden waren drie jongens een bom aan het fabriceren die in hun handen ontplofte. Het Vrije Leger wikkelde de lichamen in doeken en verklaarde dat het burgers waren die waren omgekomen bij een bombardement. ‘Dat is niet netjes’, vindt Walid. ‘En trouwens ook niet geloofwaardig. Soms zie je onder zogenaamde burgerslachtoffers mannen met lange baarden, overduidelijk strijders van het Vrije Leger. De opstandelingen zijn echt niet onsterfelijk.’

De steun voor het regime brokkelt door het toenemende geweld en de uitzichtloosheid van het conflict steeds verder af. Walid schat dat nog maar twintig procent van de bevolking achter de regering staat. ‘Er is niemand meer die nu nog denkt dat het regime het beste alternatief is voor Syrië. Steun voor Assad komt alleen nog maar uit de hoek van de alawieten die het regime identificeren met hun eigen gemeenschap en de christenen die bang zijn dat de soennitische opstandelingen een islamitische staat willen vestigen.’

Maar het is niet zo dat alle alawieten per definitie het regime steunen. Aan het hoofd van een brigade in Arbin staat zelfs een uit het leger gedeserteerde alawitische majoor, aangesteld om de opstandelingen, voornamelijk burgers zonder militaire ervaring, te trainen in het gebruik van wapens. ‘Eerst ging dat van geen kanten’, vertelt Walid met een brede glimlach. ‘Die jongens uit Arbin waren helemaal niet serieus en haalden voortdurend grappen uit, terwijl de majoor uitleg aan het geven was. Toen de man dreigde op te stappen als hun gedrag niet zou verbeteren, beloofden de jongens beterschap. Nu is de brigade de best gedisciplineerde van de stad.’

De christenen hebben inmiddels allemaal Arbin verlaten. ‘Maar het is absoluut niet zo dat de soennieten de christenen uit Arbin hebben weggejaagd’, onderstreept Walid. ‘Ze zijn gewoon gevlucht net als de andere inwoners.’ De christelijke wijk ligt achter het plein en juist die wijk is door het leger het heftigst gebombardeerd. Daarnaast heeft zich er een aantal incidenten voorgedaan waardoor de christenen zich niet meer veilig voelden. Zo schoot een opstandeling tijdens een inval van het leger een raket af op een pantservoertuig. De raket miste doel en sloeg in bij een apotheek aan de overkant van de straat. De volgende dag pakte het christelijke apothekersgezin zijn spullen. Ook vond er enkele maanden geleden een aanslag plaats op de defensietop in Damascus, waarbij onder meer de minister van Defensie Dawoed Rajeh om het leven kwam. Dawoed Rajeh was een christen, afkomstig uit Arbin.

Het ziet er niet naar uit dat de hoofdstad Damascus ieder moment kan gaan vallen. De opstandelingen zijn momenteel bezig om wapens en manschappen de stad binnen te smokkelen, maar voor een aanval op het presidentieel paleis is het nog te vroeg. Het Vrije Leger is immers veel lichter bewapend dan het regeringsleger, dat beschikt over vlieg­tuigen, tanks en gevechthelikopters.

Desondanks gelooft Walid dat de opstandelingen uiteindelijk toch zullen winnen. ‘Wij strijden voor onze vrijheid, voor onze families en voor God. De militairen vechten voor niets, hoogstens voor het in stand houden van een regime dat toch geen cent om hen geeft. De opstandelingen zijn helden en worden door het volk ook zo behandeld. Soldaten van het regeringsleger worden door hun officieren alleen maar afgesnauwd.’

Walid verwacht dan ook dat in de komende maanden nog meer militairen zullen deserteren. Niet omdat ze per definitie aan de kant van de opstandelingen zouden staan, maar omdat zij niet inzien waarom ze hun leven zouden moeten geven in deze oorlog. ‘Het duurt nog zeker zes maanden’, schat Walid. ‘Het leger is nu nog te sterk, maar in de winter zal het moreel van de soldaten verder in elkaar zakken.’ Hij zucht. ‘Maar elke dag dat de oorlog langer duurt, zal de uitkomst slechter zijn voor Syrië.’

Was het niet beter geweest als er in Syrië helemaal geen revolutie had plaatsgevonden? vraag ik ten slotte aan Walid.

‘Dat spreekt voor zich’, antwoordt hij. ‘Wanneer ik een controlepost passeer en de soldaten zien op mijn identiteitskaart dat ik uit Arbin kom, word ik een uur lang ondervraagd, gefouilleerd en wordt mijn auto ondersteboven gekeerd. Elke dag opnieuw. Mijn neven zouden nog leven, de stad zou niet vernietigd zijn en mijn familie zou nog bij elkaar zijn. Natuurlijk zou het beter zijn als er nooit iets was gebeurd. Er is alleen geen weg meer terug. Iets anders dan de val van het regime accepteer ik niet meer.’

Dan staat Walid op om naar bed te gaan. Morgenochtend vroeg vertrekt zijn vliegtuig van Schiphol naar Syrië. Terug naar de oorlog.

‘Wil je niet blijven?’ vraag ik hem. ‘Je zou hier een vluchtelingenstatus kunnen krijgen.’

Walid schudt zijn hoofd. ‘Mijn ouders zijn nog steeds in Arbin. Die moet ik eerst in veiligheid brengen. Bovendien is mijn broer niet meer te houden. Nu zijn beste vriend is omgekomen, begint hij ook te roepen dat hij als martelaar wil sterven. Daar moet iets aan gedaan worden. Als iedereen bij ons in de familie zich aanmeldt als martelaar, dan blijft er straks niemand meer over.’ Walid zwijgt even en kijkt me dan weer aan. ‘Misschien is het het domste besluit van mijn leven, maar ik moet terug.’


Maarten Zeegers is de auteur van Wij zijn Arabieren: Portret van ondoordringbaar Syrië (2012). Walid is een van de belangrijkste personages uit zijn boek.