Er is iets gebroken, in ons allemaal

De in 2007 overleden Hanny Michaelis was zeventien-en-een-half toen de oorlog uitbrak. Beetje schuchtere scholiere op het Vossius. Joods. Geen al te ijverige leerling. Haar favoriete leraar was Jacques Presser.

Medium hanny 20michaelis 201946

Ze woonde met haar ouders aan de rand van Amsterdam, met uitzicht op de Amstel, achter de open velden gloorden Abcoude en Duivendrecht. Haar vader, Alfred, was een Duitse jood, die piano speelde en de Duitse en Franse klassiekers in hun oorspronkelijke taal las. Soms schreef hij chansons. ‘Zijn pianospel had hem mogelijk beroemd kunnen maken, ware het niet dat hij door onzekerheid niet in staat bleek tot openbare optredens.’ Haar moeder, Gonda, sprak ook meerdere talen, die ze gebruikte voor haar banen als boekhoudster en handelscorrespondente, wat haar de kostwinner van het gezin maakte.

Haar eerste dagboekaantekening schreef ze aan Martien, een jongen twee klassen boven haar, op maandag 27 januari 1939: ‘Vanmiddag heb ik duidelijk gemerkt, dat je wel wist dat ik besta (bescheiden is dat uitgedrukt he?). Toen je langs me reed, raakte je me aan, je arm ging langs de mijne, maar je keek me niet aan. Ik kreeg een ontzettende schok, maar ik riep toch heel idioot: “aw!” Ik hoop, dat je het niet hebt gehoord. Martien ik wou zo ontzettend graag dat wij bij elkaar kwamen.’ Je bent geneigd te zeggen: typisch tienermeisjesproza. Maar toen de Duitsers in mei 1940 binnenvielen was er waarschijnlijk niets nog echt typisch of vanzelfsprekend in het leven van een statenloos, joods tienermeisje. Het nu fraai verzorgd door Van Oorschot uitgegeven dagboek begint op 19 mei, wanneer ze terugkijkt op de dagen daarvoor. Op 9 mei was ze vrolijk naar bed gegaan, wetende dat de ‘Pinkstervacantie’ zou beginnen. Maar het gezin wordt gewekt door vliegtuigen en afweergeschut. Als ze het raam openschuiven en naar het westen kijken, ‘waar we Schiphol wisten’, horen ze iemand op straat zeggen: ‘Het is nou geen flauwe kul meer, je ziet de bommen en de hele rotzooi naar beneden flikkeren!’

Op het Vossius geeft rector J.C. Bruijn een felle speech die met een donderend applaus en een ‘Lange leve de Koningin!’ wordt ontvangen, en tegelijk kijkt Hanny in de aula naar Martien: ‘Iedere keer als ik je zag, je knap, jongensachtig gezicht, je kinderlijke, groenblauwe ogen, waar de zon lichtvonkjes in toverde, de overmoedige, stralende lach, kromp mijn hart ineen, omdat ik zo bang voor je was, bang voor je leven, en omdat je er zo ontzettend naïef uitzag.’ Als de Duitse troepen Amsterdam binnentrekken schrijft ze: ‘Ik voel, dat het nooit meer kan worden als voor de oorlog, ook al wordt Nederland weer een vrij land; er is iets gebroken, in ons allemaal. Misschien heeft dit moeten gebeuren – ik weet het niet; ik geloof het ook niet.’

‘Aan de vooravond van mijn achttiende verjaardag voelde ik me alsof ik 80 werd in plaats van 18 jaar’

Hanny beschrijft de zelfmoordepidemie van die meidagen, maar ze beschrijft net zozeer de triviale middelbare-schooldingen, zoals de jongen die het met een smoesje met zijn vriendinnetje uitmaakt op de fiets, en dan vlug doorfietst. ‘Ik vind het geen manier van hem.’ Hoewel Nop Maas, bezorger van de tekst, in zijn inleiding wat bestraffend zegt dat er enigszins gekort is in de passages over haar verliefdheden om het de lezer niet onmogelijk te maken, schrijft Hanny intelligent en met zelfspot over haar emotionele paradox: ze verlangt vol hartenlust naar allerlei mannen zonder dat ze daar echt naar durft te handelen, en tegelijkertijd is ze wijs of volwassen genoeg om haar eigen bakvisserigheid te doorzien. Voor haar verjaardag in december 1940 schrijft ze: ‘Tot mijn veertiende jaar vond ik het heerlijk om jarig te zijn en een stap dichter bij “grootzijn” te komen, maar toen ik zestien werd, had ik veel liever een poos 15 gebleven, en nu aan de vooravond van mijn achttiende verjaardag, voelde ik me alsof ik 80 werd in plaats van 18 jaar.’

Natuurlijk dringt de oorlog de school binnen, zeker als de joodse docenten worden ontslagen en een scholierenstaking mislukt, maar zelfs dan wordt haar aandacht eerder door hormonen bepaald dan door politiek. En door haar verlangen naar het ‘litteraire leven’. Hanny gaat naar concerten, maakt zich druk over alle jongens op school, leest essays en romans (ze is ervan overtuigd dat een van haar verliefdheden, Eldert, sprekend op Bordewijks Katadreuffe lijkt). Vaak genoeg verdwijnt de oorlog uit beeld.

Je kunt zodoende Lenteloos voorjaar om twee redenen lezen; allereerst omdat het een intieme kennismaking is met de slimme, hoekige, grappige, soms valse, dweperige maar volledig autonome geest van het meisje dat later de grote dichteres zal worden. Of je kunt het lezen om te zien hoe denkend Amsterdam de eerste twee jaar van de bezetting meemaakte, waarover werd gediscussieerd en waarover men bang was en waarop men hoopte. Lenteloos voorjaar laat vooral zien hoe razend vlug mensen zich aan veranderende omstandigheden aanpassen, hoe snel het leven doorgaat. In plaats van ‘Ik worstel en kom boven’, schreef Chris van der Heijden in zijn geschiedenis van de bezetting, Grijs verleden, was de mentaliteit in die eerste twee oorlogsjaren eerder: ‘Ik dobber en blijf drijven.’

Beide lezingen hebben iets hartverscheurends. Omdat we met de kennis van nu weten dat die ‘het-zal-wel-meevallen’-houding uiteindelijk fataal is, als de razzia’s en deportaties en het onderduiken vanaf 1942 in hun volle hevigheid beginnen (deze komen in het tweede deel van het dagboek aan bod, dat volgend jaar verschijnt), en omdat wij al weten dat veel van wat de zeventienjarige Hanny voor lief neemt, haar ouders voorop, in Sobibor zal eindigen.


Beeld: Hanny Michaelis in 1946 (Archief Uitgeverij/Van Oorschot)