Voorbij het eigen gelijk #4: Anneloes Olthof

‘Er is luchtigheid in huis gekomen’

De zorg is te veel in hokjes verdeeld: je hebt de ouderen, de zieken, de gehandicapten, de eenzamen. Er zijn geen dwarsverbanden. In een verzorgingshuis in Deventer wonen studenten en ouderen bij elkaar. ‘Er is hier een enorme wederkerigheid.’

Medium mvdggroeneanneloes7809
Mevrouw Jol en Anneloes Olthof hebben samen veel lol

‘We hebben een bijzondere band, hè?’ zegt mevrouw Jol (84) tegen de jonge vrouw in haar kamer die haar kleindochter kon zijn. ‘Met veel mensen bespreek ik alleen de dagelijkse dingen. Dit gaat veel verder.’ De jonge vrouw knikt. Anneloes Olthof heet ze en ze is 26 jaar. Op haar gezicht verschijnt een glimlach. ‘We hebben ook veel lol, toch? Weet je nog dat ik die gekneusde ribben had? Ik liep als een bejaarde.’ Mevrouw Jol, met pretoogjes: ‘Ja, gingen we samen naar de Albert Heijn. Kon je mooi je boodschappen bij mij in de rollator doen.’ Ze lachen.

Er gapen generaties tussen hen, maar toch kun je zeggen dat ze bevriend zijn. Elke donderdagavond gaat Anneloes langs bij mevrouw Jol. Hun monden staan nooit stil en in de loop van jaren zijn ze steeds persoonlijker zaken gaan bespreken. Op andere dagen wandelen ze samen buiten, of ze trekken er met een duofiets op uit. Soms drinken ze ergens wat of ze winkelen.

‘Dan kom je in kledingzaken waar je van je leven niet zou komen zonder mij’, zegt mevrouw Jol. ‘Inderdaad. Van die zaken met échte dameskleding.’

De vriendschap is nog niet eens het meest bijzondere aan hen. Ze wonen in één gebouw, dat is pas bijzonder. Allebei hebben ze een appartementje in Woon- en Zorgcentrum Humanitas in Deventer, waar plek is voor 160 ouderen en zes studenten. De studenten mogen er gratis wonen, mits ze zich houden aan één tegenprestatie: ze moeten dertig uur per maand optrekken met de ouderen. Anneloes Olthof is een van hen.

Een bezoek aan het centrum in Deventer onder leiding van Anneloes is zo’n belevenis die je na maanden nog kan verzoenen met het leven. Later denk je: waar zat ’m dat nou in? Ben je zó makkelijk in te pakken door de teksten op de bekertjes waarin de koffie wordt geserveerd? In het hele pand kom je ze tegen, naast elke koffieautomaat. ‘Je inspireert me!’ staat er op zo’n beker. ‘Durf te dromen!’ en ‘Samen kom je verder!’

Of is het de aankleding van het pand waardoor ook alle gemeenschappelijke ruimtes aanvoelen als een huiskamer? Meteen na binnenkomst komt de knusheid je tegemoet, met zitjes, lampjes en schilderijen. Ook in andere gangen zijn dit soort plekken ingericht, met weer andere meubels en tierlantijnen. In de grote eetzaal hebben de stoelen en de muren een warm oranje kleur, er is een bruin café met een stamtafel en een bar.

Maar dat is allemaal buitenkant, die je wel of niet aanspreekt. Hier is iets fundamentelers aan de hand – daar wijst ook de overweldigende belangstelling van andere zorginstellingen op. In Arnhem en Utrecht zijn soortgelijke woonvormen opgericht en in het buitenland is het enthousiasme nog groter. Directeur Gea Sijpkes heeft haar ideeën over de zorg uiteengezet in China, de Verenigde Staten, Zweden, Duitsland en meer landen. Aan zorgpersoneel in China gaat ze een training geven, op de folder daarvoor staat in het Chinees: ‘Door obstakels heen breken’.

Ook de buitenlandse pers kan niet genoeg krijgen van wat hier in Deventer gebeurt. Er verschenen artikelen in onder andere Readers Digest en Times Magazine, het laatste had de kop: ‘Is This the World’s Coolest Old People’s Home?’ Een documentaire van de Australische nieuwszender sbs, My-93-year-old Flatmate, is wereldwijd meer dan 9,3 miljoen keer bekeken. Deze dagen is een cameraploeg van TV Hongkong over de vloer om een documentaireserie te maken, As Long As You Live.

Wat heeft Gea Sijpkes gedaan dat zovelen inspireert? Ze heeft een hechte gemeenschap gecreëerd van mensen die in het dagelijks leven weinig met elkaar te maken hebben. Ze trad aan in 2012 en trof een ‘verouderde, ingeslapen’ organisatie aan, met bewoners die in de toekomst op steeds hogere leeftijd binnenkomen en geplaagd worden door steeds complexere problemen. Tegelijkertijd stond de decentralisatie van de zorg voor de deur, die veel onzekerheid met zich meebracht.

Wat kon zij aan deze situatie toevoegen? Wat wilde ze met deze zorginstelling uitstralen? Ze besloot dat Woon- en Zorgcentrum Humanitas in Deventer het gezelligste en warmste tehuis van Nederland moest worden. ‘Ik wilde het niet in dikke beleidsstukken zoeken, ik wilde iets verzinnen dat elke dag een glimlach op de gezichten van de ouderen zou toveren. Dat zit ’m niet in papier, maar in andere, kleine dingen.’

De verandering moest komen van de jeugd. ‘Jongeren hebben blije energie en doen onverwachte dingen. Ze komen uit het volle, rijke leven en dat wilde ik graag naar binnen halen. Een zere knie gaat hier niet meer over, maar we kunnen de mensen wel afleiden’, zegt Sijpkes. Bij Hogeschool Saxion in Deventer hing ze een briefje op met de vraag wie haar wilde helpen haar ideeën uit te voeren en er kwam één reactie. Met deze student, Onno Selbach, begon eind 2012 het project dat zo veel opzien zou baren.

De formule is simpel. Aan het einde van zes gangen in het Woon- en Zorgcentrum is één gratis woning bestemd voor een student, die niets anders hoeft te doen dan een ‘goede buur’ zijn. Dat betekent: geen overlast veroorzaken. Maar ook: actieve bemoeienis met de ouderen. De richtlijn is dertig uur per maand, maar Sijpkes controleert dat niet stipt. ‘Ik snap ook wel dat studenten in tentamentijd niet aan dertig uur komen.’

Dat is alles. En het werkt, ook al zijn de regels nergens neergeschreven. ‘Als ik geen regels vastleg, hoef ik ze ook niet te controleren’, zegt Sijpkes. ‘Dat is de grootste uitdaging van een bestuurder: loslaten, vertrouwen hebben.’ Ze kijkt naar iemands houding. Of zoals Anneloes Olthof zegt: ‘Je ziet het of iemand zich echt of nep interesseert voor de ouderen.’ Afgelopen jaren is één student het huis uit gezet, met alle anderen gaat het meer dan goed.

‘Jongeren hebben blije energie en doen onverwachte dingen. Ze komen uit het volle leven en dat wilde ik naar binnen halen’

Anneloes wil zelfs een poosje langer blijven dan eigenlijk zou mogen. Het project bij Humanitas is bestemd voor studenten, maar zij is vorig jaar afgestudeerd. Ze haalde haar hbo-diploma sociaal pedagogische hulpverlening en heeft nu een baan in de psychiatrie. En ze wil nog niet weg. Ze heeft het hier te leuk, veel leuker dan ze van tevoren dacht. Sijpkes laat haar: ‘Er komt vanzelf een natuurlijk moment dat ze vertrekt.’

Wat dit samenleven in Deventer vooral laat zien, is dat individuen het verschil kunnen maken. De eenling kan kloven, wat heet, hele afgronden overbruggen. Directeur Sijpkes is daarvan de belichaming, maar evengoed iemand als Anneloes. Als we door de gangen lopen, maakt ze met iedereen die we tegenkomen een praatje. Om de schouders van een oudere bewoonster legt ze een arm. Later zal ze zeggen dat zo’n gebaar belangrijk is: ‘Deze mensen worden bijna nooit meer aangeraakt.’

Anneloes woont sinds 2015 in Woon- en Zorgcentrum Humanitas, in een appartementje met een woonkamer, slaapkamer en een piepklein keukentje dat ze met veel wit, strak meubilair heeft ingericht. Haar vriend ligt te slapen, daarom zitten we niet daar, maar bij mevrouw Jol, die aan dezelfde gang haar vertrekken heeft. Hier is de sfeer totaal anders, traditioneel maar knus. Anneloes haalt koffie uit de automaat op de gang, in een paarse beker met de tekst: ‘Vier het leven.’

Ze kwam op het idee om hier te gaan wonen door een vriend, destijds een van de studenten. Hij vertelde haar enthousiaste verhalen over zijn oudere medebewoners en die spraken haar aan. Dit wilde ze ook, ouderen ‘helpen’. Haar ouders hadden haar altijd voorgehouden dat je iets voor een ander moet betekenen, dus dat ging ze doen.

Ze moet eerlijk bekennen: van de leefwereld van haar nieuwe buren wist ze weinig. Ze was 23 en studeerde, ze ging uit, had een bijbaan en maakte reizen, ze leefde in haar eigen wereldje. Bij tachtigplussers dacht ze aan bingoavonden, daarmee hield het zo’n beetje op.

Al gauw kwam ze erachter dat haar beeld eenzijdig was. Er viel hier veel meer te beleven dan bingo. Wat ze deed was ook geen ‘helpen’. Zeker, ze brengt veel tijd door met haar medebewoners, maar met ‘helpen’ heeft dat niets te maken. Net als de andere studenten verzorgt ze één avond in de week een broodmaaltijd in de eetzaal. Op andere avonden bestelt ze Chinees of maakt ze broodjes hamburger. Ze gaat met mensen naar de Intratuin, ze kijken samen naar Goede tijden, slechte tijden en drinken wijntjes. Ze lakt de nagels van haar buurvrouwen en bakt pepernoten met ze. Ze doen zoveel samen en dát is wat het is: samen zijn, bij elkaar op bezoek gaan, dingen doen.

Ze leerde ook het toontje af waarmee ze de ouderen aansprak. Veel mensen buiten een verzorgingshuis bezigen dat toontje, merkte ze, alsof ze tegen kinderen praten. Het begon in haar oren te klinken alsof je tachtigplussers niet erg serieus neemt en misschien is dat ook zo, worden zij in Nederland inderdaad gezien als: afgedaan, voorbij, geweest. Anneloes wilde er niet langer aan meedoen. ‘Ik kan het best mezelf zijn’, concludeerde ze.

Omgekeerd maakten veel ouderen eenzelfde proces door. Ook zij hadden zo hun denkbeelden over de studenten voordat die bij hen kwamen wonen. Dat wordt alleen maar overlast, was de gedachte: luidruchtige feesten en rotzooi na afloop. Het liep anders. Feestjes kunnen de studenten in hun kamers gerust houden, want de muren zijn dik. Met de rotzooi valt het mee, die wordt meestal na afloop opgeruimd.

Wat niemand had verwacht: de ouderen begonnen de strapatsen van de jongeren in het nachtleven intensief mee te beleven. Zijn ze veilig thuisgekomen? Niet te dronken geworden? Op een ochtend zat er een student aan het ontbijt in de eetzaal. ‘Zo, jij bent vroeg uit bed’, was het commentaar van de ouderen. ‘Nee’, antwoordde de student, ‘ik moet nog naar bed.’ Het leidde tot hilariteit en nieuwe gespreksstof. ‘Ze maken natuurlijk niet zo veel mee’, zegt Anneloes. ‘Dus als ik aan iemand vertel over het uitgaan of een vakantie op Bali, dan vertelt diegene het weer aan iemand anders. Het is alsof ze het zelf meemaken.’

De sfeer is veranderd sinds de studenten hier zijn komen wonen, constateert Gea Sijpkes. ‘Er is luchtigheid in huis gekomen. De gesprekken zijn van toon veranderd en er gebeuren heel nieuwe dingen. Op een dag kwam ik hier en hingen overal groene ballonnen. Een andere keer zaten er bewoners met hun voeten in een voetenbakje, omdat er een verwenavond was. Als personeel leren wij ook van de studenten: hoe gek je met de bewoners kunt doen.’

Mevrouw Jol kan erover meepraten. Ze herinnert zich hoe ze vlak voor een carnavalsfeest meedeelde dat ze zich niet in een raar pak ging hijsen. ‘Ik ga niet voor gek lopen hoor, ik doe het niet’, zei ze beslist. Toen ze op het feest kwam, bleek dat de studenten doodleuk een outfit voor haar hadden uitgezocht. Op een foto laat ze zien hoe ze eruitzag: rode glitterjurk, punthoedje op het hoofd. Ze heeft bepaald geen droevige blik.

Mevrouw Jol kwam hier in december 2014. Ze woonde in Deventer in haar eentje op vier hoog, in een flat zonder lift. Dat werd lastig toen ze steeds slechter begon te lopen. Op het laatst kwam ze nauwelijks nog buiten. ‘Je wordt heel eenzaam op den duur’, zegt ze. Bij Humanitas leefde ze op. ‘Het is hier licht en vol leven.’

Wat ze waardeert aan het samenleven met studenten is dat ze van elkaar leren. ‘Wij slijpen elkaar’, zegt ze. In wat bijvoorbeeld? ‘Wij ouderen zijn verbaasd over de openheid van de jongeren. Dat is een dimensie die wij niet kennen.’

Op een ochtend zat er een student aan het ontbijt. ‘Jij bent vroeg uit bed’, zeiden de ouderen. ‘Nee, ik moet nog naar bed’

‘Wij ouwehoeren meer’, vat Anneloes het samen. Als ze mevrouw Jol ziet lopen met een gewichtje aan haar been dat haar spieren moet oprekken, zegt ze: ‘Heb je je enkelband weer om?’ Dat soort humor is nieuw voor mevrouw Jol, maar ze kan het wel waarderen. ‘Door de jonge generatie ben ik me zelf ook vrijer gaan voelen.’

‘Dat hoor ik vaak, dat de ouderen door ons losser worden’, zegt Anneloes.

En wat leren de jongeren van de ouderen? Daar hoeft Anneloes niet lang over na te denken. ‘Dat je moet genieten van het leven, het is zo voorbij.’

Ze merkt dat sommige bewoners heel boos zijn over de levensfase waarin ze verkeren. Ze moesten hun eigen huis verlaten, met achterlating van een groot deel van hun spullen. ‘Ze hebben het vaak over hun oude huis, ze missen het.’ Ze worden lichamelijk minder, waardoor ze niet meer alleen boodschappen kunnen doen. Het maakt sommigen erg negatief. Als bij de broodmaaltijd dan de beschuit op is, kunnen ze meteen chagrijnig worden. ‘Ik maak dan altijd iets anders lekkers’, zegt Anneloes.

De dood hoort er hier bij. ‘Ja, we zijn hier om te overlijden’, zegt mevrouw Jol nuchter.

‘Maar ik niet’, roept Anneloes.

‘Nee, jij niet’, lacht mevrouw Jol.

Dat is het enige nadeel aan wonen tussen ouderen, vindt Anneloes: ‘Er overlijden hier soms wel drie, vier mensen in de week. Dat is moeilijk hoor.’ Een week eerder kreeg haar buurvrouw een hersenbloeding waar ze bij was. Anneloes bracht haar koffie en zag dat ze bijna niet meer in haar stoel kon komen. De ambulance werd gebeld en intussen hield Anneloes haar hand vast. ‘Ik heb haar liefde gegeven tot het laatste moment.’ De volgende dag overleed ze.

Het gevolg is dat de meesten hier makkelijk over de dood praten. De dood is geen zwaar, moeilijk onderwerp. Het hielp haar toen haar vader vorig jaar mei op zijn zestigste overleed. ‘Iedereen vond het heel erg voor mij, iedereen was lief. Ik ben echt opgevangen hier. Als ik naar huis ging, wist ik: ik ben niet alleen.’ Ze kan het beter zo zeggen: ‘Ik ben hier nóóit alleen. Ik stap mijn kamer uit en ben tussen de mensen.’

Gea Sijpkes merkt het bij al ‘haar’ studenten: ze ervaren Woon- en Zorgcentrum Humanitas als een warm nest. ‘Als ze een tentamen hebben, leeft iedereen met ze mee’, zegt ze in haar directiekamer. ‘Er is hier een enorme wederkerigheid. Studenten doen wat voor de ouderen en andersom.’

De goede ervaringen hebben haar de deuren doen openen voor andere groepen. In een soort aanleunwoningen in de buurt wonen vier mensen met een verstandelijke beperking, die kunnen steunen op het Woon- en Zorgcentrum en er klussen doen. Verder zijn vluchtelingen welkom, tienermoeders, autisten, allerlei mensen. Er is zo een nieuwe gemeenschap ontstaan, die lijkt op de traditionele manier van samenleven toen alles en iedereen nog op elkaar was aangewezen.

Sijpkes vindt dat de zorg te veel in hokjes is verdeeld: je hebt de ouderen, de zieken, de gehandicapten, de mensen met schulden of psychische klachten, de eenzamen. Nergens zijn er dwarsverbanden, nergens betekenen ze iets voor elkaar. ‘Mensen krijgen stempels op gedrukt, waarbij wordt benadrukt wat ze niet kunnen. Bij ons is iedereen welkom en mag je iets doen wat je juist goed kunt. Je merkt dat mensen zich gewaardeerd voelen.’

De deur van haar kamer staat altijd open, zodat iedereen in en uit kan lopen. Nu komt Mark binnen, een jongeman uit een van de aanleunwoningen. Mark brengt pakketten rond in het Woon- en Zorgcentrum. ‘En ik hou Gea in de gaten, want ze werkt ontzettend veel over’, zegt hij. Sijpkes begint te lachen. ‘Dan brengt hij me eten. We zijn heel lief voor elkaar, hè Mark.’

Anneloes begint opnieuw over haar buurvrouw die ze zo’n beetje voor haar ogen zag doodgaan. ‘Ik ben tot het laatst bij haar gebleven, ik heb haar niet alleen gelaten’, zegt ze.

‘We helpen elkaar’, zegt Mark. ‘En dat staat niet in een contract.’ Hij springt op, hij moet weer aan het werk. Anneloes loopt mee naar de uitgang. Naast de koffieautomaat en een stapel bekers met opwekkende teksten zit een oude mevrouw. ‘U komt toch uit Indonesië?’ vraagt Anneloes. De vrouw knikt. ‘Weet u dat ik daar ben geweest? Ik ken zelfs een paar woordjes Indonesisch.’

Anneloes lijkt niet moe te worden. Ze zei het al: ‘Maar ik krijg veel meer terug dan ik geef.’