Essay Moderne Indologie

Er is nalatigheid gepleegd!

In december riepen Adriaan van Dis, Nelleke Noordervliet en anderen de regering in NRC Handelsblad op om de Indonesische onafhankelijkheid te bepalen op 1945 en niet op 1949. Maar die datum is al lang aanvaard. De oproep is voor binnenlands gebruik bedoeld en negeert vragen die echt nijpend zijn.

Waar gáát dit over? - een vraag die bij velen opkwam na lezing van het ingezonden stuk over de schuld aan Indonesië dat Adriaan van Dis, Nelleke Noordervliet, Nico Schulte Nordholt en anderen publiceerden in NRC Handelsblad (22 december 2009, zie kader). Het stuk behandelt het ontstaansmoment van de Indonesische onafhankelijkheid, een kwestie die in Nederland lange tijd een heet hangijzer was. De Indonesiërs riepen namelijk tijdens het gezagsvacuüm direct na de Tweede Wereldoorlog eenzijdig de Republiek Indonesië uit, op 17 augustus 1945. Pas vier chaotische en gewelddadige jaren later, op 27 december 1949, volgde de soevereiniteitsoverdracht van Nederland aan Indonesië. Door deze incompabiliteit van nationale kalenders is er lange tijd een hobbel geweest in de betrekkingen tussen Nederland en Indonesië, met als dieptepunt het mislukte staatsbezoek van Beatrix aan Jakarta in 1995. Maar de strijd om de ‘juiste’ onafhankelijkheidsdatum heeft vooral binnen Nederland grote symbolische betekenis gekregen, omdat de dekolonisatiegeschiedenis van de betrokken bevolkingsgroepen (totoks, Indo’s, Indië-veteranen en Molukkers) er dramatisch mee verknoopt is geraakt. Dat kwam de verwerking van het verleden zeker niet ten goede. De vraag, bijvoorbeeld, of de inzet van de Indië-veteranen wel of niet gerechtvaardigd was geweest kon soms worden teruggebracht tot een kwestie van de 'juiste’ datum. De kwestie bleek verder door de jaren heen een uitstekend platform om uiteenlopende vormen van politieke correctheid te etaleren.
Aan alle onduidelijkheid - 1945 of 1949? - werd echter in augustus 2005 een einde gemaakt door minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot, die in Jakarta de zestigjarige onafhankelijkheidsviering bezocht. Ter gelegenheid daarvan liet hij weten dat het Nederlandse kabinet en volk ruimhartig aanvaarden, in politieke én morele zin, dat op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië de facto begon. Bot (een 'Indische jongen’, zoals hij zichzelf toen noemde) was de eerste Nederlandse regeringsvertegenwoordiger die deze feestelijkheden bijwoonde - nadat hij daar persoonlijk de Indische gemeenschap over had geïnformeerd. De consequenties van Ben Bots stap hadden namelijk minstens evenveel betekenis binnen de Nederlandse postkoloniale verhoudingen als voor de bilaterale relatie. Door mee te feesten gaf hij te kennen dat '1945’ voor Nederland toen, zestig jaar later dus, een politiek en moreel feit was. Meer kon Bot niet doen; de staatsrechtelijke, formeel-juridische overdracht had nu eenmaal in 1949 plaatsgevonden en die kon en kan niet worden geantedateerd. De staat Indonesië werd dus in 1949 geboren en de onafhankelijkheid ontstond in 1945 - lastig, maar koloniale geschiedenis kent wel meer rafelranden. Indonesische blijdschap hoort bij 17 augustus 1945; Nederlands verdriet bij 27 december 1949. Dit zijn momenten die niet samengaan, evenmin als de haastig in elkaar gestikte, eerste rood-witte vlag en de fraaie, extravagante rouwjapon van koningin Juliana tijdens de overdracht.
Indonesië aanvaardde de verklaring van Bot. Voorzover een koloniale kwestie de wereld uit kan zijn was de zaak dus de wereld uit, zelfs voor de in dit opzicht als hardnekkig bekendstaande Indië-veteranen (bij monde van de voorzitter van de Vereniging Oud Militairen Indiëgangers Minne Vis in Nova, 15 augustus 2005).
Maar níet voor Adriaan van Dis c.s. en het Comité van Aanbeveling, zoals bleek uit het dringende verzoek dat de kern van hun stuk vormde: 'Regering! Erken 17 augustus 1945 als de datum van de Indonesische onafhankelijkheid!’ Naar aanleiding van de zestigjarige soevereiniteitsoverdracht stellen de opstellers van het stuk voor om de geschiedenis sinds 1945 te herschrijven door 'de officiële verhaallijn’ (de regeringsbeslissing in 1945 om de Indonesische onafhankelijkheid niet te erkennen) en 'het andere verhaal’ (de feitelijke gebeurtenissen tussen 1945 en 1949) bijeen te brengen en 'een plaats te geven in de gezamenlijke geschiedenis’. 'Aanvaarden’ is namelijk niet hetzelfde als 'erkennen’, vinden Van Dis c.s. Maar de vraag is: waarom niet? Het expliciet bevestigen van het bestaan van historische politieke feiten - 'ja, zo was het toen’ - kan zowel 'erkennen’ genoemd worden als 'aanvaarden’; dat maakt geen enkel verschil, er is in beide gevallen geen voorbehoud. Het ging Bot hier niet om een handeling met (staats)rechtsgevolgen. Het ging hier om een politiek gebaar. Kortom: wat lange tijd goed te maken viel in de betrekkingen met Jakarta heeft Ben Bot in 2005 zo vakkundig mogelijk rechtgezet, iets waarover in brede kring consensus bestaat. De betekenis van de NRC-oproep moet dus volledig in de context van de binnenlandse Nederlandse postkoloniale situatie worden gezocht. Het is kennelijk weer tijd dat er ereschuld wordt beleden en daar moet - weer - het voortouw in genomen worden.
Na zestig jaar neemt in plaats van een 'herdenkingscultuur’ het postkoloniaal debat eindelijk een haperende aanvang. Het moment is nu gekomen om de voorbije conjunctuur van koloniale schuld en boete nader te analyseren. Wie bespeelden al die tijd beroepshalve het Indische dekolonisatietrauma en wat was de inzet?

Stelling: deze hoogstnoodzakelijke en verlate discussie heeft alleen kans van slagen als alle betrokkenen daaraan op gelijke voet deelnemen. Vooral de stem van leden van oude generaties, die de gebeurtenissen in Nederlands-Indië en Indonesië uit eigen ondervinding kennen, is onmisbaar; zeker van degenen onder hen die ook in eigen kring hebben gezwegen over hun ervaringen. Een vruchtbare postkoloniale gedachtewisseling moet meerstemmig zijn, iets wat in Nederland pas sinds kort en met dank aan het internet tot de goegemeente is doorgedrongen. Een goed teken daarvan is dat ook steeds meer Amerikaanse, Canadese en Australische Indische Nederlanders zich nu met hun eigen, nogal afwijkende verhalen in die gedachtewisseling mengen. Deze emigranten (zij reisden enige tijd na aankomst in Nederland door naar andere werelddelen) spreken bijvoorbeeld opvallend onbekommerd over de grove discriminatie die hun in Nederland ten deel viel, zoals onder meer blijkt uit de documentaire Contractpensions - Djangan Loepah! (2009) van Hetty Naaijkens-Retel Helmrich.
De oproep in NRC Handelsblad lijkt door dit alles een overleefd fenomeen: het appèl van een zelfbenoemde club 'prominenten’, die de regering een advies geeft over het buitenlands beleid jegens de ex-kolonie. Opvallend immers is dat de ettelijke wetenschappers die het Comité van Aanbeveling telt vrijwel allemaal de status van hoogleraar bezitten, kennelijk om gewicht aan de oproep te verlenen. Zou dit de reden zijn van de boze en smalende postings die het ingezonden stuk heeft losgemaakt op het internet? Want het is niet alleen met voorbijgaan aan de diplomatieke status-quo dat de oproep werd gedaan. Het is ook met voorbijgaan aan de nieuwe meerstemmigheid die te beluisteren valt - en niet alleen digitaal - in de verhalen die samen de postkoloniale overlevering uitmaken. Het opduiken van een culturele en wetenschappelijke elite die zich meester waant van de postkoloniale overlevering stuit op groeiende weerstand, zoveel is duidelijk.
Een opmerkelijke passage uit het ingezonden stuk is in dit verband de volgende: 'Veel Nederlanders, vooral uit de generaties die nog nauwe banden hebben met Indonesië, willen deze al zestig jaar bestaande nalatigheid [de “niet-erkenning”] wegnemen. Als het niet gedurende hun leven plaatsvindt, zal het in de vergetelheid raken en door jongere generaties als afgedaan worden beschouwd.’ Dit is alleen al een twijfelachtige suggestie omdat juist deze mensen, de bejaarde Indische Nederlanders (vooral Indo’s), vaak bleek wegtrekken bij het horen van de datum 17 augustus 1945. In hun beleving was deze dag namelijk niet zozeer de datum van de onafhankelijkheidsverklaring als wel het startmoment van de bersiap-terreur, die aan duizenden van hun familieleden het leven zou kosten.
Maar nog vreemder is dat deze regels letterlijk betrekking zouden kunnen hebben op het postkoloniale schandaal van de backpay, de bot volgehouden weigering van de Nederlandse regering om de achterstallige salarissen en pensioenen van geïnterneerden uit de Japanse bezettingstijd uit te betalen. Deze onrechtvaardigheid heeft Indische Nederlanders, Indo’s én totoks, sinds 1945 slapeloze nachten bezorgd. Vele rechtszaken, demonstraties, Kamervragen, Haagse lobby’s, dreigbrieven en petities hebben geen verandering in de situatie gebracht (de andere geallieerde naties hebben deze schuld aan hun werkkrachten direct na de oorlog voldaan). Frappant is dat dezelfde wetenschappers die nu de NRC-oproep aanbevelen tijdens hun lange loopbaan nooit een soortgelijke oproep aan de regering hebben gedaan in de backpay-kwestie, een 'nalatigheid’ die in de Nederlandse postkoloniale context veel groter en ernstiger is dan wat dan ook in de betrekkingen met Indonesië. Voor deze wetenschappers bestond de backpay als postkoloniaal zorgwekkend of zelfs maar interessant fenomeen niet. Een van hen bestempelde deze strijd onlangs zelfs als 'Indoclaimcultuur’ - gezeur in de marge, de kolonialen hebben pech gehad.
Het is een veeg teken dat de formulering van de gewraakte passage bij geen van de academische experts een alarmbel heeft doen afgaan. Evenmin zag iemand op tijd in dat de hele vorm, inhoud en strekking van het stuk nogal unzeitgemäss overkomen. In plaats van tot een last-minute antikoloniaal pamflet had de zestigste verjaardag van de soevereiniteitsoverdracht óók aanleiding kunnen zijn tot een oproep om het begin van de postkoloniale migratie te herdenken - oftewel het begin van de verkleuring van Nederland. Daarmee zou een cruciaal moment in de Nederlandse geschiedenis in verband zijn gebracht met wat er nu speelt in de samenleving, herkenbaar voor iedereen, ook en juist voor de nieuwe Nederlanders. Toegegeven, het vaste koloniale thema schuld en boete ontbreekt in deze benadering. Voor de nationale morele voorhoede valt aan zo'n herdenking weinig eer te behalen.

De academische postkoloniale blikvernauwing is niet van vandaag of gisteren. Kennis over Indië/Indonesië heeft altijd een bijzondere, jaloers bewaakte plaats ingenomen in de bovenste regionen van de Lage Landen. Misschien kwam dat wel omdat al vroeg werd beseft dat de Hollandse voorsprong in de Oost te danken was aan de (aanvankelijk) geheime kennis over zeevaartroutes van de ontdekkingsreiziger Jan Huygen van Linschoten. Na jarenlang in dienst te zijn geweest van de concurrerende Portugezen in Azië gaf hij zijn kennis prijs in de in Amsterdam verschenen 'reisgids’ Itinerario (1596). Het was grotendeels aan hem te danken dat in 1602 de voc kon worden opgericht.
Hoe vervolgens door de eeuwen heen 'Europese’ wetenschap en 'Indische’ kennis over land, taal en volk al of niet onder één noemer te brengen waren, door wie en waarom, illustreert op een fascinerende manier het oude adagium 'kennis is macht’. Het waren namelijk niet de kooplieden, planters of gouvernementsdienaren maar de geleerden die Nederlands-Indië in de ware zin des woords in bezit namen. Uit hun midden is gaandeweg een academisch-koloniale elite voortgekomen die, door een vreemde samenloop van omstandigheden, nu pas de laatste adem aan het uitblazen lijkt.
Kennis - antropologisch, agrarisch, geologisch of linguïstisch van aard - was, naast wapengeweld, de sleutel tot optimale exploitatie van de kolonie. Daarom bevonden wetenschappers zich doorgaans dicht bij de prestigieuze top, vaak in dienst zelfs, van het gouvernement, zonder de handen vuil te hoeven maken aan geweld. Inheemse kennis, local knowledge, was aanvankelijk waardevol maar ook gezagsbedreigend omdat deze vorm van kennis niet onder controle was. Het fenomeen 'kennis’ als westers concept kende geen vergelijkbare inheemse vertaling: local knowledge was voor de Nederlanders een ongrijpbare factor die tot in het religieuze en bovennatuurlijke reikte. Dat Indo’s in de kolonie vanaf de negentiende eeuw als notoir onbetrouwbaar werden afgeschilderd had voor een groot deel hiermee te maken, want omdat ze uit twee kennissystemen konden putten (alleen al wat taal betrof), werden ze vaak beschouwd als potentiële verraders en overlopers. Goed onderwijs werd hun om deze reden onthouden. Multatuli heeft deze gang van zaken aangeklaagd in Max Havelaar (1860): 'Ik moet erkennen dat ik (…) zeer dikwyls “liplappen” [Indo’s] heb leren kennen, die me deden verbaasd staan over de omvang hunner kennis, en die my op het denkbeeld brachten dat wy Europeanen, hoeveel hulpmiddelen ons ook ten-dienste stonden, dikwyls - en niet vergelykenderwyze alleen - verre ten achter staan bij die arme pariah’s die van de wieg af hadden te strijden met kunstmatig-onbillyke terugzetting en ’t zot vooroordeel tegen hun kleur.’
De vermeende, hoogst gevaarlijke ambiguïteit van 'Indische’ kennis voor het koloniale bestuursapparaat is mooi beschreven in De stille kracht (1900) van Louis Couperus. De blanke angst voor het 'zien’ van een 'witte hadji’ stond symbool voor de vrees voor vreemde en almachtige, 'islamitische’ vormen van kennis, voor goena-goena (magie), met behulp waarvan de onderdrukte inlandse massa’s in een allesvernietigende opstand zouden komen. Westerse kennis wekte de schijn van volledige controle in de vorm van een overmaat aan statistieken, rapporten, lexicons en tabellen. De koloniale onderneming werd namelijk gaandeweg een kwantitatief kennisproject, met een obsessie voor optellen, aftrekken, omslaan en percenteren. Daarnaast bleef ook de wetenschappelijke verbeelding geprikkeld door de geheimzinnige kolonie in de Oost. Bevlogen wetenschappers, zoals bijvoorbeeld de 'Javanologen’, drongen diep door tot het donkere hart van de dessa, waar ze tot hun ergernis soms ook Indo’s tegenkwamen die het etnologische beeld bedierven.
Na 1900 ging in het koloniale project het idee van de 'beschavingsmissie’ overheersen. Tijdens de later daarop volgende moderniseringsslag werden rationaliteit en efficiency niet alleen sleutelwoorden voor het koloniale bestuur, maar ook voor de Indonesische nationalistische beweging. Niet alleen de angst voor local knowledge, maar ook de marktwaarde ervan was tot het nulpunt gezakt. In de laatkoloniale tijd gingen de leidinggevende en andere belangrijke posities bij overheid en bedrijfsleven zonder uitzondering naar 'door Holland uitgezonden krachten’, ook al waren lokale werknemers prima geschikt. Prestige en kennis hadden in Tropisch Nederland een exclusief blank voorkomen gekregen. De Indologische opleiding, bedoeld voor een carrière in Nederlands-Indië, kon alleen aan Nederlandse universiteiten worden gevolgd en leverde experts af die nooit een voet in de tropen hadden gezet. De frisse, Europese blik moest in de kolonie namelijk constant worden aangevoerd, anders zou de boel 'verindischen’: verslonzen, verslappen en moreel degenereren. En los van Holland raken.
De bewust gecreëerde hiërarchie in de legitimiteit van de bronnen van kennis over Nederlands-Indië was een belangrijke pijler van de koloniale orde. Zoveel mogelijk wetenschappelijke kennis en bronnen over de geschiedenis, taal en cultuur van de volken van Nederlands-Indië moesten zich in Nederland bevinden, werden daarom verscheept en samengebald in de archieven van het Leidse Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (kitlv; naar eigen zeggen nog steeds de grootste collectie op dit gebied ter wereld).
Het wetenschappelijke kennismonopolie werkte in de praktijk zó autonoom dat de soevereiniteitsoverdracht in 1949 geen einde maakte aan het koloniaal-wetenschappelijke paradigma van 'inbezitneming’. De soevereiniteitsoverdracht gold als het ware voor iedereen in Nederland, behalve voor de opvolgers van de Indologen, de 'Indonesianisten’, die Indonesië op een eigen, academische manier bleven bezitten. Alleen werd voortaan, met behoud van voormalig gedachtegoed, in plaats van het koloniale project de antikoloniale zaak gediend. Dat was ten dele een kwestie van bordjes verhangen. De koloniale beschavingsmissie werd heroverwogen, bijgesteld en heette voortaan 'bilaterale ontwikkelingsrelatie’. De Javanologen gingen ondertussen als vanouds verder met hun onderzoeksverrichtingen, totdat Soekarno in 1957 alle Nederlanders het land tijdelijk uitzette.
Het oude koloniale kennismonopolie kon zichzelf in Nederland overleven door survivor discourse zorgvuldig gescheiden te houden van expert discourse: 'bruine’ kennis en ervaring over Indië/Indonesië en 'witte’ academische kennis daarover, de nieuwe Indonesiëkunde, bleken incompatibele grootheden. Als vanzelfsprekend werd de meegebrachte, enorme vracht aan kennis over de kolonie van gekleurde Indische Nederlanders van een andere orde geacht dan de academische expertkennis. Die 'gekleurde’ kennis vormde immers een latente bedreiging van het academische koloniale kennismonopolie. Vanuit het nieuwe antikolonialistische sentiment werden postkoloniale migranten vaak beschouwd als foute kolonialen, die al of niet omzagen in wrok. Ze hoefden lange tijd niet op wetenschappelijke belangstelling te rekenen, behalve als de regering om rapportages over hun assimilatie vroeg.
Een uitzondering in dit krachtenveld vormde de jurist en socioloog Wim Wertheim, die als elfjarige uit Rusland naar Nederland was gemigreerd en in 1946 als postkoloniale migrant terugkeerde uit Nederlands-Indië, waar hij bestuursambtenaar en hoogleraar was geweest. In 1947 hield hij zijn oratie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, getiteld Het sociologische karakter van de Indo-Maatschappij, een bespreking van de maatschappelijke positie van Indo’s in vooroorlogs Nederlands-Indië. Daarin noemde hij het opmerkelijke aantal van acht tot negen miljoen niet door de (Europese) vader erkende Indo’s, die op dat moment te midden van andere Indonesiërs zouden leven. Wertheim breidde zijn onderzoeksterrein geleidelijk uit van Indonesië, via 'Zuidoost-Azië’, tot de 'niet-westerse’ wereld en zou, als voorvechter van de Indonesische onafhankelijkheid, de positie van Indo’s in Indonesië noch in Nederland verder onderzoeken. Hij werd grondlegger van een nieuwe empirische sociologie in Amsterdam, waar hij geruime tijd een school navolgers aanvoerde. (Een van zijn grote Indonesische onderzoeksprojecten moest door Soekarno’s uitwijzingsactie in 1957 verplaatst worden naar India, waardoor een lichting gedoodverfde Indonesianisten onverhoopt in 'Zuid-Aziëspecialisten’ veranderde.) Na 1965 keerde hij zich tegen het Soeharto-regime en werd onder meer voorzitter van het in 1968 opgerichte Komitee Indonesië en van de Stichting Informatie Indonesië. Wertheim nam van aanvang af veel meer de plaats in van een activist in het Nederlandse dekolonisatieproces dan van een wetenschapper; ook daarmee maakte hij school.
In 1962 verloor Nederland, als sluitstuk van de Indische dekolonisatie, ook Nieuw-Guinea met de nodige pijn aan Indonesië. In de jaren daarna leek de tijd rijp te worden voor een reflectie op het koloniale verleden. De inburgering van de migranten verliep naar wens en er was politiek, wetenschappelijk en sociaal ruimte voor bezinning op het dekolonisatieproces - 'Indië’ was in een windstilte geraakt.
Maar in de tweede helft van de jaren zestig gooiden verschillende ontwikkelingen roet in het eten. In de eerste plaats kwam er grote hernieuwde aandacht voor de Tweede Wereldoorlog, die ten koste zou gaan van hernieuwde maatschappelijke aandacht voor de dekolonisatie. Drie andere ontwikkelingen waren de machtsovername in Jakarta door de militair Soeharto, die zich spoedig zou ontpoppen tot reactionaire dictator; het links-radicaal geïnspireerde oproer dat wereldwijd aan de universiteiten plaatsvond (in Amsterdam met de Maagdenhuisbezetting); en de explosie van paniek in 1969 nadat op de Vara-televisie melding was gemaakt van door Nederlandse soldaten begane oorlogsmisdaden tijdens de 'politionele acties’. De Indië-veteraan Joop Hueting wilde op deze manier het grote zwijgen hierover doorbreken, nadat kranten als Het Parool, Nieuwe Rotterdamsche Courant en zelfs Propria Cures publicatie van zijn sinds 1957 ingezonden brieven niet hadden aangedurfd (de Volkskrant ging ten slotte wel over tot plaatsing).
De gevolgen van het openen van de doofpot waren opzienbarend. De brede linkse verontwaardiging over Amerikaans imperialisme in Vietnam sloeg om in een groot, maar deels onderdrukt schuldbesef over het eigen imperialisme in 'Zuidoost-Azië’. Niet alleen de Indië-veteranen, maar iedereen afkomstig uit Nederlands-Indië kwam opnieuw, als voormalige onderdrukker en uitbuiter, in het postkoloniale verdachtenbankje terecht. Het simpele goed/fout-schema dat in de jaren tachtig ook in Loe de Jongs Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog werd toegepast op de koloniale samenleving en de 'politionele acties’ zou leiden tot bitter protest onder Indische groepen en Indië-veteranen.
In de jaren zeventig sloeg de politiseringsgolf in institutioneel Nederland onontkoombaar toe, vooral aan de universiteiten. Een academische voorhoede, in haar lange mars naar een gedroomde progressieve orde, leverde tot vér over de grenzen reikende maatschappijkritiek. Ook jonge, al dan niet door Wertheim of een koloniale familieband geïnspireerde Indonesianisten sloten zich bij de gelederen aan. Linkse thema’s dienden zich als vanzelf aan. Met zoveel onrecht, onderdrukking en achterstand in Indonesië en een groot koloniaal schuldtrauma in eigen land hoefden de moeilijke en genuanceerde postkoloniale onderzoeksvragen niet gesteld te worden.
Nadat het stof van de affaire-Hueting was neergedwarreld, bleek de academische tendens om 'Indië’ en 'Indonesië’ voortaan uit te baten als moreel-wetenschappelijk win-gewest blijvend aangeslagen. Daarbinnen was geen plaats weggelegd voor zelfreflectie, laat staan voor zelfkritiek. Het academisch verketteren van het steeds repressiever optredende Soeharto-regime leek in een onduidelijk en onuitgesproken, maar comfortabel verband te komen staan met de inlossing van de koloniale schuld van vorige generaties.
Ook was lange tijd nauwelijks plaats voor Indische postkoloniale migranten als object van onderzoek. In 1986 richtten Indische Nederlanders daarom een wankel 'Indisch Wetenschappelijk Instituut’ op - het doel was om alsnog zelf zoveel mogelijk van de Indische koloniale geschiedenis op te tekenen en te verzamelen. De laatste twintig jaar is er wél programmatisch wetenschappelijk onderzoek naar de lotgevallen van Indische postkoloniale migranten gedaan, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de driedelige reeks De geschiedenis van Indische Nederlanders (2003-2006). Dit onderzoek kwam echter tot stand na lang aandringen van, en als overheidscompensatie voor deze groepen (de bekende 'sigaar uit eigen doos’).
Dat was ook het geval met Indische rekening van Hans Meijer (2005; over de backpay-kwestie in internationaal perspectief) en Peter Keppy’s Sporen van vernieling (2006; over het rechtsherstel van Indonesische oorlogs- en dekolonisatieschade tussen 1940 en 1957) - samen onderdeel van het Niod-onderzoeksprogramma Van Indië tot Indonesië. Mijn boek Ons Indisch Erfgoed (2008; over zestig jaar depolitisering van de Indische culturele erfenis en identiteit), het eerste deel van de driedelige knaw-serie Postkoloniale geschiedenis in Nederland, is sinds het verschijnen in academische kring op algeheel stilzwijgen gestuit.

Dat het confronterende, openbare postkoloniale debat zestig jaar lang niet van de grond is gekomen is, achteraf bezien, dus ook een generatiekwestie. Een laatste generatie wetenschappers, geboren rond 1949, kon op oude voet doorgaan met het claimen van 'Indië’ en 'Indonesië’; ditmaal als site waar zowel een ontijdig, schuldbewust antikolonialisme kon worden geëtaleerd als waar tientallen jaren kritisch maar vrijblijvend de Indonesische mensenrechtensituatie, corruptie, verkiezingsfraude et cetera konden worden gemonitord. Dat leidt nu tot een wat huichelachtige situatie, want deze wetenschappers vragen om de herhaalde, expliciete erkenning van een staat die ze niet-aflatend hebben bekritiseerd en afgebroken, ook na het vertrek van Soeharto. Zo noemde professor Henk Schulte Nordholt Indonesië nog in 2002 een 'bandietenstaat’.
In de NRC-oproep wordt op gezwollen toon gerept van 'het recht van een volk zelf te beslissen’ - bedoeld wordt 'het volk van Indonesië’. Maar dat 'volk’ bestond en bestaat helemaal niet: in de archipel verspreid leven tientallen sterk verschillende bevolkingsgroepen. Het voltallige Comité van Aanbeveling weet als geen ander dat, van 1945 tot heden, de vrijheidsdrang van ettelijke volkeren in de archipel (onder meer in de Zuid-Molukken en Papoea) met kracht gesmoord wordt door het in Jakarta zetelende, door Javanen gedomineerde centrale bewind. De Molukse separatist John Teretisa bijvoorbeeld kreeg nog in 2008 levenslange gevangenisstraf voor het hijsen van de rms-vlag in Ambon tijdens een bezoek van president Yhudhoyono.
Uit dit alles blijkt eens te meer dat de oproep in NRC aan de regering alleen voor binnenlands gebruik is bedoeld. Het was toch ook de Nederlandse overheid die de academische sector het mandaat én de fondsen gegeven heeft om zich exclusief met de verwerking van 'ons Indië’ bezig te houden?
De zelffelicitaties zullen veelvuldig opklinken rond de geurige Indische buffetten, als straks de laatste opvolgers van de Indologen met emeritaat gaan. In hun 'progressieve’ onderzoeksagenda’s was veertig jaar geen plaats voor de moeilijke vraag hoe de bersiap precies in zijn werk is gegaan en hoeveel moorden er zijn gepleegd; hoe hoog de prijs was van de 'geruisloze integratie’ van Indische Nederlanders; hoe de postkoloniale machtsverhoudingen de Nederlandse politiek hebben beïnvloed; hoe de 'achtergebleven’ Indische Nederlanders uiteindelijk in Indonesiërs zijn veranderd; hoe de Indische cultuur van de totoks in Nederland eruitzag; waarom zoveel Indo’s niet in Nederland wilden en konden blijven; hoe Indo’s kunnen worden vergeleken met overeenkomstige groepen in andere ex-koloniale mogendheden; hoe en wanneer de achtduizend islamitische Indo’s in Nederland zijn geïntegreerd. Al deze onderzoeksvragen en nog andere, die aan de basis liggen van een serieus Indisch postkoloniaal debat, zijn niet gesteld toen dat nog niet te laat was.
Professor Gert Oostindie, directeur van het kitlv en auteur van Postkoloniaal Nederland (2009), beweerde in december dat het postkoloniale debat onderhand wel aan afronding toe is. Een beoordelingsfout. De echte discussie over en bezinning op de hedendaagse sociale en politieke betekenis van het koloniale project, inclusief het Westindisch avontuur, is nog nauwelijks gevoerd. Het komt nu pas, met vallen en opstaan, grassroots, op gang. Hoog tijd dus voor de volgende oproep: Postkoloniale Nederlanders! Er is nalatigheid gepleegd! Getuig van vroeger in woord, daad en geschrift - voor ook dat te laat is!


Het opiniestuk Indonesië werd onafhankelijk in 1945. Erken dit (in NRC Handelsblad, 22 december 2009) werd ondertekend door Peter de Reuver, Nico Schulte Nordholt, Nelleke Noordervliet, Adriaan van Dis, Joty ter Kulve, Claudine Helleman, Norbert van den Berg en Jan Hendrik Peters. Het Comité van Aanbeveling bestaat uit Hans Blom, Theo van Boven, Frances Gouda, Susan Legêne, Geert Mak, Ulli d'Oliveira, Gert Oostindie, Pamela Pattynama, Henk Schulte Nordholt, Elsbeth Locher-Scholten, Peter Broekveldt, Rudy Kousbroek, Erry Stoové en Ad van Liempt. Alleen de laatste vier personen van het Comité zijn niet in een academische functie werkzaam (geweest).
Het NRC-stuk is te vinden op: www.nrc.nl/opinie/article2443615.ece/Indonesie_werd_onafhankelijk_in_1945._Erken_dit


Herstel (toegevoegd op: 01-04-2010)
In de aangeleverde versie van het essay ‘Er is nalatigheid gepleegd!’ door Lizzy van Leeuwen (De Groene Amsterdammer, 11 maart) stond de volgende zin: ‘Een uitzondering in dit krachtenveld vormde kort de jurist en socioloog Wim Wertheim, die als elfjarige uit Rusland naar Nederland was gemigreerd (…)’. In de gepubliceerde versie is het woord ‘kort’ weggevallen. Daardoor wordt de schijn gewekt dat Van Leeuwen Wertheims gehele carrière als gunstige uitzondering op het algemene, nalatige beeld beschouwt. Wertheim heeft echter enkel en alleen in 1947 wetenschappelijke aandacht aan Indische Nederlanders geschonken (en bij die aandacht kunnen overigens de nodige vraagtekens worden gezet).