Er is niks veranderd sinds de apen

Op de BBC hadden ze iets gedaan waar ik zeer om moest lachen. Men had een oud filmpje opgediept over een chimpanseekolonie. Een bioloog van het type Richard Attenborough vertelde: ‘Hier ziet u de apenkolonie, waarbij de strenge hiërarchie opvallend is. Dit is Charley, hij is de leider van de groep. En u ziet dat de vrouwtjes van de groep zich allemaal aan hem aanbieden. Mary heeft de meeste kinderen van Charley en lijdzaam ziet zij toe hoe Charley andere vrouwtjes neemt…’ Et cetera.

De overeenkomst met Clinton was duidelijk, maar maakte ook treurig, want bevestigd werd de aloude wet: ‘Vrouwen vinden macht opwindend.’ Is het dan gek dat de jeugd steeds agressiever wordt? Als ik nu jong zou zijn, zou ik ook agressief zijn, want het meisje waarmee ik naar bed wil, eist dat van me.
Ik zag het vroeger al. Nadat Ajax had gevoetbald - ik spreek over 1962 - gingen we altijd vechten achter het stadion. Niet wij tegen de politie, maar wij tegen jongeren uit Oost. Johnny - ook een Indische jongen - was het sterkst en durfde het meest. Hij sloeg iemand meteen een bloedneus. Tot mijn stomme verbazing kon hij alle meisjes zoenen die met ons meededen. Ik was toen verliefd op Ingrid, want die woonde bij mij in de straat. Toen we in lijn 3 zaten, begon zij te huilen. 'Wat is er?’ vroeg ik. 'Ik heb maar twee zoenen van Johnny gehad’, zei ze, 'en Yvonne drie.’ 'Johnny wil jou niet’, zei ik naar waarheid, 'hij wil Yvonne.’ (Ik zei niet waarom, maar ik wist dat wel. Vrouwen mogen dan van macht houden, machtige mannen houden van grote tieten!) 'Nee, hij wil mij!’ zei Ingrid. En toen zei ze: 'En ik ben veel beter voor hem dan Yvonne!’ Ik begreep er niets van. Ik hield van Ingrid, ik vond haar mooi, lief, aardig. Wat zag ze in godsnaam in die zak van een Johnny.
Maar een les is snel geleerd. De week daarop ging ik meevechten. En dat niet alleen. Nadat we gevochten hadden (ik schaam me na dertig jaar nog steeds om het te vertellen) ging ik aan Johnny vragen of ik het goed had gedaan - terwijl hij met Yvonne aan het zoenen was, en soms ook Ingrid kuste, die als een slavin in zijn buurt bleef. 'Ja, heel goed’, zei Johnny, 'jij zult een groot vechter worden.’ Met dat Indische accent van hem.
Er is niets veranderd. Of toch wel: ik ben veranderd. Ik heb me - ook omdat ik het niet kon - verzet tegen het agressieve gedrag. En? Wat heeft dat opgeleverd? Nogal weinig, als het gaat om interessante macht en de daarbij behorende seksuele versierselen. Ik was verlegen, en wie verlegen is wordt hard gestraft. De leukste meiden wilden de stoerste jongens. En de stoerste jongens kregen altijd en altijd de leukste meiden! Het was om gek van te worden.
Eén keer werd ik eerste - met een eloquentiawedstrijd. (Ik moest, zonder voorbereidingstijd, tien minuten spreken over een onderwerp met als thema 'Haastige spoed is zelden goed’.) Ik kreeg een medaille en dacht: 'Eva wordt nu misschien wel verliefd op me.’ Ach ja, die Eva… Ze gaf zich aan een leraar Frans! 'Gefeliciteerd met je medaille’, zei die leraar een week later. 'Wat was het onderwerp waarover je moest spreken?’ 'Haastige spoed is zelden goed’, antwoordde ik. Ik wist toen al dat hij en Eva 'iets’ hadden en durfde niet te denken wat. Ik haatte hem, maar wilde ook bij hem in de gunst staan. Ik verafschuwde mezelf.
Op de universiteit werd het geneuk van docenten met studentes nog erger. Op elk dispuutsfeest zag ik het weer. Macht, daar ging het om. Het was zo banaal, dat ik het tot op de dag van vandaag niet kan geloven, en daarom nog steeds geen macht wil.