Er is pijn

KREEK DAEY OUWENS
DE ACHTERKANT
Querido, 112 blz., € 17,95

Er is nog een foto.
Een jonge grootvader, die ik niet herken, draagt een klein meisje
op zijn arm.
Het meisje houdt haar handje omhoog, met daarin een
speelgoedbeest.
Achter hen de witbloeiende bomen, helemaal bovenaan de
torens van de mijn, onscherp, zoals de rook uit de schoorstenen.
Het kleine meisje is de dode tante.
We weten hoe ze heet, maar niemand zegt haar naam.
Als je nooit wordt uitgesproken, hoor je nergens bij.

Wanneer is iets poëzie? Het antwoord van Gerrit Komrij op die vraag luidde ooit: ‘Als je een gedicht ziet zie je meteen dat het een gedicht is – zo lachwekkend simpel is het.’ Vaak is inderdaad in een oogopslag aan regellengte, het gebruik van strofen en paginawit te zien dat een tekst een gedicht is. Er zijn gevallen waarin een tekst zich niet meteen door zijn uiterlijk kenbaar maakt, dan verraden rijm, beeldspraak of een op z’n kop gezette grammatica meestal het gedicht. Maar wat nu als al die kenmerken niet aanwezig zijn en iets toch wordt gepresenteerd als poëzie?
Dat is het geval met De achterkant, de nieuwe bundel van Kreek Daey Ouwens. Hoewel zij alweer lang geleden debuteerde in de Nederlandse poëzie heeft ze zelden of nooit de schijnwerpers op zich gericht geweten. Mogelijk is het feit dat ze zich weinig gelegen laat liggen aan de gangbare genrescheidingen daar mede debet aan. Haar eerste bundel Stokkevingers uit 1991 bracht verhalen en gedichten bijeen, daarna verschenen Tegen de kippen en de haan (1995) en Kinderbed (2003). Op de achterflap van Stokkevingers schreef de uitgever: ‘Het heeft zin als proza en poëzie iets met elkaar te maken hebben, op elkaar inwerken, als het geheel meer is dan de som der delen.’
Nu, in haar vierde bundel in achttien jaar tijd, hebben we niet van doen met aparte verhalen en gedichten, maar met wat je zou kunnen noemen poëtisch proza of prozagedichten. Miniaturen, dat komt misschien het dichtst in de buurt van hetgeen Kreek Daey Ouwens schrijft. Ze is geen schrijver van de lange adem, maar haar werk bezit wel degelijk verhalende elementen. Ze schrijft misschien te wijdlopig voor poëzie, maar haar teksten zijn niettemin gecondenseerd en beeldend.
In De achterkant vloeien niet alleen de genres ineen, ook de verhaallijnen doen dat, ergens lijkt Kreek Daey Ouwens te cirkelen om tegenstellingen die worden opgeheven.
We beginnen in wat lijkt op een gelukkige kindertijd: ‘De zon kwam elke dag. Het huis was stil en warm, als een/ bakkerij in de vroege ochtend (…)’ Een idylle met zusjes, een tuin als een ‘brede glimlach van bloemen’, met grootmoeder, moeder aan de naaimachine, grootvader in het café. Langzaamaan echter wordt de kinderlijke zorgeloosheid verstoord, eerst voorzichtig, later abrupter: ‘Ergens sloeg een deur. Een plotse/ vlaag van kou.’ Langzaamaan doet de dood zijn intrede, eerst in het kinderspel, dan in het echte leven. Eerst ver weg met een dode tante op een foto. Die foto zet Kreek Daey Ouwens in nuchtere, afstandelijke bewoordingen bijna, scherp op het netvlies. Dan dichterbij, met een dode grootmoeder, na wier begrafenis een dans- en drinkfestijn losbarst. Een scène waarin idylle en dood, kinderlijke verwondering en volwassen constateringen hand in hand gaan, waarin de zakelijke en tegelijkertijd levendige beschrijving van het festijn na de begrafenis wordt besloten met de droge zin: ‘Het einde van een leven.’
Dan komt de dood te dichtbij, een echtgenoot is overleden. De toon verandert. Voor kinderlijke verwondering en nuchterheid is geen plaats meer. Er is pijn en wat die doet, wat die aan gedachten oproept, aan handelingen voortbrengt, zet Kreek Daey Ouwens bijna vers van de lever op papier. Soms zijn haar woorden gericht tot de ander:
‘Kijk, hoe goed ik voor mezelf zorg./ Ik eet. Ik slaap. Ik werk. Ik neem mijn vitaminepillen./ Ik ga niet verloren.’ Het is een kreet van iemand die poogt zich aan de haren uit het moeras omhoog te houden. Poëzie is het nauwelijks te noemen. Woorden zijn nodig om verder te kunnen gaan: ‘Ik heb een nieuwe typemachine gekocht, om over het geluk te schrijven.’ Dat laatste lukt niet, wel komen flarden terug uit de kindertijd, herinneringen verbonden met dood, hoe kan het anders: een dood vriendje, een bloedende kat, een meikever die ongeluk brengt. Onopvallend doorsnijdt het verleden het heden, lijken gebeurtenissen van vroeger een voorafschaduwing van nu.
Het sterkst is Kreek Daey Ouwens in het beschrijven van de herinnering. Het verband tussen zinnen blijft achterwege, maar in die leegte huist de sfeer van toen, vonken flarden vroeger op: ‘In de gootsteen lag een rode plas. In de plas groeide een kat.’
De scènes, soms neigen ze bijna naar gestileerde dagboekaantekeningen, over het verlies van de geliefde, schurken wel eens aan tegen het cliché. Al is misschien dat het enige dat bij grote pijn houvast biedt. Het lege huis wordt gevuld met zinloze handelingen, het gemis met eindeloze wandelingen, er zijn goedbedoelde zorgen van buren en vrienden. Maar de bewoording daarvan is soms te losjes en mist daardoor misschien net dat wat proza poëtisch kan maken. Al staan er dan toch ook zinnen als deze, in een tafereel over het opruimen van spullen:
‘Nog een broek, die zo oud is dat je de gedachte aan een vorm/ moet laten varen.’