Op pad met komediant Cristian Pielich

‘Er is veel haat en nijd in de comedywereld’

Grote namen en getalenteerde komieken komen nog wel aan de bak in de stand-up comedywereld, maar voor de minder begaafde vakbroeders is het behelpen. ‘Of er behoefte is aan het werk van Cristian Pielich? Ik weet het niet.’

Hij heet Cristian Pielich. ‘Cristian zonder h’, verduidelijkt hij. Hij is 37 jaar oud, van Argentijns-Duitse afkomst, en sinds 2002 stand-up comedian. Een ouwe rot in het vak die voetbalmetaforen gebruikt ter verduidelijking van zowel zijn talent als zijn positie in de comedy­wereld. ‘Ik ben vergelijkbaar met nec, een stabiele middenmoter. Ik ben ook geen natuur­talent zoals een Jan Jaap van der Wal of Daniël Arends. Vergelijk me maar met een verdediger. Ik ben functioneel goed, maar het is niet top.’

In zijn Haarlemse huiskamer hangen twee posters die adverteren voor stand-up comedy­festivals waar hij in het verleden aan heeft meegedaan. Op beide posters is zijn voornaam verkeerd gespeld, Christian met een h. Het deert hem niet. Het is wel in lijn met zijn gevoel voor humor dat hij zelf Woody Allen-achtig noemt, naar de meester van de zelfspot. ‘Ik ben de underdog. Het lullige karakter.’ Pielich deelt de nasale stem met de New Yorkse komiek, maar mist het neurotische en de onbedwingbare behoefte naar zelfonderzoek. Hij zit onderuitgezakt in zijn luie stoel, zijn schouders opgetrokken, zijn ogen dichtgeknepen tot spleetjes. ‘Met wat voor gevoel gaan mensen weg bij mijn shows? Met het gevoel dat ze dood willen. Nee serieus, ik weet het eigenlijk niet. Ben ik wel iemand die blijft hangen? Ik weet het niet.’

Op zijn 22ste begon Pielich met dichten en deed hij mee aan poetry slams. Vier jaar later schoof hij op richting stand-up comedy omdat hij van zichzelf vond dat hij wel ‘humoristische invalshoeken’ heeft. Hij is ‘droog’ en maakt graag ‘denkgrappen’, zoals limericks. Innerlijke noodzaak vindt hij een te pretentieus idee. Het geeft hem genoeg voldoening als hij, om maar iets te noemen, een verhaal vertelt over zijn astmatische aandoening, de pijn die het doet, en daarin herkend wordt.

Om zijn talenten te toetsen deed hij in 2004 mee aan een auditieavond bij Toomler, Nederlands eerste (1990) en belangrijkste stand-up comedyclub. Een geslaagd optreden zou hem een proefjaar hebben opgeleverd bij Comedytrain, het gezelschap van stand-up comedians waar ook de carrières werden gelanceerd van Najib Amhali, Lebbis en Hans Teeuwen. Een fulltime bestaan als stand-up comedian zou dan een serieuze optie worden.

‘Het ging slecht’, zegt Pielich. ‘Ik moest openen. De zaal was nog niet warm. Ik begon zo van “Heee halloooo, heee”, om te triggeren, daar heb ik vaak positieve ervaringen mee gehad. Maar bij stand-up beoordeelt het publiek vaak binnen twee minuten of het je leuk vindt of niet. Bij mij klikte het niet zo met het publiek. Iedereen zat meer zo van “Wat wil je nou met je ‘Heee hallo’?”’

Pielich heeft tot drie jaar terug altijd een voltijdbaan gehad. Na zijn afstuderen in 2001 werkte hij op de klachtenafdeling van het Zilveren Kruis, daarna werd hij teamleider bij de klantenservice van De Telegraaf. Ondertussen begon hij Playground Comedy, een eenmans-evenementenbureau dat sporadisch een handje­vol stand-up comedians leverde voor een avondje comedy in een kroeg of poppodium.

Volgens Pielich is er in de afgelopen vijf jaar een verzadiging in de stand-up comedywereld ontstaan. Er zijn er te veel. De concurrentie is moordend geworden. Dat is omdat het er zo makkelijk uitziet. Je klimt een podium op en rijgt een paar grappen aan elkaar. Denkt men. Er is daarnaast een wildgroei ontstaan aan stand-up comedycursussen. Deelnemers stellen een programmaatje van tien minuten samen, waarmee ze vooral de handen van familie en vrienden op elkaar krijgen, en denken dan dat ze klaar zijn voor het stand-up comedycircuit. Uiteindelijk geeft een groot deel er de brui aan. Maar wat afvalt, staat in geen verhouding tot wat erbij komt. Elke stad, elk dorp heeft nu wel zijn eigen beginnende stand-up comedian met de plaatselijke kroeg als zijn of haar belangrijkste podium. Voor stand-up comedians als Pielich, die afhankelijk zijn van dit soort kleine gelegenheden, wordt het op deze manier nog moeilijker een voet tussen de deur te krijgen. Grote namen en beginnende comedians wier talent boven elke twijfel verheven is komen wel aan de bak, maar voor de minder begaafde vakbroeders is het behelpen, zeker in deze tijden waarin kroegen en kleinere podia besparen op wat niet noodzakelijk is.

‘Drie jaar geleden ben ik fulltime aan de slag gegaan met Playgroud Comedy. Ik heb in mijn tijd bij De Telegraaf een bedrag bij elkaar gespaard waarmee ik zeker een jaar vooruit kan. Ik wilde gaan leven van mijn eigen optredens en van de boekingen voor comedians die via Playground Comedy binnenkomen. Nu heb ik 260 stand-up comedians in mijn bestand, daar zitten professionals tussen, maar ook mensen die alleen een cursus stand-up comedy hebben gevolgd. Het is geen vetpot, ik steek er vijftig à zestig uur per week in.’ Zijn inkomsten vertonen dit jaar een licht dalende lijn. Kroegen reageren niet meer zo vaak als voorheen wanneer hij een mailing de deur uitdoet. Het is crisis. Maar Pielich probeert het zonnig in te zien. Misschien heeft hij nu wat meer tijd voor zijn literaire ambities. Hij komt uit zijn luie stoel en haalt uit een andere kamer een boek, zijn debuut uit 2009, Tot het einde van de tijd, een ‘tragikomische’ roman over Sandro Ligtman, een supervisor op de klachtenafdeling van een mobiele telefoniebedrijf die ook actief is in de stand-up comedy. De roman is uitgegeven bij _printing-on-demand-_uitgeverij Boekscout.

‘Of er behoefte is aan het werk van Cristian Pielich? Ik weet het niet. Je zou zeggen van niet. Maar de mensen die mijn boek lazen vonden het leuk. En binnen de comedywereld wordt ook wel goed gereageerd op mijn stand-up comedy. Dat geeft mij in ieder geval wat voldoening.’

In mei en juni heeft Pielich weinig ­omhanden. Hij heeft een keer voor vijftien man in een Utrechtse kroeg opgetreden. Het was een moeilijk publiek, niet alle bezoekers hadden aandacht voor zijn optreden. ‘Ik doe aan “overlevings­komedie”’, zegt Pielich. In kroegen moeten de grappen niet te subtiel zijn, daar is er het publiek niet naar. ‘Ik sprak laatst een intercedente, die was zo lelijk, dat was geen intercedente meer, maar een incident.’ Daarna heeft hij een keer in het kader van een bedrijfsuitje een fietstocht door Amsterdam begeleid. Het was de eerste keer dat hij zoiets deed. Zijn rol was die van komische gids die een luchtige uitleg geeft bij bezienswaardigheden. ‘Ik moet vooral niet laten zien dat ik het eigenlijk belachelijk vind.’

Begin juni verzorgt hij eindelijk weer een stand-up comedyavond in poppodium Victorie in Alkmaar. In de trein onderweg daarnaartoe legt hij zijn agenda op schoot en staart naar de lege plekken. Het stand-up comedyseizoen voor dit jaar is praktisch voorbij, hij heeft de komende twee maanden nog maar weinig eigen optredens. Boekingen via Playground Comedy om ergens in het land een avondvullend stand-up comedyprogramma te verzorgen zijn evenmin binnengekomen. September gaat wat betreft inkomen een lastige maand worden voor Pielich. ‘Ik wil op vakantie. Ik kijk elke maandag op de site van Sunweb voor goedkope last­minutereizen.’

Poppodium Victorie is een van de plekken waar Pielich geregeld een stand-up comedyavond voor verzorgt. De stand-up comedians die hij deze keer heeft geboekt zijn Eric van der Woude, Tex de Wit en Wouter Monden. Het zijn drie relatieve nieuwelingen, veelbelovend (alle drie wonnen of bereikten ze de finale van een stand-up comedyfestival) maar met nog maar een korte geschiedenis in de stand-up comedy. ‘Ik wil kunnen leven van stand-up comedy’, zegt Monden (32). ‘Dat is het mooiste wat er is. Het contact met het publiek. De rush als een grap aanslaat.’ Hij heeft net een huis gekocht en zijn vriendin is zwanger van hun eerste kind. Om financiële zekerheid te waarborgen is hij afhankelijk van een baan bij Vakantieveilingen.nl. Erg veel plezier schenkt dat werk hem niet. ‘Laatst moest ik optreden in Antwerpen. Dan zit je in de auto met twee andere comedians die geweldig zijn. Je komt in Antwerpen, prachtige stad. Je mag optreden. Je mag het optreden meemaken van andere comedians waar je bewondering voor hebt. Je hebt een geweldige avond en je wordt er ook nog eens voor betaald. Zo’n leven zou ik wel elke dag willen hebben. Ik heb dat veel liever dan in de ochtend in een vergaderruimte zitten met saaie marketingmensen.’ Van der Woude (37), op het moment werkloos, heeft dezelfde ambitie om een zelfbedruipende stand-up comedian te worden, maar hij blijft realistisch. ‘Het is moeilijk. Het is maar heel weinig mensen gegeven om hier hun werk van te maken. Ik zie wel wat stand-up comedy mij te geven heeft. Als de koek op is, dan ga ik net zo makkelijk weer iets anders doen.’

Het programma begint om negen uur, maar op dat tijdstip zijn er nog maar zeven mensen binnen. Een avond kan pas van start gaan zodra er minstens vijftien man aan publiek binnen is. Dat is een voorwaarde die Pielich contractueel vastlegt met elke kroeg of elk poppodium waarmee hij in zee gaat. Niemand is gebaat bij minder publiek. De stand-up comedian niet omdat hij bij zo weinig publiek onmogelijk goed uit de verf kan komen. Het publiek niet omdat het dan te zelfbewust wordt (Wat mankeert mij dat ik als enige naar deze stand-up comedian(s) kom luisteren?).

Het duurt een half uur voordat er veertien mensen binnen zijn. Niemand wil nog langer wachten en Pielich lijkt nog minder zin te hebben om te gaan mierenneuken over de contractueel vastgelegde voorwaarde van minstens vijftien man publiek. Iedereen wordt gevraagd om dichter bij het podiumpje midden in de zaal te gaan zitten om een intieme sfeer te creëren. Twee jongens hebben hun armen voor hun borst gekruist en houden hun blik het eerste half uur strak in de plooi, alsof ze niet een comedy-avond bijwonen maar een uitvaart.

‘Halloooo, Alkmaar!’ begint de host van de avond, Wouter Monden. Uit de eerste vragen aan het publiek wordt al gauw duidelijk dat van de veertien man publiek minstens acht man barpersoneel is van poppodium Victorie. Dit is hun avondje uit.

‘De host van de avond krijgt honderdvijftig euro’, zegt Pielich. ‘De andere comedians krijgen honderd euro.’

Monden vertelt grappen en kondigt de andere comedians aan. Vroeger zat hij in een punkbandje en was hij tientallen kilo’s zwaarder dan nu. Hij zag er uit als een dik gothic-meisje. De grap doet twee oudere zussen – barpersoneel – onbedaarlijk in de lach schieten. Zij zullen de gulste lachers in de zaal blijken te zijn. Telkens als de comedians dreigen vast te lopen in dit stugge publiek, zijn er altijd nog de zusjes om een grap op uit te proberen, ze staan garant voor een bulderende en bevrijdende lach.

‘Mijn schoonvader werkte bij defensie’, zegt Van der Woude als het zijn beurt op het podium is. De grap – die op een spraakverwarring tussen ‘defensie’ en het meidenblad de Fancy berust – blijkt het hoogtepunt van de avond. Zelfs de twee grimmig kijkende jongens schieten in de lach.

‘Er is veel haat en nijd in de comedywereld’, zegt Pielich tijdens een korte pauze. Hij legt nogmaals uit hoe de stand-up comedy in Nederland verzadigd is geraakt door een overvloed aan comedians, met veel afgunst als gevolg. Hij lijkt niet te beseffen dat hij zelf het beste voorbeeld vormt als hij vertelt over een talentenshow waar hij in 2010 aan heeft meegedaan. De juryprijs ging niet naar hem, maar naar ene Emanuel van der Ven. ‘Niemand heeft daarna ooit nog wat van hem gehoord. Waarom? Omdat hij kut is. Serieus.’ Pielich bezoekt ook zelden comedy­cafés. Hij wil niet bij zijn natuurlijke concurrentie op visite. En hij wil zo veel mogelijk ontmoetingen vermijden met comedians die het hem kwalijk nemen dat hij ze nooit eens boekt voor een van zijn avonden.

Pielich speelt die avond in Alkmaar een set van ongeveer een kwartier. Een groot deel van zijn materiaal bestaat uit provocatief bedoelde grappen over de Tweede Wereldoorlog. De twee lachgrage zussen laten af en toe een geschokt ‘Ooo’ horen en slaan hun hand voor hun mond.

‘De Tweede Wereldoorlog wordt veel te veel opgerakeld’, zegt Pielich, terwijl hij met een flesje bier in zijn hand over het podium loopt. ‘Ik vind dat raar. Er zijn vier Anne Frank-scholen, terwijl ze haar opleiding niet heeft afgemaakt.’ Hij maakt ook een grap over het literaire talent van Anne Frank. Jammer genoeg voor haar werd dat voor het eerst ontdekt door de Duitsers. Nog een grap over Anne Frank: zij had tenminste een kamer in Amsterdam, kom daar nu maar eens om. ‘Ja ja, ik weet dat je dit soort dingen niet te veel kunt zeggen’, zegt Pielich, om daarna een grap te maken over Duitsers en het oplevende neo-nazisme.

Twee weken later laat Pielich bij hem thuis in Haarlem videoregistraties zien van twee andere optredens die hij ooit heeft gegeven. Opnieuw is Anne Frank inzet van grappen die de rand van de goede smaak opzoeken. ‘Ik ben niet pretentieus met mijn materiaal. Ik heb geen enorm statement te maken.’ Hij is erg geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog als thema. Hij zou alleen niet kunnen uitleggen waarom. Even later refereert hij tussen neus en lippen door aan zijn Argentijns-Duitse achtergrond en aan zijn Duitse grootouders die aan het einde van de oorlog naar Argentinië emigreerden. ‘In die tijd emigreerden inderdaad veel foute Duitsers naar Zuid-Amerika. Maar ik weet niet waarom mijn grootouders zijn vertrokken. Er zijn geen details bekend. Ik heb er ook nooit naar gevraagd. Vroeger dacht ik er wel eens over na, maar ik heb ook zoiets van so what? Misschien waren ze inderdaad fout. Misschien zat mijn opa wel in de scheikundige sfeer of zo en moest hij foute wapens maken. Maar ik denk dat je dit pas gaat uitzoeken als je met een gewetensding zit of zo. Ik geloof niet zo in fout en goed.’

Gedateerde grappen over Anne Frank maken, terwijl hij op een potentiële goudmijn aan materiaal over zijn grootouders zit? Zo ziet Pielich het niet. Hij heeft geen enkele behoefte om op onderzoek uit te gaan en uit te vinden wat de precieze relatie is tussen zijn grootouders en de Tweede Wereldoorlog. Hij wil vooral grappen maken die hij zelf leuk vindt. Daarnaast: hij heeft wel eens gelezen dat veel Duitsers in de Tweede Wereldoorlog uit zelfbehoud wel móesten meeheulen met nazi’s. Daarmee was voor Pielich ook meteen de kous af. Mochten zijn grootouders een troebel verleden hebben, dan was dat omdat ze slachtoffer van hun tijd waren. ‘Het is ook niet makkelijk voor de Duitsers geweest. Als je als kindsoldaat eropuit werd gestuurd, ja, dat is ook niet echt tof.’

Hij haalt zijn schouders op. Meer heeft hij er ook niet over te zeggen. De enige grap die hij zich over zijn grootvader permitteert is er een waarin hij dood wordt aangetroffen in een kelder. ‘Vrij tragisch, maar hij heeft wel gewonnen met verstoppertje.’ Iets dieper gaan dan dit is pretentieus, volgens Pielich, meer iets voor cabaretiers. ‘Ik heb geen verhaal te vertellen.’

Liever vertelt Pielich over zijn toekomst­plannen. Omdat de boekingen bij kroegen en poppodia teruglopen, wil hij zijn heil gaan zoeken in het bedrijfsleven met ‘humor op maat’. Denk hierbij aan stand-up comedyacts die specifiek zijn toegesneden op een werknemer die met pensioen gaat en op een feestelijke manier uitgeluid wil worden. ‘Ik heb dat een keer gedaan bij een bedrijf in Groningen’, zegt hij. ‘Ik sprak een werknemer toe die er 25 dienstjaren op had zitten. Vooraf kreeg ik allemaal informatie over haar toegestuurd. Daar heb ik een aantal grappen op gebaseerd. Ik heb nog een paar van mijn eigen grappen erin gesmokkeld, maar dat sloeg niet echt aan.’

De marges zijn in het bedrijfsleven veel interessanter, volgens Pielich. Hij belt zo veel mogelijk bedrijven op en probeert uit te zoeken wie daar verantwoordelijk is voor evenementen en personeelsuitjes en vraagt ze om hun e-mailadres zodat hij die kan opnemen in zijn mailinglist. Ook hier is het moeilijk, bedrijven worden evengoed getroffen door de crisis, maar als hij er één opdracht uit kan slepen, dan is dat financieel alvast aantrekkelijker dan de gage die hij in een kroeg kan verdienen. Hij hoopt zijn slag te kunnen slaan in september/oktober, als bedrijven gaan bedenken wat voor vertier ze hun personeel rond de kerstdagen moeten bieden. ‘Het is artistiek ook interessant. Ik heb eens in een restaurant opgetreden op het verjaardagsfeestje van een man. Iedereen was super­enthousiast over mijn materiaal.’

En hij heeft plannen om zijn literaire carrière weer op te pakken. Zijn debuut, zo vertelt hij, moet deel gaan uitmaken van een drieluik. In het tweede deel ontmoeten we weer Sandro Ligtman, die supervisor-af is en nu zijn tijd volledig besteedt aan zijn evenementenbureau waarmee hij stand-up comedyavonden door het hele land verzorgt. Ligtman krijgt te maken met jaloezie in het stand-up comedywereldje, zelfs fysiek geweld blijft hem niet bespaard. Pielich moet alleen nog een plot voor het tweede boek bedenken. In het slot van het drieluik heeft Ligtman de comedywereld de rug toegekeerd en zoekt hij zijn heil in de oosterse spiritualiteit.

‘Ik ben nu 37 jaar’, zegt Pielich. ‘Ik kan mij voorstellen dat ik over tien jaar denk: wil ik wel alleen maar in kroegen staan…’ En na een korte denkpauze: ‘Als in de toekomst mijn inkomsten een beetje stijgen, dan blijf ik het de moeite waard vinden om dit te blijven doen. Maar blijft het op dit niveau, dan komt er waarschijnlijk wel een evaluatiemoment.’