De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Het nieuwe Amsterdam

‘Er is zoveel kracht in deze stad’

Om te voorkomen dat Amsterdam een verdere aaneenschakeling wordt van hoge woontorens, hippe kantoren en dure hotels, experimenteren zelfbouwers en architecten met kleinschalige woon- en werkprojecten. Met oog voor de lokale eigenheid.

Een oude kraan op de NDSM-werf in Amsterdam is omgebouwd tot hotel © Berlinda van Dam / ANP

Onzekerheid en vertwijfeling hangen als een donkere sluier boven de stad. Na vijf maanden corona beginnen ook de meest vanzelfsprekende zekerheden te wankelen. Voor het eerst in decennia krimpt de bevolking, horeca- en hotelondernemers worstelen na een eindeloze reeks van gouden jaren nu om het hoofd boven water te houden. Buurtborrels, feestjes en festivals zijn geschrapt en het is de vraag wanneer ze terugkeren. Theaters, producenten en artiesten proberen er het beste van te maken, maar veel is dat niet. De bruisende stad is stilgevallen en niemand weet hoelang het nog duurt.

Vanaf de andere kant van de Atlantische Oceaan komen alarmerende berichten over een massale trek uit de grote steden. Het zwaar getroffen New York zag vele honderdduizenden mensen vertrekken, deels naar tweede woningen maar deels ook naar een nieuw thuis buiten de stad. Het aantal verkochte woningen op Manhattan was in juni 46 procent lager dan een jaar geleden, terwijl het aantal verkopen in de suburbane gemeenten buiten de stad met meer dan vijftig procent steeg. In Nederland is een vergelijkbare trend te zien, maar dan, zoals altijd, in minder extreme mate. De grote steden hebben het moeilijk, terwijl aantrekkelijke en goed bereikbare woonplekken met meer ruimte en minder hoge prijzen zeer in trek zijn.

In San Francisco en Los Angeles gebeurt hetzelfde. Inwoners uit de hoge inkomensgroepen en uit de betere middenklasse vertrekken, tijdelijk of permanent, naar de kleinere steden en dorpen in de buitengebieden. De San Francisco Chronicle citeerde een vrouw uit het dorpje Truckee, in de bergen bij Lake Tahoe, die zich rot was geschrokken van een man uit de populaire wijk Nob Hill in San Francisco die aanklopte en haar twee miljoen dollar contant bood voor haar woning. Het zijn praktijken die de afgelopen jaren vooral juist in de grote steden plaatsvonden, maar het aandachtsgebied van de mensen met de grootste keuzevrijheid is, in ieder geval tijdelijk, verlegd. Winkels en restaurants sluiten hun deuren, terwijl elders in het land nieuwe vestigingen openen.

Amsterdam is geen New York, maar ze volgen al vele decennia globaal gezien dezelfde route. Beide steden liepen leeg vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen de maakindustrie verhuisde naar lagelonenlanden en inwoners vertrokken naar de suburbane buurten, kleinere steden en dorpen. Beide steden kenden een duistere maar cultureel en artistiek rijke periode vanaf de jaren zestig tot halverwege de jaren tachtig, toen het inwoneraantal bleef dalen, maar kunstenaars, bohemiens, studenten en vrijbuiters de rauwe, deels verlaten stad nieuw leven inbliezen. Vanaf halverwege de jaren tachtig maakten beide steden een wederopstanding mee met economische hoogtijdagen, explosief groeiende inwoneraantallen en een ongekend aanbod aan culinaire en culturele voorzieningen, maar ook ongekend hoge vastgoedprijzen. Al vóór de coronapandemie steeg het aantal mensen dat niet in staat of simpelweg niet bereid was om de prijs te betalen die wordt gevraagd voor het wonen in de meest succesvolle steden ter wereld.

Of het nu gaat om Amsterdam of New York, Parijs of Berlijn, Mumbai of Bogota, de hype waarmee de trek naar de stad twintig jaar lang was omgeven is voorbij. Overal ter wereld is die herwaardering te zien van kleinere steden en buitengebieden, terwijl de aversie toeneemt jegens de extravagantie van de topinkomens die zich grote delen van de stad hebben toegeëigend. Het leven zou meer moeten zijn dan bubbels, brunches en rooftop-barbecues.

Ook grote bedrijven verkennen andere mogelijkheden. Winkelketens sluiten vestigingen in New York en openen juist nieuwe winkels in bijvoorbeeld Florida. Ook grote banken en financiële instellingen openden de afgelopen jaren al kantoren in kleinere steden in staten als Florida, North Carolina, Texas, Arizona en Tennessee, waar de zon altijd schijnt, de sfeer relaxed is en de vastgoedprijzen veel lager zijn dan in ‘nyc’.

In het verleden waren er weinig alternatieven voor werken in nyc, aldus Forbes.com. ‘De stad was het Mekka voor banken, media, reclame, mode en andere sectoren.’ Wie serieus genomen wilde worden, moest in die stad zijn. ‘Maar nu, met de snelle groei van technologie die het mogelijk maakt om overal in de wereld te werken, is het niet meer zo nodig om geclusterd te zijn in de stad.’

De conservatieve tabloid New York Post wijt de uittocht aan het verval van de stad. In een artikel met de kop ‘A Mad Rush for the Exits as New York City Goes Down the Tubes’ wordt gewezen op de toenemende overlast van ‘junks, daklozen, veroordeelde criminelen en anderen’. Onder bewind van de Democratische burgemeester Bill de Blasio gaat de stad naar de verdoemenis, zo is de teneur. Het feest is voorbij.

In het debat over Amsterdam heeft de hosannastemming over het grote succes eveneens plaatsgemaakt voor boosheid en onrust. Schietpartijen, zwemmers die verdrinken, een kade die instort: ineens zijn het geen incidenten meer in een verder positief verhaal, maar breed uitgemeten voorbeelden van de dingen die misgaan. Plotseling schrijft Het Parool veelvuldig over de leegloop van de stad, wijdt Elsevier een cover aan ‘de lokroep van het platteland’, noemt Rem Koolhaas mensen die in de stad blijven ‘losers’ en kan een vertrek naar Bussum, Deventer of Friesland op begrip van buurtgenoten rekenen. Nu de vernislaag van vermaak en verleiding even is verdwenen worden de problemen die al veel langer sluimeren goed zichtbaar.

De nieuwe situatie roept vragen op over de toekomst van Amsterdam. Vragen die al langer sluimerden maar nu plotseling zeer urgent zijn. Bijvoorbeeld de kwestie van de één miljoen inwoners die de stad volgens het cbs in 2034 zou hebben. De prognose uit 2017 werd gedaan op basis van de trends en ontwikkelingen van de afgelopen jaren en ging uit van een aanhoudende groei van de stad van circa tienduizend inwoners per jaar, maar zij hield geen rekening met trendbreuken. Terwijl de enige zekerheid bij iedere trend is dat die uiteindelijk onvermijdelijk eindigt. Economische conjuncturen, de pasvorm van een colbertje, borrelhapjes of woonvoorkeuren, alles verandert.

Maar wat nou als de groei niet of veel minder sterk doorzet? Zijn de huidige plannen voor vooral veel woontorens en appartementencomplexen met weinig buitenruimte dan wel een juiste keuze? Of zijn die kleine, dure woningen juist de reden dat mensen vertrekken? De stad is weliswaar nooit een plek geweest voor fijn en riant wonen, maar Amsterdam scoorde de afgelopen jaren op internationale ranglijsten juist zo goed op het gebied van leefbaarheid omdat je er stedelijk maar toch relatief ruim, aangenaam en groen kunt wonen voor een redelijke prijs.

Eenzelfde vraag dringt zich op met betrekking tot de kantorenmarkt. Stel dat we echt meer gaan thuiswerken, of dat bedrijven zich gaan heroriënteren en besluiten dat je buiten Amsterdam ook goede werknemers kunt vinden, is het dan wel nodig om heel veel extra kantoren te bouwen? Bovendien: is het niet kortzichtig om te denken dat woningen en kantoren, aangevuld met winkels, horeca, sportscholen, yogastudio’s en wat andere broodnodige voorzieningen, samen een stad maken? Zou er niet meer moeten zijn in het organisme dat de stad is dan bureaus, computers, kenniswerkers en de paar uitlaatkleppen die hen in staat stellen om het vol te houden? Is dat alles wat er is?

In The Atlantic reageerde journalist en schrijver Kevin Baker op de vele artikelen die het einde van de stad aankondigen. Het vertrek van de miljardairs en miljonairs, van de banken en de toeristen is niet het einde, maar juist een nieuw begin, schrijft hij. Het biedt New York de mogelijkheid om zichzelf voor de zoveelste keer opnieuw uit te vinden. Deze keer niet als stad van vastgoedhandelaren, ontwikkelaars en toeristen, maar als veilige en betaalbare stad waar lage en middeninkomens kunnen werken, wonen en floreren. Het is precies de ambitie die het gemeentebestuur van Amsterdam bij zijn aantreden ruim twee jaar geleden formuleerde. GroenLinks, d66, pvda en SP wilden een andere koers varen, met een minder prominente rol voor de vrije markt en meer ruimte en aandacht voor eigenschappen die de stad was kwijtgeraakt, zoals betaalbaarheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, diversiteit en leefbaarheid. Sindsdien wordt er zowel voor als achter de schermen hard gewerkt aan verandering, maar het gaat langzaam. Het doorbreken van ingesleten structuren is niet makkelijk en plannen maken is iets heel anders dan plannen uitvoeren.

Nieuwbouw bij de NDSM-werf, 23 juli © Berlinda van Dam / ANP
De enorme druk op Amsterdam om de bouwproductie hoog te houden en economisch succesvol te blijven eist zijn tol

Toch zijn er sprankjes hoop. Zoals op het Centrumeiland van IJburg. Op de opgespoten zandgrond in het IJmeer worden dertienhonderd woningen gebouwd, waarvan het overgrote deel in verschillende vormen van zelfbouw. Een zeer bewuste keuze van de gemeente om te voorkomen dat het nieuwste stuk stad ten prooi valt aan projectontwikkelaars en vastgoedbeleggers die voornamelijk uit zijn op winst. Er zijn individuele zelfbouwkavels, kavels voor collectief particulier opdrachtgeverschap (cpo) en voor wooncoöperaties. Deze laatste vorm kwam in Nederland in het verleden veel voor maar werd na de Tweede Wereldoorlog verboden en vervangen door woningbouwverenigingen. Sinds de nieuwe Woningwet uit 2015 is het juridisch weer mogelijk om wooncoöperaties op te richten en maken zij een stormachtige ontwikkeling door. In een coöperatie is het collectief van bewoners eigenaar van een wooncomplex waarin iedereen een eigen woning heeft. Iedereen betaalt huur aan de coöperatie, die op een democratische manier door de bewoners wordt beheerd en bestuurd.

In Amsterdam is de afgelopen jaren al een aantal kavels uitgegeven aan coöperaties en dat zal de komende tijd aanzienlijk toenemen. Volgens de bestaande plannen zullen het er in principe vijf per jaar zijn. De wooncoöperatie wordt gezien als een van de belangrijkste middelen om het gat op te vullen dat is ontstaan in het middensegment. Omdat sociale huurwoningen enkel nog beschikbaar zijn voor lage inkomens en het overgrote deel van de woningen op de vrije markt in Amsterdam onbetaalbaar is voor middeninkomens, is er nauwelijks aanbod voor hen. Omdat een coöperatie de woningen zelf ontwikkelt en zelf eigenaar is, bepaalt zij zelf de kosten van de bouw, de inrichting van het complex en de woningen en de huurprijzen. Er hoeft geen winst te worden gemaakt, er is geen overhead en dat scheelt veel geld.

Op een van de kavels op het Centrumeiland beginnen de pioniers van coöperatie De Warren aan het einde van dit jaar met bouwen. Met Tobias Servaas en Gijs Weijers sta ik bij een kavel een paar honderd meter verderop. Het is een zanderig stukje grond dat nu nog bezaaid ligt met bouwpuin, maar Servaas en Weijers, twee serieuze twintigers, zien iets heel anders. Hier hopen ze met circa dertig anderen, verenigd als wooncoöperatie De Torteltuin, hun nieuwe huis te gaan bouwen. Sinds januari zijn ze naast hun werk en hun studie bezig met de voorbereidingen op de tender. Begin volgend jaar moeten zij hun plan officieel indienen. ‘We weten dat er een paar andere coöperaties bezig zijn met deze kavel’, zegt Weijers. Dus er is geen enkele garantie. Maar als het hier niet lukt, dan volgen er voldoende andere kansen, zegt hij. In het Actieplan Wooncoöperatie heeft de gemeente de ambitie geformuleerd om wooncoöperaties de komende jaren een substantiële rol te geven bij het realiseren van betaalbare huurwoningen in de stad. Tot 2025 moeten er zevenduizend woningen volgens dit concept zijn gebouwd, in 2040 moeten het er veertigduizend zijn.

Het zou dus zomaar kunnen dat de Torteltuiners niet op IJburg terechtkomen, maar in Nieuw-West, Noord of Haven-Stad. ‘De plek maakt ons niet zoveel uit’, zegt Weijers, initiator van de coöperatie. ‘Het gaat ons vooral om het project’, vult Servaas aan. ‘We willen samen iets heel moois maken waar de stad ook op lange termijn iets aan heeft. Het voelt als een vorm van activisme.’ Daarnaast is het natuurlijk ook een van de weinige mogelijkheden om op een acceptabele termijn een betaalbare woning in de stad te vinden. Servaas behaalde een jaar geleden zijn master filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en deelt sinds een half jaar een appartement van negentig vierkante meter in Slotervaart met twee vrienden. Samen betalen ze 1750 euro per maand. Weijers studeerde religiewetenschappen in Amsterdam en begint binnenkort aan een opleiding geestelijke verzorging in Nijmegen. Omdat hij blijft studeren hoeft hij zijn studentenwoning van driehonderd euro op het Zeeburgereiland voorlopig niet te verlaten.

Hoewel er nog geen ontwerp is en er nog geen vastomlijnde ideeën zijn over de inrichting van het complex van de Torteltuin, krijgen de ideeën steeds meer vorm. Zo willen de betrokkenen dat het geschikt is voor jong en oud, voor kleine en grotere huishoudens en ook voor een woongroep. Ook weten ze al dat ze enkel met hout willen bouwen en dat ze eigenlijk geen behoefte hebben aan parkeerplaatsen. ‘Maar dat moet wel’, zegt Servaas als we op het terras van het tijdelijke strandpaviljoen LolaLand zitten en hij en Weijers een ijskoffie met havermelk hebben besteld. De parkeernorm op Centrumeiland is 0,4 auto per woning, oftewel tien parkeerplaatsen per 25 woningen. Een bijzonder lage norm, maar voor Servaas en Weijers voelt het als veel. ‘Niemand van ons rijdt vaak in een auto’, zegt Servaas.

Zelfbouw, een lage parkeernorm, duurzaam bouwen, verplichte maatschappelijke voorzieningen in het gebouw: in Centrumeiland komen verschillende ideeën over de stad van de toekomst samen. Iets achter de kavel waar de Torteltuin op aast, ligt als een oase te midden van de zanderige bouwgronden een groen plantsoen met 32 moseiken van behoorlijk formaat. Het ‘bomencarré’ is aangelegd op de hoogste plek van het schiereiland, dat bewust een kleine bolling is zodat het regenwater op een natuurlijke manier zijn weg naar beneden kan vinden. Daardoor is er geen riolering nodig voor hemelwater. De moseiken zijn drie jaar geleden al geplant. Hoewel ze nog lang niet volgroeid zijn, vormen het gras en de bomen al wel een aangename plek voor wat verkoeling of een picknick voor de zelfbouwers en de bouwvakkers.

De opkomst van zelfbouw is een reactie op de torenhoge prijzen van woningen die op de klassieke manier door een projectontwikkelaar worden geproduceerd, maar het is ook een teken van de toenemende behoefte om zelf een rol te spelen bij het vormgeven van de eigen omgeving. Vergeleken met twintig jaar geleden is er nauwelijks meer scharrelruimte; iedere vierkante meter is geld waard en krijgt daarom een duidelijke bestemming. Hier en daar is er nog een klein lapje grond waar tijdelijk mag worden geëxperimenteerd, maar daar houdt het mee op.

Volgens Floor Ziegler, pionier in de wereld van de ‘stadmakers’, is het contrast tussen de systeemwereld en de wereld van echte, levende mensen te groot geworden. Tien jaar geleden bouwde ze op eigen houtje, met toestemming van het stadsdeel en in samenwerking met de buurt, een ontmoetingsplek in het Noorderpark in Amsterdam-Noord. Deze Noorderparkkamer, waar zowel daklozen als hipsters en ouders met kinderen zich thuis voelden, werd een begrip in de stad. Net zoals andere vrijplaatsen in Noord, zoals de culturele enclave ndsm, cultureel centrum de Tolhuistuin en de Broedstraten.

Maar sindsdien is er veel veranderd, weet Ziegler. Ook in Noord is het grote geld gaan rollen, staan de projectontwikkelaars in de rij voor elke beschikbare meter en is de tijd van zomaar iets zelf doen voorbij. Het helpt niet mee dat de stadsdelen enkel nog uitvoerende organen zijn van het bestuur in de Stopera. In het verleden was stadsdeelvoorzitter Rob Post de ongekroonde koning van Noord. Als hij het goed vond, dan was het goed. Het is pijnlijk om te bedenken dat het besluit om de stadsdelen af te schaffen niet in de Stopera werd genomen maar in Den Haag, door het demissionaire kabinet-Rutte I van vvd, cda en pvv. Geen van de grote steden was er blij mee, maar ze zitten er nog altijd aan vast.

‘De sfeer die toen in Noord hing, voel ik nu terug op veel andere plekken in het land’, zegt Ziegler. Met haar Stadmakercoöperatie is ze inmiddels actief in de meest uiteenlopende dorpen, steden en provincies. ‘In Heerlen, Leeuwarden of Austerlitz gooien wethouders de deuren open om initiatieven vanuit de samenleving mogelijk te maken, maar in Amsterdam is het juist heel gesloten geworden.’ De enorme druk op de stad en op het stadsbestuur en de ambtenaren om de juiste keuzes te maken, de bouwproductie hoog te houden, geld te verdienen en economisch succesvol te blijven, eist zijn tol.

Dat ervaart ook Hans Karssenberg van sociaal ruimtelijk advies- en projectbureau Stipo. ‘Het uitkleden van de stadsdelen heb ik met lede ogen aangezien. Dit staat haaks op de noodzaak om samen te werken aan de stad’, zegt hij. ‘We komen in veel gemeenten over de vloer en nergens trekt de gemeente de regie zo strak naar zich toe als in Amsterdam.’ Dat leidt tot een gebrek aan eigenaarschap van bewoners en gebruikers ten opzichte van hun dagelijkse omgeving. ‘Juist de gebieden met veel eigenaarschap zijn door de decennia heen succesvol gebleken.’ Toch ziet Karssenberg lichtpunten. ‘Bij sommige ambtenaren is de afgelopen tijd juist veel meer aandacht ontstaan voor processen als placemaking, waarin je samen met stadmakers en bewoners aan de slag gaat in een gebied.’

‘Ik wil absoluut niet klagen’, benadrukt Ziegler. Ze is een doener, ziet altijd kansen. ‘Maar er is zoveel kracht in de stad die niet benut wordt.’ Ze laat een papier zien met daarop het schema dat ze zelf ontwierp als succesformule van een geslaagde samenwerking tussen de samenleving en de overheid bij het vormgeven van de stad. Of het nu gaat om de transitie naar duurzame energie, het opbouwen van een duurzame en inclusieve wijkeconomie of het creëren van ontmoetingsplaatsen en buurtcentra die werkelijk door de gemeenschap worden gedragen, er kan zoveel meer als de buurt oprecht betrokken is en als de mensen waar het om gaat centraal staan.

‘Als stadmaker begin ik altijd met rondlopen, praten, luisteren, kijken naar wat er speelt. Wie zijn de centrale personen in een gemeenschap? Wat zijn de onderwerpen die er leven? Wat zijn de problemen, de ideeën, de dromen?’ Vervolgens is het een kwestie van verbinden, zegt Ziegler. De juiste mensen aan elkaar koppelen. Mensen uit de buurt, uit de gemeente, bij de projectontwikkelaar, de bibliotheek of de woningcorporatie. Als je mensen zo ver krijgt om hun rol even los te laten en samen na te denken over een mooie toekomst, kunnen er dingen ontstaan die niemand aan de tekentafel kan bedenken.

Tekening voor NDSM Maakstad, waarin maakbedrijven, technische vakscholing, kunst en cultuur bij elkaar komen © Abels & Partners Architecten
‘Vakmanschap hoort bij de stad, juist hier op NDSM. Het zou toch gek zijn als je het DNA van dit gebied niet laat terugkomen in de nieuwe wijk’

Ziegler heeft het ‘stadmaken’ geconceptualiseerd en geprofessionaliseerd, maar in praktijk gebeurt het in Amsterdam al eeuwen. Het huidige succes van Amsterdam is geworteld in de jaren zeventig en tachtig, toen studenten, krakers, kunstenaars en anderen die zich niet wilden laten vangen in de bestaande systemen de dingen zelf gingen doen. Oude loodsen verbouwen, nieuwe gemeenschappen vormen, muziek maken, boeken uitgeven, digitale steden ontwikkelen, grenzeloos feesten, verkennen en experimenteren.

Een van de weinige overblijfselen van de sfeer van toen is het woon-werkpand Tetterode aan de Da Costakade. In 1981 werd de oude letterzetterij gekraakt, mede uit protest tegen de plannen om het iconische pand te slopen. Een paar jaar later werd het pand gekocht door woningbouwvereniging Het Oosten (later opgegaan in Stadgenoot), dat het sinds 1986 verhuurt aan de gemeenschap van bewoners en gebruikers van inmiddels 160 zelf getimmerde woningen en ateliers. De gemeenschap is niet alleen gebruiker maar ook beheerder en hanteert een vergelijkbare vorm van zelfbeheer als de wooncoöperaties die nu in opkomst zijn. In een jubileumboek dat onlangs over Tetterode verscheen, schrijven de auteurs over hun eigen woon-werkgemeenschap: ‘Tetterode past perfect bij de vele mensen die het neoliberale, marktgerichte en consumentistische klimaat in Nederland zat zijn en daarom hun eigen weg inslaan. Ze streven onafhankelijkheid na door zich te verenigen in zogenaamde commons of coöperaties.’

Maar niet iedereen is enthousiast. Naar aanleiding van een artikel over het jubileum in Het Parool schreef Sebastiaan Capel (d66), voorzitter van de stadsdeelcommissie Zuid, op Twitter: ‘Je kan ook zeggen dat een geprivilegieerde kleine groep met goede contacten en veel brutaliteit een prachtige plek in de stad heeft ingenomen en daar tot op de dag van vandaag van profiteert. A propos, dit was toen gentrification avant la lettre…’

Veelzeggend over de botsende opvattingen over de ontwikkeling van de stad en de relatie tussen de bewoners en hun omgeving zijn de interviews met voormalig directeur Frank Bijdendijk en de huidige bestuurder Marien de Lange van Stadgenoot. Bijdendijk was vanaf het prille begin betrokken bij de oprichting van het woon-werkpand en spreekt met grote bewondering over het zelforganiserende vermogen van de gemeenschap en over de vrijheid die zij heeft gecreëerd om een eigen manier van leven en wonen vorm te geven. ‘Het heeft mij geïnspireerd tot een heel andere visie, namelijk dat geen twee mensen gelijk zijn en dat de behoeftes van mensen voortdurend veranderen’, zegt Bijdendijk. Hoewel zijn opvolger Marien de Langen met sympathie spreekt over Tetterode, benadrukt hij vooral zijn verantwoordelijkheid binnen de BV Nederland om zoveel mogelijk betaalbare woningen te bouwen. Voor experimenteren is, helaas, niet veel ruimte.

De zeer uiteenlopende ideeën over Tetterode zeggen veel over de verschillende opvattingen over de stad. Moet die een efficiënte, geoliede machine zijn waarin de economie optimaal tot bloei kan komen? Of juist een plek van culturele en maatschappelijke vernieuwing, innovatie en experiment? Moet het een plek zijn voor de mensen die de economie voeden of juist een plek waar gemarginaliseerde groepen de kans krijgen om te emanciperen en te wortelen?

Deze botsing in opvattingen wordt niet alleen zichtbaar in vraagstukken over woningbouw, maar ook over de inrichting van de stedelijke economie. Al veertig jaar is het beleid voornamelijk gericht op het versterken van de kenniseconomie en het aantrekken van kenniswerkers. Maar inmiddels begint de vraag zich op te dringen of het niet te eenzijdig wordt en of er nog wel plek is voor de mensen die niet de hele dag achter een computer willen of kunnen zitten. Van een stad van fabrieken en scheepswerven is Amsterdam veranderd in een stad van kantoren, van een stad die vooral werk biedt aan mensen met een relatief laag opleidingsniveau in een stad voor mensen met een relatief hoog opleidingsniveau. Kijkend naar de plannen voor de komende tijd is er bij het gemeentebestuur niet de intentie om deze ontwikkeling naar een eenzijdige economie tegen te gaan. Maar het maakt de stad eentonig en kwetsbaar.

Het alternatieve plan dat door gebruikers, onderwijsinstellingen, bedrijven en verschillende deskundigen werd gemaakt voor de ndsm-werf is een verademing. De ooit wereldberoemde scheepswerf werd een eveneens wereldberoemde culturele enclave, maar dreigt te veranderen in weer zo’n stukje stad dat je overal ter wereld kunt vinden. Hoge woontorens, hippe kantoren en dure hotels. Tot grote frustratie van de moderne scheepsbouwer en pionierende ondernemer Huib Koel, die het initiatief nam voor de oprichting van Made Up North. Hierin werken de genoemde betrokkenen samen met Abels & Partners Architecten aan een gedetailleerd plan om een deel van het terrein te gebruiken als hoogwaardig en innovatief cluster voor de Amsterdamse maakindustrie.

‘Echte maakindustrie’, zegt Koel in het kantoortje van zijn loods aan het water waar ooit de grootste schepen van het continent lagen. ‘Dus niet zo’n hipsterwijk waar iedereen de hele dag café latte zit te drinken.’ Samen met zijn vrouw Esther Way runt hij Woodies at Berlin, een scheepsbouwbedrijf en meubelwinkel in een loods op het ndsm-terrein. Koel en Way zijn gespecialiseerd in op maat gemaakte luxere woonschepen. Een deel van het werk gebeurt in de loods aan de MS Riemsdijkweg, die sinds een aantal jaar uitkijkt op het iconische en zeer prijzige Pontsteigergebouw aan de overkant van het IJ, de rest gebeurt in het water voor de loods, waar de schepen worden afgetimmerd.

Ze werken met jonge meubelmakers die veelal afkomstig zijn van het Hout- en Meubileringscollege bij station Sloterdijk, sommigen komen uit het speciaal onderwijs en er zijn er bij die een hbo-opleiding hebben gedaan, een tijdje op een kantoor werkten en er toen achter kwamen dat ze iets met hun handen wilden doen. Vroeger was dat heel gewoon, tegenwoordig wordt het in het denken over de stad beschouwd als een vreemde afwijking. En daar gaat het mis. ‘Vakmanschap en de maakindustrie horen bij de stad’, zegt Koel. ‘Juist hier, op deze plek. Het zou toch gek zijn als je het dna van dit gebied niet laat terugkomen in de wijk die het wordt?’

Veel andere havengebieden werden sinds de jaren tachtig getransformeerd tot woonwijken. Van Kattenburg en Oostenburg tot het Oostelijke Havengebied en de Houthavens. In de nabije toekomst zal ook het Westelijk Havengebied veranderen in een woon- en kantorenwijk, onder de naam Haven-Stad. ‘Amsterdam wil de omslag maken naar een donuteconomie’, zegt Marlon Huysmans, voormalig directeur van een bouwbedrijf en sinds vorig jaar adviseur en stadsontwikkelaar bij Fabuleux Destin. In maart maakte wethouder Marieke van Doorninck bekend dat de gemeente het donutmodel van de Britse econoom Kate Raworth wil gebruiken als uitgangspunt bij de toekomstige ontwikkeling van de stad. Dat betekent een overstap van de groeigedachte naar een circulair systeem dat de aarde zo min mogelijk belast en waarin niemand buiten de boot valt.

‘Maar voor een donuteconomie heb je plekken nodig waar je dingen kunt maken, bewerken en verwerken. Productielocaties. Anders kun je nooit een circulaire economie creëren’, zegt Huysmans, die Koel kent sinds hij een klus voor haar deed. Op het moment dat Koel wist dat het tijd werd om ‘de beuk erin te gooien’, belde hij Huysmans. Samen begonnen ze vier jaar geleden aan een traject dat leidde tot de tekeningen voor NDSM Maakstad, een creatieve maakwijk op de ndsm-werf, waarin maakbedrijven, technische vakscholing, kunst en cultuur bij elkaar komen.

Op de tekeningen zijn indrukwekkende gebouwen te zien met hoge werkruimtes van 250, vijfhonderd en duizend vierkante meter, in meerdere lagen gestapeld boven elkaar. Het moet een plek worden voor de meest uiteenlopende ambachten, van scheepsbouw tot bruggenbouw, van moderne motortechniek tot 3D-printen van allerhande materialen en producten. ‘Maar het moet ook een fijne plek zijn om gewoon rond te lopen’, zegt Koel. ‘Het zou mooi zijn als de ruimtes ’s avonds kunnen worden gebruikt voor andere dingen.’ Feesten, restaurants, theaterruimtes, het zou allemaal mogelijk moeten zijn.

Om het plan kracht bij te zetten, vroeg Made Up North aan hoogleraar Gert-Jan Hospers van de Radboud Universiteit en Piet Renooy, expert op het gebied van regionale economische ontwikkeling en de economische geschiedenis van Amsterdam, om zich te buigen over de toekomst van ndsm. Het resulteerde in een essay, dat binnenkort wordt gepubliceerd, waarin ze met krachtige termen het belang benadrukken van een nieuwe kijk op de ontwikkeling van de stad. Volgens Hospers en Renooy is de bouw van enkel woningen en kantoren niet langer de manier om de stad op een gewenste manier te laten groeien. Amsterdam dreigt te verworden tot een inwisselbare ‘generieke stad’ in plaats van een ‘gewortelde stad’ met binding met het eigen verleden en de eigen specifieke eigenschappen.

Ze wijzen op het belang van gemengde functies voor de economische en culturele dynamiek in de stad, op de noodzaak om creativiteit te behouden, de stad toegankelijk te houden voor verschillende inkomens- en beroepsgroepen en om minder afhankelijk te worden van internationale netwerken en productieprocessen. ‘Door in te zetten op de ambachtseconomie als drager van een groene en gemengde productiewijk heeft NDSM Oost uitstekende perspectieven om uit te groeien tot een toonbeeld van het nieuwe Amsterdam – een Amsterdam waarin stedelijke geworteldheid, inclusiviteit, circulariteit en deglobalisering de leidende principes vormen.’

Hoewel wethouder Marieke van Doorninck voorlopig vasthoudt aan de bestaande plannen voor ndsm zijn de reacties uit verrassend veel andere hoeken positief. Van onderwijsinstellingen, betrokken marktpartijen, architecten en ondernemers tot ambtenaren die binnenskamers laten weten dat ze wel oren hebben naar een moderne ‘maakstad’ aan het IJ. Wat begon als een leuk idee, lijkt uit te groeien tot een serieuze beweging en wie weet tot een symbolisch kantelpunt in de koers van Amsterdam.