Sunshine Cleaning

Er loopt een man een winkel in…

Waar blijven de iPhone-jongeren als het gaat om de ‘grote kunsten’? Ze zitten bij het popconcert, of in de bioscoop. En daarbij schuwen ze het niet om in het ‘moeilijke’ filmhuis naar het ‘feministische’ Sunshine Cleaning te kijken.

BEELDENDE KUNST, muziek, literatuur, toneel: alle ‘grote kunsten’ dingen naar de gunsten van een steeds kleinere groep mensen. ‘Kunst’ is steeds meer iets wat je ‘erbij’ doet in het vrijetijdsprogramma van een weekend weg naar een grote stad, in combinatie met een diner in een cool restaurant, of als moment van verdieping tijdens een dag, weekend of week ‘in de buitenlucht’ (maar wat is natuur nog in dit land…). In het openbaar wordt daar weinig over gesproken, maar het is goed mogelijk dat de groep ‘echte’ kunstliefhebbers, dat wil zeggen mensen die het alleen om de kunst gaat, op dit moment in totaal niet groter is dan een bedreigde tweehonderdduizend stuks op een totale bevolking van zestien miljoen. Voor de overleving van de grote kunsten moet die groep snel groeien. Hoe dat moet, verdeelt de meningen.
Recent ontstond er weer eens commotie over de literatuur (naar aanleiding van het boek van hoogleraar neerlandistiek Thomas Vaessens) en over de opera (tijdens een door Michaël Zeeman geleid openbaar debat in Zwolle). Om het bestaan van beeldend kunstenaars, musici, schrijvers en acteurs ook in de toekomst te waarborgen, moet de groep liefhebbers groter worden. De een verwacht heil van het onderwijs en cultuurvouchers. Een ander pleit voor multiculturele aandacht met als gevolg ‘diversiteit’ van het publiek (lees: aanwas van nieuwe Nederlanders), of voor populaire interpretaties van meesterwerken (de Matthäus Passion van Jan Rot) gericht op jongeren. Zo worden mensen naar de aloude cultuurtempels gelokt die er tot nu toe niet kwamen, in de hoop dat ze aangeraakt worden door het vuur van ‘het hogere’ (en soms klinkt er ook nog een vleugje gezondheidszorg door in de uitspraak dat kunst ‘goed voor je’ is).
De opvallend religieuze kant die dit streven naar meer ‘publieksparticipatie’ kenmerkt, beneemt het zicht op een harde realiteit ontdaan van elk mysterie: de grote kunsten leiden een marginaal bestaan (tenzij ze onverwacht veel geld opleveren of veel mensen trekken, maar dat is eerder het gevolg van goede marketing). Vooral de jongste generatie lijkt zich massaal van de ‘grote kunsten’ af te keren. Ze lezen geen romans meer, gaan niet meer naar toneel of klassieke muziek en bezoeken zelden musea. De ‘grote kunsten’ lijken zich vrijwel exclusief te koesteren in de belangstelling van één enkele bevolkingsgroep: blanke vrouwen van zekere leeftijd in welstandsklasse A, die af en toe een man op sleeptouw mee weten te nemen.

WAAR ZOEKT de twitterende, zappende spes patriae m/v dan wél een moment van reflectie als het niet in een concertgebouw, een museum, een schouwburg of een boek is? Eerlijk is eerlijk: evenementen met popmuziek scoren het hoogst. Buiten alle subsidiekanalen en broedplaatsen om heeft zich in elke grotere stad in Nederland bijvoorbeeld een hiphopcultuur ontwikkeld van internationaal niveau. Meest recent is de ontdekking van de piepjonge Utrechtse Kyteman.
En voor de avonden die nog open zijn in de iCal-agenda’s van de iPhones is er de film. In alle studentensteden zitten de bioscopen vol met mensen die niet alleen geamuseerd willen worden door Daniel Craig of Keira Knightley, maar ook iets van ze willen leren. Zelfs de kleinere ‘moeilijke’ film, het genre waar in de jaren zeventig de filmhuizen voor zijn opgericht, heeft baat bij deze groeiende voorliefde voor wat ‘beeldcultuur’ is gaan heten. Sinds de hele filmgeschiedenis spotgoedkoop op stapels in dvd-winkels ligt, vanwege de onstilbare honger naar content, is er een hele generatie opgegroeid die cinematografisch geletterder is dan alle andere hiervoor. Omdat zo’n klein tv-scherm in de starterswoning wel erg klein is, zeker voor spektakelfilms, is het grote scherm van het filmtheater weer interessant geworden. De dvd voedt de honger naar meer. Zo neemt het bioscoopbezoek ook in Nederland toe (het is sinds 1993 verdubbeld en groeide alleen al dit eerste kwartaal tegen de recessie in met twee procent, op weg naar 25 miljoen bezoekers in 2009).
Eén verklaring is dat je voor relatief weinig geld met een stel mensen naar de bioscoop kunt, waar popconcerten soms het driedubbele kosten. En als er íets dominant is in de jongerencultuur van dit moment, is het wel dat je dingen samen kunt doen. Dat verklaart ook het lawaai in bioscopen tegenwoordig: er wordt gebabbeld alsof iedereen thuis voor de buis zit. Maar dat is de cynische variant. Films zitten ook dichter op de realiteit en stellen duidelijker vragen over maatschappelijke kwesties. Veel films thematiseren bijvoorbeeld ‘zinloos geweld’ in het licht van de media, een van de meest ongrijpbare maatschappelijke verschijnselen van dit moment.
Vorige week is daar weer een hoofdstuk aan toegevoegd, toen een werkloze eenzame man zich stukreed op de massa, met de bedoeling het nationale symbool van saamhorigheid te raken, de koninklijke familie. De eerste vergelijking met de moordende Robert De Niro in Taxi Driver is al gemaakt, en er zullen vast nog meer verklaringen vanuit games en films gaan volgen.
Uitsluiting, eenzaamheid, woede over onverschilligheid en daarop volgend dodelijk geweld, daar weet de film al een hele tijd raad mee. Het is een meer zinvolle verklaring voor de enorme toename van het filmpubliek. Vooral in kleine films wordt die fascinatie voor dood en geweld op het hoofdmenu van de film aan de orde gesteld, als reactie op de digitale horrorwerelden en Aziatische vechtkunst (met culturele diversiteit heeft de film al heel lang geen moeite) die het aanbod domineren.
VOLGENDE WEEK gaat er weer zo’n kleine, zorgvuldig gemaakte film in première, waar vroeger subsidie voor zou zijn aangevraagd om hem te maken én in een bioscoop te krijgen. Sunshine Cleaning is door een vrouw geschreven (Megan Holley) en geregisseerd (Christine Jeffs), en er spelen twee uitstekende jonge Amerikaanse actrices in mee (Amy Adams, Emily Blunt). Sunshine Cleaning zou je een feministische film kunnen noemen, als zo’n gortdroge omschrijving niet zoveel onrecht zou doen aan de zwarte humor waar deze film in uitblinkt. Het is duidelijk dat de jongste generatie Amerikaanse cineasten is opgegroeid met David Lynch, Quentin Tarantino en de gebroeders Coen. Want alleen al de manier waarop Sunshine Cleaning opent is een eerbewijs aan deze pijlers van de hedendaagse filmcultuur: er loopt een man een winkel in, hij vraagt om kogels, zet de loop van een geweer in zijn mond en haalt de trekker over. Dat hebben we gehad. Maar dan? Wie ruimt de rotzooi op?
Sunshine Cleaning speelt zich af in het desolate landschap van New Mexico, in een ‘white trash’-wereld van buitenwijken die ver verwijderd is van de glamour van de grote steden. Mannen en vrouwen proberen te overleven met onzekere baantjes, waarbij de rollen makkelijk omdraaien (wie bedient wie in een wegrestaurant?). Ze hopen, zoals overal, dat hun kinderen het beter krijgen.
In Sunshine Cleaning zijn het vader en dochters Lorkowski, Joe, Rose en Norah, die werken voor een betere toekomst van de achtjarige Oscar, zoon van Rose, die wegens onhandelbaarheid helaas steeds van school wordt gestuurd. Om geld voor een privé-school te kunnen verdienen, besluit Rose het advies van haar getrouwde minnaar, een politieagent, te volgen en een eigen zaak te beginnen. Het opruimen van de rotzooi na een misdaad en het schoonmaken van huizen na de dood van zelfmoordenaars en vereenzaamde, vervuilde oude mensen moet lucratiever zijn dan bedienen in een restaurant.
Rose haalt haar blowende zus Norah over om haar te helpen, en zo ontstaat zowaar een kleine, bloeiende onderneming, in de beste traditie van de American Dream. Er is véél op te ruimen in een gewelddadige, vereenzaamde maatschappij. Helaas voor Rose is de angst voor virussen en andere ziektes nog groter dan voor maatschappelijk ongerief als moord en doodslag, en dus moet ze een certificaat halen om bloederige matrassen en beschimmeld vuilnis verantwoord af te voeren. Pas na deze bijscholing krijgt ze een vergunning. Natuurlijk gebeurt er dan iets waardoor Rose nog verder in de problemen komt en helemaal opnieuw kan beginnen in haar pogingen via onderwijs hogerop te komen. Het onverwoestbare optimisme dat de United States of America, het beloofde land van Obama, weer kenmerkt, zorgt echter voor een even onwaarschijnlijk als schaamteloos zoet slot. Daarin is Christine Jeffs zeker géén leerling van Lynch, Tarantino of de gebroeders Coen.
IN AL ZIJN BESCHEIDENHEID is Sunshine Cleaning een teken van hoop, een oase in de woestijn van New Mexico. Amerika blijft het land van de onbegrensde mogelijkheden. Opgevoed in een traditie van Europees pessimisme en wantrouwen tegen de Verenigde Staten als kapitalistische monsterstaat, is het moeilijk om daarin te geloven. Maar het is wel een thema dat weer actueel is en dat de laatste jaren door niet de minste denkers aan de orde is gesteld, van Simon Schama in zijn The American Future: A History, boek én dvd, tot Bernard-Henri Lévy’s American Vertigo. Hoe staat het eigenlijk met de Amerikaanse Droom?
De film, die juist in de Verenigde Staten tot zo’n grote bloei kwam en beschouwd moet worden als de belangrijkste bijdrage aan de hedendaagse cultuur, heeft daar nauwgezet verslag van gedaan. ‘Hollywood’ was vaak zelf de directe aanleiding voor Europese, Aziatische en Zuid-Amerikaanse ‘gelukzoekers’ om te vertrekken naar het land van de onbegrensde mogelijkheden. Want mooier dan in de film is dat Amerika van overvloed en voorspoed nooit verbeeld.
Tegelijkertijd zijn die beelden vaak begeleid door een technisch minstens zo geavanceerd, verontrustend geluidsspoor. In dolby stereo met surround-effect knallen met regelmaat schoten die de droom van het ene op het andere moment in een nachtmerrie veranderen. Ook in de ‘beste van alle werelden’ moet je dan steeds opnieuw kunnen beginnen. Er zijn slechtere boodschappen denkbaar voor een hongerig, jong publiek.

Sunshine Cleaning gaat op 14 mei in première