Er moet iets vreselijks zijn gebeurd

Vincent Overeem, Tobi, € 18,90

Je hebt schrijvers die zo dicht mogelijk bij ‘de’ wereld proberen te blijven. Je weet waar en wanneer hun romans zich afspelen: af en toe komen krantenberichten en actuele situaties of verhoudingen voorbij, de personages hebben het erover, ze spelen er een rol in. We herkennen de muziek, de films, de gesprekken. Ze spelen zich af in duidelijk afgebakende milieus waar we wel eens van gehoord hebben: de drugsscene, de danswereld, de krakerswereld, het gereformeerde gezin, de universitaire wereld, de maffia et cetera. Deze romans werken met realistische kunstgrepen, vaak vertellen ze een min of meer rechtlijnig verhaal zonder al te veel uitweidingen, waarbinnen morele kwesties, niet altijd expliciet, aan de orde komen. Schrijvers ervan proberen een ‘natuurlijk’ effect te bereiken door een vertellende stijl die niet al te veel afwijkt van wat de meeste lezers als ‘normaal’ ervaren. Dickens was vroeger een van de grote voorbeelden, Houellebecq is dat nu. Marja Brouwers’ roman Casino hoort bij ons tot deze romankunst, ook Christiaan Weijts’ roman Euforie en Buwalda’s Bonita Avenue horen ertoe.

Daarnaast heb je de romans die een wereld binnen ‘de wereld’ oproepen. Weinig tot geen beschrijvingen van het actuele, een beperkt aantal personages die zich in een sterk toneelmatige setting rond elkaar bewegen als dieren in een kooi. In tegenstelling tot het eerste type hebben deze romans de neiging rond te cirkelen, te herformuleren, verschillende standpunten in te nemen, de rechtlijnigheid van het verhaal te doorbreken. Hun stijl wijkt af van de ‘natuurlijke’ stijl. Vaak is ze beeldend, beschrijvend, golvend, maar ook het omgekeerde kom je tegen: vervreemdende kaalheid. Deze romankunst zoekt het in de omtrekkende beweging. Kafka, Beckett en Woolf zijn natuurlijk de grote voorbeelden. Veel romans van Bernlef en K. Schippers horen tot dit romantype, die van Gerbrand Bakker, Manon Uphoff en Margriet de Moor, er zijn uiteraard veel meer voorbeelden.

Het werk van Vincent Overeem hoort duidelijk tot het tweede type romankunst. In zijn nieuwste roman Tobi zet hij ons een beperkt aantal figuren voor die de hele roman op elkaar aangewezen zijn. Tobi, een jongen van een jaar of vijftien, zijn oudere broer Harold, het zusje Pam, het buurmeisje Nickie, en dan heb je nog de vader en de moeder. Plus een geheimzinnige ‘hij’ die af en toe aan Tobi verschijnt. Locaties: een huis met een zwembad in een rijkeluisbuurt, een bos, een verlaten hotel, een ander huis, een gesticht. Actualiteit: nul komma nul. Ook in zijn eerdere werk, een verhalenbundel en een roman, werkte Overeem steeds met weinig figuren die elkaar in een broeierige setting stevig op de huid zitten. Vaak zet hij jongeren neer, jongens en meisjes op de rand van volwassenheid, barstensvol kwellende hormonen, waarbij schuldgevoelens en wanhoop niet veraf zijn. Ook in deze roman. Vanaf het allereerste begin vraag je je af: wat is er aan de hand? Over welke herinneringen heeft Tobi het? Waarom wil hij er steeds over praten? Waarom verkeren alle figuren in deze roman voortdurend in een staat van grote wanhoop en weerzin? Waarom stoten ze elkaar de ene keer af en vindt de andere keer een aandoenlijke verzoening plaats? Waarom huilt iedereen zo vaak? De moeder is tijdelijk opgenomen geweest, af en toe duikt een psychiater op, ze heeft in een bos zelfmoord gepleegd, dat is tenminste duidelijk, al weet ik het, nu ik dit schrijf, ineens toch niet meer zeker. De twee broers kwellen elkaar en ze verklaren elkaar tegelijkertijd hun liefde. Er moet ooit iets vreselijks zijn gebeurd. En wat heeft dat buurmeisje ermee te maken; aan het begin van de roman is ze dood, maar wat is eraan vooraf gegaan? Af en toe begon het in mijn hoofd te kolken van het waarom, wanneer, hoe, waar, maar tegelijkertijd besefte ik heel goed dat het Overeem precies daar om begonnen was. Hij probeerde me tijdens lezing in een zeer specifieke leeshouding te krijgen: die van de zoektocht, het raadselachtige geheim waar iedereen het steeds over lijkt te gaan hebben en het dan toch niet doet. Ik betrapte me erop dat ik terug begon te bladeren naar eerdere hoofdstukken alsof ik per ongeluk net daar de oplossing van het raadsel gemist had en haar alsnog terug wilde vinden. Mij kreeg deze schrijver dus waar hij me hebben wilde.

Er is overigens niets vaags in deze roman, laat daar geen misverstand over bestaan. Overeem kreeg dit voor elkaar door een jachtige, obsessieve stijl waaruit alle tierelantijnen zijn verwijderd. ‘Hij zwijgt, ik merk dat hij nadenkt, dat hij knikt, dat hij iets wegslikt. Hij pakt mijn schouder en zegt dat hij een lul was, toen, en nu nog steeds, maar dat hij het nu tenminste van zichzelf weet. “Toen niet,” zegt hij.’ Of neem dit fragmentje: ‘Hij staat daar op de overloop. Hij kijkt naar me, maar zijn gezicht kan ik niet zien. Ik hoor hem lachen, hij komt naar me toe gelopen, ik hef mijn handen op, ik kan geen woord uitbrengen, die man stapt de kamer in.’ Ik begon, geef ik toe, ook enige weerzin te voelen over het steeds terugkerende toneelmatige van de houdingen en de gesprekken tussen de kinderen die elkaar bedreigen en tegelijkertijd willen beschermen. Kan het niet een keer ophouden? Daar gaan we weer: weer dat bos in, weer naar het zwembad waar Nickie in raadselen spreekt. Kortom, ik werd ongeduldig, ook een goed teken natuurlijk, schrijvers willen altijd dat lezers ongeduldig worden. Hoe zit het nou man? Zo’n lezer ben ik wel. En op het einde weet je nog niet helemaal precies, net zo min als Tobi, wat er allemaal ooit gebeurd is. Je ziet er een glimp van, een vermoeden komt op, het geheim doemt op en dan is het weer weg.

Vincent Overeem – een jachtige, obsessieve stijl waaruit alle tierelantijnen zijn verwijderd


Vincent Overeem
Tobi
De Bezige Bij, 285 blz., € 18,90