Maria Barnas, Jaja de oerknal

Er past veel in een ooghoek

De nieuwe bundel van Maria Barnas (1973) opent met een scheppingsdaad. Dat is, sinds Genesis, een veelbeproefd procédé, omdat de dichter ermee suggereert dat het literair werk aan de basis staat van de kosmos of deze op z’n minst in stand helpt te houden. De wereld brengt het woord voort, dat zich vervolgens beijvert de ondoorgrondelijkheid van het zijnde te bezingen, maar het omgekeerde is ook waar: in den beginne is het woord.

Maria Barnas, Jaja de oerknal, € 18,95

Bij Barnas is de situatie echter gecompliceerder, aangezien de oerknal niet alleen voortkomt uit een taaluiting, maar bovendien beschreven wordt als een razendsnel uitdijende angst, die zich dan ook nog eens manifesteert als een reusachtige zwerm vogels. Het omslag van de bundel roept dan ook associaties op met Hitchcock’s Birds. Het gedicht begint zo:

Jaja de oerknal hoor ik mezelf zeggen.

Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?

Het ontstaan een klont op mijn tong.

Stil. Angst is een zwerm die rust in een boom.

Het is, zegt de dichter, een vorm van paniek die ineens opwelt en ‘als opvliegende/ zwerm uit mijn keel breekt’. Toch heeft dat ook een effect van bevrijding, want het heelal slaat de vleugels uit, en wij ‘klapwieken en juichen schril’. De woorden zijn, zoals Homerus zegt, gevleugeld geworden, maar ook wij danken onze presentie aan de ontvouwing van de angst. Niet voor niets begint het boek met een ‘ja’. Opmerkelijk genoeg vertoont het gedicht, als om de paniek te bezweren, een bijna klassieke vorm.

In Jaja de oerknal lijkt angst de drijvende kracht te zijn. Er worden ‘vlaggen paniek’ gehesen, iemand oefent zich in huiveren, een vriendin durft geen pistoletjes te eten, een kind schreeuwt in zijn slaap en het laatste gedicht, dat Oeverloos heet, luidt aldus: ‘De “o” van dood.’ Het tweede gedicht bestaat zelfs uit een zeventien strofen tellende catalogus van alles waarvoor mensen bang kunnen zijn. De opsomming wekt, geheel overeenkomstig het irrationele karakter van angst, een ongestructureerde indruk. Halverwege het gedicht vinden we bijvoorbeeld deze reeks: ‘Kennis, everzwijnen, blozen, werken of functioneren, goed nieuws, seks,/ seksualiteit, het vrouwelijk geslachtsorgaan, de kleur rood, koorts, kou/ of koude objecten, trouwen, samenwonen, lachen, kinnen, immigranten.’ Wanneer je de litanie een paar maal hardop voorleest, blijkt er toch vaak sprake te zijn van associatieve verbanden, zowel op het niveau van de klank als op dat van de betekenis, terwijl een aantal aspecten steeds terugkeert. Angst voor intimiteit, voor verandering, voor onbekende culturen, voor bepaalde kleuren en voor religieuze verschijnselen lijkt te overheersen. Ook de poëzie komt in het rijtje voor. Er is eigenlijk niets waarvoor je niet bang kunt zijn.

Het vreemde is echter dat de angst in Barnas’ werk tot op zekere hoogte een positieve emotie is die, verwant als ze is aan verwondering en ontzag, ontvankelijk maakt voor het mysterie dat ons omgeeft. Deze poëzie poogt de huivering onder woorden te brengen, en zij doet dat in bedachtzame formuleringen, met sterke beelden en psychologische sensitiviteit. Een belangrijk thema is het verhuizen – Barnas heeft nooit lang op één plek gewoond en verblijft momenteel in Berlijn. Ze zoekt het nieuwe en potentieel verontrustende op, om op onbekend terrein te kunnen nadenken over wat min of meer bestendig is. Terugkeer naar vroegere woonplaatsen kan vervreemdend zijn, want ook als de locatie onveranderd is, ben je zelf niet meer wie je was. Over Schoorl, waar ze een deel van haar jeugd doorbracht, schrijft Barnas: ‘Er is een schoorvoetend landschap waar de eiken/ kromtrekken in het zand. Ik groeide er een kop.’ Het is een bezield landschap, waarin de dichter zich niet meer thuisvoelt: ‘Ik jaag/ gebukt door het bos naar zee waar ik dit vroeger// achterlaat.’

In veel gedichten wordt impliciet de vraag gesteld waar het ik zich bevindt, wie men is, en hoe men zich aan anderen voordoet. ‘Ik is een vlag’, een weerloos signaal, maar van wat? Met verbazing ondergaat de dichter de opnamen van een televisie-portret:

Wat willen ze van mij? Ik tik en ik tik.

Nu moet ik bij de piano staan omdat ik heb gezegd

dat ik vaak bij de piano sta en schrijf.

Is identiteit dus een pose? Zodra je je bewust wordt van wie je denkt te zijn, is de onbevangenheid weg, maar dit lichte ongemak kan een inspirerend effect hebben. De regisseuse en de cameraman ‘geloven in de zonovergoten dichter met gefluit/ van vogels en af en toe geritsel van een kat/ op het dak’, en daarom wordt de kunstenaar op die manier in beeld gebracht. Maar de geschiedenis die zo geconstrueerd wordt, bevalt eigenlijk prima: ‘Misschien kan ik ze eens inhuren. We kunnen doen/ alsof we er niet zijn en vormen van geluk nastreven.’

Eén ding is zeker: wij zijn niet ons brein. Een kalm en klankrijk sonnet over een treinreis laat zien dat de existentie niet gereduceerd kan worden tot de activiteit van hersenkwabben, maar tot stand komt in het samengaan van gedachten en zintuiglijke indrukken, waarbij de omgeving evenzeer deel uitmaakt van wie je bent als het lichaam waarin je je toevallig bevindt: ‘Er past veel in een ooghoek.’ Deze ooghoek staat garant voor de verwondering die Barnas’ poëzie oproept.

Maria Barnas

Jaja de oerknal

De Arbeiderspers, 52 blz., € 18,95

Plaatsen

Wat doen we hier? De tafel is nog niet gedekt.

Er lopen scheuren langs de wand

of zijn het kreukels in papier

dat ons in steeds dunnere verf

over de rand doet vloeien. Het lekt

herinneringen aan gebeurtenissen

die ik nooit heb meegemaakt. Een harde flits

zoekt hoekig een baan door de kamer.

Raakt een vaas vazen die schaduw plaatsen.

Ik ben hier thuis op een manier.