Vaders en zonen in de toneelfamilie Croiset

‘Er staat wat er staat, punt uit!’

‘Is dat mijn zoon, die volwassen man die niet uit zijn woorden kan komen en die zich verbeeldt dat hij iets van Tsjechov begrijpt?’ Toen vader Max Croiset zijn regisserende zoon Hans deze tekst toebeet, deed Hans of-ie niks gehoord had.

‘Toneelvader’ is een typisch Nederlands woord. Dat wist ik niet. Ik ging ervan uit dat het een universeel woord is voor een soort supermentor in het acteren. Maar in de Nachruf, het In Memoriam over de onlangs gestorven acteur Jeroen Willems (Süddeutsche Zeitung, 5 december 2012) las ik over regisseur Johan Simons, die op de Toneelacademie Maastricht de mentor, regisseur én lievelingsleraar en dus de ‘toneelvader’ was van Willems. En daar stond dat tussenzinnetje: ‘In Holland heisst das Bühnenvater.’ Je hoort ónder het zinnetje de Duitse verbazing grübeln: ach so, dat ze dat daar hebben, toneelvaders! Bij de hiërarchische verhoudingen in het Duitse toneel past zoiets intiems als een ‘toneelvader’ inderdaad niet. De ensembles in Duitsland zijn vaak hecht, maar de werkdruk is er groot en de piramidale structuur Teutoons en stuurs, zodat tijd en ruimte ontbreken om die toneelspelerstroepen tot hechte families te smeden. Ik bedoel daarmee tot zoiets als bij ons de Appel-familie (met stamvader Erik Vos), de Orkater-familie (met Alex Marc van Warmerdam) of vroeger de Werkteater-familie (met de moeders Marja Kok Shireen Strooker) of nóg vroeger de Haagse Comedie-familie (met de aartsvaders Cees Laseur Paul Steenbergen). Echte toneelgeslachten hebben ze bij onze oosterburen natuurlijk weer wel in overvloed. De Schneiders (ik bedoel die van Maria en Romy), de Schells (Maximilian en Maria), de Minetti’s (met vroeger oervader Bernhard en de kinderen Hans-Peter en Jennifer), de Boysens (met Rolf en zijn regisserende en spelende zoons Peer en Markus). Sommige van die toneelfamilies zijn dynastieën waarbinnen de kinderen vaak moeite hebben zich onder de slagschaduw van de vaders en de moeders uit te spelen.

De Groene-_redactie vroeg me in het kader van dit themanummer of ik een _Nederlandse theaterfamilie kon noemen, waarvan de babyboomers onder het toneelpubliek de oudste aan de stam nog hebben kunnen zien spelen, terwijl ook de tweede en derde generatie nog actief zijn. De familie Römer lag wel erg voor de hand. Dus noemde ik die andere toneelstamboom, de familie Croiset. Beginnend bij Hijman Croiset en grootvader Max Croiset, diens zonen Hans en Jules Croiset en Jules’ zonen Niels en Vincent Croiset. Een invloedrijk en spraakmakend stel talenten. En een toneelfamilie waarvan de geschiedenis door een van de grote zonen, Hans Croiset, een paar jaar terug is opgetekend, in het boek Badhuisweg.

We beginnen met de feiten. Stamvader Hijman Croiset (1877-1925) deed de tweejarige toneelschool rond de voor-vorige eeuwwisseling en was jarenlang actief als voordrachtskunstenaar. Met – aldus de Acteurlexicons van Coffeng en Honig – zo’n duizend Multatuli-solo’s op zijn erelijst. Pas rond 1915 ging hij bij gezelschappen spelen. Hij stierf jong en liet vier kinderen na: de paragnost Gerard Croiset, de drukker Odo Croiset, Eefje Croiset (1923-2002) die trouwde met tekstschrijver Eli Asser, en Max Croiset (1912-1993), voordrachtskunstenaar, acteur, regisseur, dichter en schrijver. Uit diens huwelijk met actrice Jeanne Verstraete (1912-2002) werden twee beroemde toneelzonen geboren, Hans Croiset (1935) en Jules Croiset (1937). Max en Jeanne scheidden op de eerste bezettingsdag, mei 1940. (Jeanne hertrouwde met de acteur Jacques de Haas, die van 1942 tot 1945 voorzitter was van de door de Duitse bezetter opgezette Kulturkammer.) De zonen Hans en Jules werden tijdens de bezettingsjaren opgevoed door pleegmoeders, eerst aan de Scheveningse Badhuisweg, daarna in Ede, later in Friesland, terwijl hun joodse vader Max in Den Haag ondergedoken zat. Hans en Jules kregen na de oorlog privé-les in toneelspelen van vader Max, de toneelschool hebben ze nooit door­lopen. Hans heeft bij veel toneelgezelschappen gespeeld, hij heeft er in totaal vier als artistiek directeur geleid. Jules heeft ook bij veel toneelgezelschappen gespeeld, er korte tijd eentje geleid en vanaf de jaren zestig ook ruim dertig jaar lang soloprogramma’s gemaakt. Beiden zijn nog altijd actief als acteur. De zonen van Jules Croiset, Vincent Croiset (1972) en Niels Croiset (1974) zijn ook aan het toneel. Vincent Croiset heeft bij diverse gezelschappen en voor televisie en film gewerkt. Niels Croiset heeft onder meer gespeeld bij het RO Theater en het Noord Nederlands Toneel, vaak onder regie van Koos Terpstra. Hij stond in 2010 mede aan de basis van de jonge toneelformatie Nachtgasten, waarbij hij nog altijd zeer actief is. Met hun vader Jules speelden Vincent en Niels in 2003 (in de regie van oom Hans) Millers Dood van een handelsreiziger.

Ergens in de eerste helft van de jaren zestig ben ik als puber uit de provincie in de grote stad toneel gaan kijken en dus min of meer ­‘opgegroeid’ met de drie Croisets als spraakmakende ­toneelfamilie. Vader Max Croiset was toen een sterke karakterspeler in de kracht van zijn kunnen. Jules Croiset zag ik vooral als luidruchtige maar intrigerende solotoneel­speler met eigenzinnig repertoire (De zangen van Maldoror, De Rozenoorlogen naar Shakespeare en Een zekere Vincent over Van Gogh), vooral opererend in het circuit van kleine zalen. En Hans Croiset kwam ik tegen als regisseur van grootschalige Brecht-voorstellingen (Johanna van de ­Slachthuizen, Galileï) en Shakespeares (Hendrik de Vierde) bij het Gelderse gezelschap Theater. Ik las zijn artikelen in het dwarse toneelvakblad Theatraal. Hans’ hoofdrol in het toneeldebuut van Hugo Claus (Bruid in de morgen, 1953) en zijn Rotterdamse experimenten met teksten van Jean Genet in de vroege jaren zestig waren voor mijn tijd en kende ik alleen uit verhalen.

In de archieven van het Toneelmuseum vond ik onlangs een vraaggesprek uit De Telegraaf (15 oktober 1959) dat de ogenschijnlijk harmonieuze verhouding in de familie Croiset mooi leek weer te geven. Er stond een foto bij van de joviale vader met de armen om de schouders van zijn trots, de twee toneelzoons die hij persoonlijk had klaargestoomd voor het grote werk. Dat bleef voor mij heel lang het beeld van de Croisets. Ook toen de vader en zijn zoons gingen samenwerken bij het nieuwe Amsterdamse toneelgezelschap na de geruchtmakende Actie Tomaat in 1969, het Publiekstheater, onder de artistieke leiding van Hans. Waar de zoons beiden de grootste Nederlandse toneelprijs, de Louis d’Or, in de wacht sleepten, de hoofdprijs die vader Max in 1966 overigens had geweigerd omdat hij er bezwaar tegen had als acteur ‘sterk in de publiciteit te worden getrokken’. In 1979 bereikte Max Croiset in de regie van zoon Hans zijn pensioen in de rol van de laconieke huisarts Tsjeboetikin in Drie zusters van Tsjechov (overigens de rol die Hans op dit moment speelt bij het Nationale Toneel). Daarna kwam vader Max af en toe nog eens terug voor een gastrol. Van dit harmonische vader-zoon-beeld bleef weinig heel toen in 2008 bij uitgeverij Cossee de toneelherinneringen van Hans Croiset verschenen, het autobiografische boek Badhuisweg, het boeiende en bizarre relaas van een zoon die consequent door zijn vader wordt vernederd. Met het toneel als hoge inzet. En de toneelvloer als, ik citeer, ‘fel belicht executieterrein waar ouderwets de zweep werd gehanteerd en publiekelijk lijfstraffen werden uitgedeeld vóór het salvo klonk’.

Vaders en zonen die aan het toneel zijn – het is God verzoeken in een taai gevecht dat nog het meest weg heeft van een mentale brug met ongelijke leggers. De vader komt altijd uit een andere, archaïscher traditie, de zoon rent zijn tijd vaak ver vooruit. Geen kunstvorm die zo snel veroudert als toneel. De mijnenvelden liggen derhalve ontploffingsklaar voor je goed en wel in de gaten hebt dat je er doorheen loopt. Midden in Badhuisweg beschrijft Hans Croiset een stukje van dat mijnenveld. Bij het Publiekstheater had hij in 1973 de moeder van alle vaderstukken op zijn programma gezet, King Lear. Vader Max Croiset zou aanvankelijk de bijrol van Kent spelen, na dertig voorstellingen vertrok titelrolvertolker Guus Hermus naar de vrije sector van Joop van den Ende en vanaf dat moment nam vader Max de rol van Lear over. Jongere broer Jules zou de schurkenrol van Edmond Gloucester voor zijn rekening nemen.

Het repetitielokaal werd onder leiding van zoon Hans ‘een vacuümbol van tekstanalyse’ waaraan vader Max zich stelselmatig onttrok: ‘Je moet niet voorkauwen, dat is schoolmeesteren, er staat wat er staat, punt uit.’ Hans Croiset schrijft: ‘Daar liet Max het bij. Door die houding kon hij nooit onderdeel van het groepsproces worden en gaf hij zijn collega’s voortdurend het gevoel te kort te schieten. Altijd krulde er een nauwelijks waarneembaar, misprijzend lachje om zijn mond wanneer hij liet weten de discussies tijdrovende onzin te vinden. Dat lachje was dodelijk. Ik schaamde mij voor zijn gedrag, maar durfde er niets van te zeggen. Wat ik ook probeerde, iedere poging om hem tot andere gedachten te brengen leed schipbreuk. Zonder enig overleg wijzigde hij woorden in de vertaling, waardoor zijn collega’s geregeld met nieuwe varianten geconfronteerd werden. En of ik hem er nu op wees dat zelfs de beste vertaling nauwelijks eenderde dekte van wat er in het origineel stond, of voor de zoveelste keer mijn adagium in het midden bracht dat zoekende en naar betekenissen tastende acteurs altijd interessanter zijn dan louter tekst zeggende spelers – mijn vader hield voet bij stuk en wilde van geen betekenisvariant weten. Er staat wat er staat, punt uit! Maar al bleef hij een buitenstaander, een afzijdige gastspeler, zijn rol groeide wel, zijn Kent begon een mooie rondborstige steunpilaar te worden.’

Want ja, vader was wel een heel goeie acteur. En dan was er ook nog de broer. Hans Croiset: ‘Mijn broer Jules had zijn schurkenrol al eens eerder gespeeld naast Van Dalsum als Lear, hij voelde zich al snel als een vis in het water. Voor hem was het niet eenvoudig tussen zijn vader en zijn broer te staan, beiden vingen dezelfde signalen op maar moesten er op verschillende manieren mee omgaan. Wie begon er nou ook aan zo’n onderneming, drie familieleden in een productie, gekkenwerk.’ Dat gekkenwerk begon rond te zingen toen Max Lear ging spelen en regisseur Hans in de botheid van Koning Lear echo’s van zijn eigen bestaan als zoon van Max begon te ontdekken. Max was net als Lear nog nooit tegengesproken, inzicht of berouw waren gevoelens die hij niet kende. Als vader Max toegeeft moeite te hebben met het verdriet van Lear om de dood van zijn jongste dochter Cordelia krijgt het verslag van de repetities iets adembenemends. Vader Max Croiset zegt over vader Lear: ‘Het is zijn eigen schuld! Dan is dat verdriet aan het eind toch schijnheilig!’ En dan grijpt zoon Hans zijn, zoals hij dat zelf noemt ‘kinderkans’. Er ontspint zich de volgende, hier bekort weergegeven dialoog:

Hans Croiset: ‘Natuurlijk is Lear fout geweest, onredelijk, verwend, hoogmoedig en hij is voor iedereen door de mand gevallen toen hij door zijn andere dochters zo naar de mond werd gepraat en dat niet door had. We hebben dus haarscherp kunnen zien hoe de Koning onze veroordeling over zich afriep.’

Max Croiset: ‘Ja, wacht eens even, we? Wie is we? Jij? Of het publiek?’

Hans Croiset: ‘Ik voel me als regisseur tussenpersoon. Ik ben nu het enige publiek in dit stadium.’

Max Croiset: ‘Dat is het misverstand. Jij hebt niets met het publiek te maken. Jij hebt het over het kwetsen van kinderen en de straf die daarop volgt, over het inzicht dat hij fouten, verkeerde inschattingen heeft gemaakt, maar daar gaat dit stuk niet over. Shakespeare heeft een parabel geschreven.’

Hans Croiset: ‘Mij gaat het erom dat we een verhaal vertellen over een oude man die grote fouten heeft gemaakt en op het laatst van zijn leven tot inzicht komt. We hebben het over het verdriet van Lear in zijn laatste uren, over zijn schuldbesef. En het is net alsof je je daartegen verzet omdat jij het Lears eigen schuld vindt. Ik hoef heus geen tranen te zien, ik zou het zo mooi vinden als je boven dat gesublimeerde verdriet…’

Max Croiset: ‘Zoontje gaat moeilijke woorden gebruiken om zijn pappie te imponeren…’

Hans Croiset: ‘… als boven dat verdriet de constatering kon blijven hangen: ja, hij heeft het in het begin verkeerd aangepakt, maar hij doorvoelt zijn schuld zo diep dat hij weer recht op menselijke gevoelens mag krijgen, hij is door de schuld heen gebroken, hij verdient ons mede­dogen, want zijn straf is zo onmatig zwaar.’

Als Hans Croiset in 2001 (vader Max is dan al acht jaar dood) zelf de rol van Lear gaat spelen, duikt er in een bijlage van een landelijke krant over ‘Joden in Nederland’ opeens een begrip op dat een ander facet belicht van de familiegeschiedenis van de Croisets. Hans Croiset in Badhuisweg: ‘Dan lees ik voor het eerst de term “vaderjood”, dat ben ik dus, een vaderjood. Er zijn er dertienduizend in Nederland, dadelijk wordt er nog een vereniging van vaderjoden opgericht. Het blijft een onduidelijk opspelen van vage gevoelens.’ Vader Max Croiset schreef dertien bundels poëzie en ze staan er vol mee, dat opspelen van vage gevoelens. De oorlog met een jodenster kunnen overleven omdat hij met een niet-joodse vrouw was gehuwd, het liet Max nooit meer los. ‘Niet één jood/ heb ik zien sterven/ en ik schrijf zes miljoen/ Aan geen zes miljoen/ ben ik gestorven/ en ik schrijf’ – het gedicht staat in zijn verzamelbundel Uiteindelijk die verscheen in Max’ sterfjaar, 1993. ‘Wat is afkomst, verbeeld ik mij een afkomst?’ schrijft Hans Croiset acht jaar later. En: ‘Waarom droom ik van Israël, ik zou er voor geen goud willen wonen. Maar hoe fout het land zich ook gedraagt tegenover de Palestijnen, toch voel ik me ermee verbonden.’

In Hans’ memoires hebben alle hoofdstukken een jaarring. Het jaartal 1987 zal men daar vergeefs tussen zoeken. Het is het annus horribilis van zijn jongere broer Jules Croiset. In de slipstream van wat later de ‘Fassbinder-affaire’ is gaan heten, het verzet van de Nederlandse joodse gemeenschap tegen de uitvoering van het toneelstuk Het vuil, de stad en de dood, slaat Jules Croiset door en organiseert in het najaar van 1987 een ‘neofascistische’ ontvoering van zichzelf, compleet met dreigbrieven aan zijn eigen familie. Na door de Belgische justitie te zijn ontmaskerd als bedrieger moet Croiset ten overstaan van vrouw en kinderen, familie en de verzamelde Nederlandse pers door het stof. Jules’ toneel spelende zoon Niels vertelt daarover: ‘We speelden toen het gezinnetje dat er goed mee omging en keurig de draad weer oppakte en er met elkaar weer bovenop gekomen is. Het onderwerp is in onze familie echter nooit besproken. Daarvoor was het te emotioneel, als iemand het onderwerp aansneed begon een ander snel over iets anders. Mijn opa, Max Croiset, heb ik na de affaire nooit meer gezien. Hij wilde niets meer met zijn zoon, mijn vader, te maken hebben. Het zou niet slim geweest zijn als ik bij opa langs was blijven gaan. Bij ons in de familie werkt dat zo. In 1993 is hij gestorven en hij heeft zijn lichaam ter beschikking van de wetenschap gesteld, dus ik kon niet eens naar een begrafenis.’

Hans Croiset speelt zijn laatste grote toneelrol dertien jaar later, in 2006, Philips de Tweede in Schillers Don Carlos, de rol waar hij vader Max diep om had bewonderd, in het jaar van dat Telegraaf-_artikel uit 1959 met die joviale foto van de trotse vader met zijn toneel spelende zoons. De snerpende zinnen van de dode stamvader bleven tot op het laatst door zijn hoofd spoken. Hans Croiset somt in _Badhuisweg een aantal van de ergste nog eens op: ‘Kun je nu nog niet rechtop lopen? Je slist, net als je moeder, iedereen hoort dat. Weet je dat ik me voor je schaam? Is dat nou mijn zoon, die volwassen man die niet uit zijn woorden kan komen, die zich verbeeldt dat hij iets van Tsjechov begrijpt?’ En dan vervolgt Hans Croiset: ‘Toen mijn vader dat laatste bij een repetitie in de jaren zeventig hardop zei, werd hij door een collega tot de orde geroepen. Ik deed alsof ik het niet gehoord had. Doodsbenauwd voor weer een conflict. Vanaf mijn debuut hoorde ik het gesnerp, bij ieder woord, bij iedere stap, bij elke beweging.’ Maar nu, in zijn laatste grote rol, bedient de zoon zelf de zweep. ‘Ik bepaalde wanneer het salvo klonk. Mijn vader lag in stukjes verkruimeld. Hem hoefde ik niets meer te bewijzen.’

Veel citaten zijn ontleend aan Hans Croisets boek Badhuisweg (Cossee 2008). Met dank aan de medewerkers van het deze dagen opgeheven Theater Instituut Nederland TIN, voorheen Toneelmuseum Amsterdam