Koning Wilders: Een wintersprookje

Er was eens een volk

Wilders’ slogan ‘Nederland weer van ons’ verwijst naar een verleden dat niet heeft bestaan. Een creatie van Anton Pieck, die in zijn sprookjestekeningen een meesterlijk verlangen bevredigde naar een Nederland zoals dat nooit geweest is.

Medium juk

Het nieuwe jaar was begonnen en ik maakte mijn opwachting bij Olaf Vugts. Hij is directeur imagineering, zeg maar: hoofd van de verbeelding, van de Efteling en initiatiefnemer van de Efteling Academy, een opleiding die studenten van de Fontys-hogescholen leert hoe ze verhalen kunnen vertellen en ‘beleving’ kunnen creëren. Het kantoorgebouw waarin hij zetelt ziet eruit als een kasteel en is ingericht in Efteling-stijl, met rode lopers, troon- en ridderzalen, met paddenstoelen in de wachtruimte, rood met witte stippen. Door de ramen van zijn werkkamer kijkt hij uit op het theater waar drie keer per dag een musical wordt uitgevoerd.

Olaf Vugts is een kind van de Efteling. Zijn vader was er al in dienst en zijn kinderen werken er ook of hebben er gewerkt. Hij heeft nog bij Anton Pieck op schoot gezeten, die soms een tekening voor hem maakte.

Anton Pieck is de geestelijke vader van het park. De immens populaire illustrator tekende de eerste figuren, de eerste gebouwen, de eerste plattegronden voor attracties en lette scherp op dat er gewerkt werd met degelijke materialen – hout en steen, geen bordkarton – maar wel zo slordig dat het authentiek zou lijken. Een kaarsrecht muurtje met een strakke voeg wekte zijn misnoegen. Dat moest worden afgebroken en vervangen door een knusse variant waar geen schietlood aan te pas kwam. Zijn tekeningen zijn uitgewerkt tot in de kleinste details. Nog steeds wordt erop toegezien dat ontwerpers in zijn stijl blijven werken. De directeur imagineering noemt het ‘pieckeriaans’. Authenticiteit zoals Anton Pieck het begrip opvatte is volgens Olaf Vugts een van de belangrijkste sleutels tot het succes van het park. Het initiatief voor de Efteling kwam ooit van de burgemeester en de pastoor van Kaatsheuvel, die zich zorgen maakten over de werkloosheid in de Langstraat waar de schoenindustrie steeds minder banen bood. Hun oplossing was een speeltuin en een park met toen nog tien sprookjes. Het was onmiddellijk een groot succes. In het Nederland van 1952 was er nog niet veel anders wat afleidde van hard werken en naoorlogse armoede.

Tegenwoordig wel. Dat het park desondanks nog steeds groeit, inmiddels 2500 werknemers heeft en het tegen de scheppingen van Walt Disney kan opnemen, heeft volgens Vugts te maken met de Brabantse, zeg maar rustig de bourgondische gastvrijheid. Hij vond de Efteling daarom juist niet typisch Nederlands.

Het park is eerder Europees, de sprookjes komen immers ook uit Duitsland, Frankrijk, Denemarken. Vugts karakteriseerde het dan ook als ‘eerst regionaal, dan bovenregionaal, toen Nederlands-Vlaams nadat we de vertellingen van de Belgische koningin Fabiola hadden opgenomen, en nu internationaal’. Iets dergelijks geldt ook voor de beelden van Anton Pieck: ze waren niet alleen gebaseerd op schetsen die in Nederland ontstonden, maar ook op tekeningen die hij maakte tijdens reizen naar Engeland, Duitsland, Vlaanderen, Italië en zelfs naar Marokko.

Daar gaat onze natiestaat, als zelfs de Efteling niet meer meedoet, dacht ik onwillekeurig. Maar anderzijds: tegenover de kosmopolitische afkomst van het getoonde staat dat slechts vijf procent van de bezoekers aan de Efteling niet afkomstig is uit Nederland of Vlaanderen. En de oorsprong van de verhalen mag dan niet typisch Nederlands zijn, hun populariteit is dat onmiskenbaar wel.

Het bracht Olaf Vugts ertoe om te zeggen: ‘Wij maken hier herinneringen. Nederlanders komen als kind, als ouder, als grootouder en geven van generatie op generatie dezelfde ervaringen, dezelfde beelden door. Een oma die haar kleinkind gefascineerd ziet kijken naar de Rode Schoentjes of naar Langnek denkt ook aan zichzelf toen zij zo klein was, herkent de sensatie.’

De nostalgie die het park losmaakt is bovendien niet alleen particulier, ze wordt wel degelijk ook geprojecteerd op Nederland als geheel, op de geschiedenis of de veronderstelde geschiedenis van het land. Dat blijkt uit de opschriften op herbergen en winkels (‘Kleyn Waerenhuys’, ‘Het Witte Paard’) en natuurlijk uit de rijtjes oud-Hollandse gevels en de pittoreske hofjes her en der. Anton Pieck bevredigde in zijn tekeningen meesterlijk het verlangen naar een Nederland zoals het nooit geweest is. Een land bij gaslicht, waar armoede vooral schilderachtig is, waar de mensen elkaar nog met een glimlach begroeten en hun hoed afnemen, waar zelfs de sneeuw niet koud is maar vooral gezellig wanneer ze een zacht mutsje vormt op het dak van een authentiek scheef staande woning.

***

‘Escapisme?’ zei Vugts. ‘Daar zijn we vóór!’ Maar er is een moraal, zei hij ook. In alle verhalen van de Efteling zit een moraal. Zonder gaat het niet. Tegenwoordig worden de sprookjes meestal in opdracht geschreven, zodat het auteursrecht verzekerd is, het zijn geen bewerkingen meer. Maar Vugts ziet erop toe dat ze altijd impliciet of expliciet de nadruk leggen op ‘samenzijn’, op inclusiviteit. ‘Iedereen moet zich bij ons welkom voelen.’

Er is in 65 jaar niets veranderd aan de moraal van onze sprookjes, zei Vugts. Ik had moeite hem te geloven. Hij kon echter bogen op een uitgebreid netwerk dat hem van informatie over zijn gasten en hun meningen voorziet: een permanente klankbordgroep van negenduizend volwassenen en drieduizend kinderen (‘Wijsneuzen’), op wie nieuwe ideeën voor sprookjes worden getest. Ze dragen ook zelf nieuwe verhalen aan.

Ik wees hem erop dat in het afgelopen jaar toch echt ophef ontstond over Monsieur Cannibale, de carrousel waarin de bezoekers in kookpotjes cirkelen rond een karikaturale zwarte kok met dikke lippen en in plaats van een botje een lepel door zijn brede neus. (Zijn blanke koksmaatje heeft wel iets weg van Geert Wilders, maar dat zei ik er niet bij.)

Het is de Zwarte-Pietdiscussie in een maar nauwelijks andere gedaante. Vugts stelde dat het probleem misschien buiten de hekken speelt, maar niet daarbinnen. Of in ieder geval veel minder. ‘De setting is bij ons onschuldig, in Disneyland ben je on stage of je bent publiek. Hier ben je gast, met je familie en met de andere bezoekers. Je hoort erbij.’

Maar was het dan niet zo dat dezelfde woorden en hetzelfde verhaal met de tijd anders worden geïnterpreteerd? Ik noemde het begrip ‘theedrinken’, een op zichzelf onschuldige bezigheid die inmiddels een forse politieke lading heeft gekregen.

Toen de Efteling in 2011 de musical Droomvlucht opvoerde, met een kwaadaardige trol die klaagde over elfjes die niet willen integreren en een elfenkoning die alleen maar theedrinkt, spoedde Geert Wilders zich naar Kaatsheuvel om het spektakel met eigen ogen en oren te beoordelen. Hoe dat oordeel luidde, vermeldt de geschiedenis niet. Olaf Vugts wilde er ook niet op ingaan. Binnen de ‘Eftelkunde’, zijn programma van opvattingen en wensen, gaat het om heel andere dingen. Om een fantasiewereld die opmerkelijk constant is gebleven, in ieder geval in de vorm die de Efteling eraan geeft.

De allernieuwste attractie, die in het voorjaar open gaat, is dan ook geen 21ste-eeuws bouwwerk in een roestvrijstalen behuizing. ‘Symbolica’ is gewoon weer een sprookjeskasteel samengesteld uit de meest voyante elementen in het genre, torentjes en sterren, kantelen, decoraties in roomwit en goud en blauw. Want dat is wat de mensen nu eenmaal het mooiste vinden, een koning, geen president, en rococo in plaats van modernisme. Wat nu al bekend is over de darkride die er straks doorheen voert komt op het volgende neer. De bezoeker arriveert voor een audiëntie aan het hof van koning Pardulfus en dan gebeurt er iets onverwachts: de ‘tovernar’ Pardoes laat plekken van het kasteel zien waar je eigenlijk niet mag komen. Dat is ondeugend, maar het kan geen kwaad en je wordt er niet voor gestraft.

Darkride. Dat is de technische term die pretparkprofessionals gebruiken voor een attractie waar de bezoeker niet zelf in of omheen kan wandelen, maar die hem vastzet in een voertuigje en dan het donker in voert, door een andere wereld. Je bent overgeleverd aan de fantasie van de makers, je kunt onderweg niet uitstappen en je weet niet wat je te wachten staat.

De oudste darkride in de Efteling heet Fata Morgana en de ingang bevindt zich in een hagelwitte nederzetting met koepeldaken bekroond door een halve maan, met een bazaar en een minaret. Geen moskee (zoals er ook geen kerk is in de Efteling); het park krijgt elke paar jaar wel een ambassademedewerker uit een islamitisch land op bezoek om te bezien of er niet de spot met de islam wordt gedreven.

Dat gebeurt niet. De tocht die je in een bootje aflegt voert langs een reeks scènes die losjes geïnspireerd zijn op de sprookjes van Duizend-en-één-nacht maar vooral een feest van herkenning vormen voor wie nog nooit het Midden-Oosten of Noord-Afrika heeft bezocht: slangen en krokodillen, vliegende tapijten, een soek met een tovenaar, buikdanseressen, waterpijpen, een rover met een kromzwaard. Geen realisme maar oriëntalisme. Een karikatuur dus in de meeste opzichten. Maar kon dat kwaad? Bevestigden de beelden die het nieuws de laatste jaren toonde uit diezelfde streken niet veel ernstiger vooroordelen?

‘Wij maken hier herinneringen. Nederlanders komen als kind, als ouder, als grootouder en geven dezelfde ervaringen en beelden door’

Aan het slot van die andere darkride, de Droomvlucht, verhoogde het karretje waarin je zat opeens zijn snelheid. Het draaide in een geremde vrije val naar beneden rond een jungle, het Zompenwoud, waarin afzichtelijke trollen speelden. Nu nog met elkaar. Maar het was te zien dat sommige ‘blubbertrollen’ gewapend waren, een enkeling maakte al dreigende gebaren. In het slottafereel zaten trollen en elfjes toch weer zij aan zij. Maar hoe lang nog?

Hoe bedrieglijk was dit beeld? Drie keer stapte ik in en drie keer ontging me de moraal van Geerts favoriete attractie. Ging het over ‘samenzijn’? En gold die strekking ook nog als de darkride over was, je de beugel in het karretje had losgeklikt en de Efteling verliet?

***

Op 20 januari, in Nederland een stralende dag met temperaturen rond het vriespunt, werd Donald Trump geïnaugureerd als 45ste president van de Verenigde Staten. Een enkeling had nog gehoopt dat hij door een bliksemstraal uit de hemel zou worden getroffen op het moment dat hij zijn hand op de bijbel legde, maar er gebeurde niets bovennatuurlijks. Behalve, zo zou hij later zeggen, dat God na een aanvankelijke regendruppel toch maar had besloten het droog te houden in Washington, de regen zou pas na zijn toespraak gaan stromen.

Die toespraak bevatte niet de gebruikelijke verbindende en verzoenende woorden die een nieuwe president pleegt te spreken. Trump schetste een apocalyptisch beeld van het land zoals zijn voorganger het had achtergelaten na een ‘bloedbad’ van jaren: verzwakt, vervallen, een woestijnlandschap met slechts hier en daar een ruïne die herinnerde aan de grootsheid van weleer. Meteorologen lieten weten dat de regen waarover Trump sprak niet was uitgebleven maar wel degelijk was gevallen.

Terwijl de plechtigheid in gang was reden verhuiswagens af en aan door de hekken van het Witte Huis. Trump zou er diezelfde avond nog zijn intrek nemen. De Trumps waren gewend te leven met de allure van ouderwetse monarchen. Ze sliepen in hemelbedden, hun badkamers hadden gouden kranen, ze dineerden onder kroonluchters en aten van borden waarop hun monogram was aangebracht. Meubilair was bij voorkeur voorzien van krullen en zo veel mogelijk verguld. In vergelijking daarmee was de ambtswoning van de president maar een sobere behuizing. Gelukkig bezat Trump nog zijn gouden toren in New York en zijn zuidelijke residentie, het landgoed Mar-a-Lago, met zwembaden en golfbanen en 126 kamers, die ook al in een mengeling van overdadige retrostijlen waren ingericht. Hij noemde het inmiddels het ‘Winter-Witte Huis’ en je kon er lid van worden. Het entreegeld voor deze club was verdubbeld naar tweehonderdduizend dollar per jaar, maar dan wist je ook dat je van tijd tot tijd in dezelfde zaal zou dineren als de president met zijn gasten en dat er kans was dat hij even binnenliep bij je trouwfeest of jubileumpartij om je persoonlijk geluk te wensen.

De elite werd wel eens verweten in ivoren torens te verkeren. Donald Trump woonde en werkte voordat hij president werd in een toren van goud in het hart van New York, gebouwd op een fundament van beton en gietijzer maar ongeveer net zo anachronistisch ingericht als het slot Symbolica in Kaatsheuvel binnenkort zou zijn. Volgens de publieksanalyse van de Efteling was dat precies wat men van een sprookjesfiguur anno 2017 nog steeds verwachtte.

***

De eerste week van Trumps presidentschap liep ten einde en de internationale vliegvelden van de Verenigde Staten liepen vol met demonstranten. Er was een inreisverbod afgekondigd voor passagiers uit zeven ‘moslimlanden’. Hoewel een federale rechter een deel van die maatregel al snel onwettig verklaarde bleef een flink aantal reizigers met geldige visa en identiteitsbewijzen vastzitten in de VS of in het land waaruit ze wilden vertrekken.

Medium tobbe

De eerste tweet die de president in alle vroegte de wereld in zond betrof echter niet de uit de hand gelopen situatie, maar zijn vijanden bij de belangrijkste krant van het land. ‘Iemand met talent en overtuiging zou de nepnieuws- en falende New York Times moeten opkopen en ’m correct moeten besturen of waardig moeten sluiten.’

Een dergelijke oproep past in een dictatuur – de leider verzoekt zijn vermogende vrienden een kritisch medium onschadelijk te maken – en zou in de meeste democratische landen tot een schandaal leiden. Maar een week nadat Trump het Witte Huis had betrokken, verbaasde de mededeling eigenlijk al niemand meer. Niet in de Verenigde Staten en ook niet in Nederland.

De aanval op de pers was ook hier al geruime tijd aan de gang. Want ook Nederland had zijn alt-right media: een verzameling websites die een dagelijks spervuur van beschuldigingen en hele en halve waarheden de wereld in stuurde, versterkt door Twitter en Facebook, en verwarrend genoeg soms vermengd met echt, feitelijk nieuws en soms zelfs met opinies van gerespecteerde wetenschappers en politici.

Ze heetten Jalta, GeenStijl, PowNed, OpinieZ, De Dagelijkse Standaard, The Post Online, Erkenbrand, onder andere, want het leek wel of er iedere week een nieuwe ‘onafhankelijke’ of ‘alternatieve’ bron van rechtse meningen bij kwam. Ze zetten elk een ander accent, maar kwamen overeen in hun afkeer van alles wat zweemde naar de elite, die voor het gemak ‘links’ werd genoemd, en hun vermaledijde mainstream media. Ze erkenden geen journalistieke regels, er werd nooit iets gerectificeerd.

Er was een levendig grensverkeer tussen de verschillende sites omdat de scribenten regelmatig ruzie kregen met hun bazen en met elkaar. Dan hadden ze nood aan een nieuwe stek – en die waren er voldoende. Maar sommigen begonnen toch maar liever een politieke beweging, zoals Jan Roos (ex-PowNed, ex-GeenStijl). Zoals Thierry Baudet, die samen met Jan Roos en GeenStijl een referendum gelanceerd had over een handelsovereenkomst tussen Oekraïne en de EU, die regelmatig te gast was op The Post Online en zijn Forum voor Democratie omvormde tot politieke partij. En zoals Bart Nijman en Jan Dijkgraaf, die vanuit GeenStijl eerst het Oekraïne-referendum organiseerden en toen een nieuwe politieke partij, GeenPeil, oprichtten waarvoor GeenStijl de spreekbuis werd, terwijl het meer academisch getoonzette Erkenbrand intussen de vergaande theoretische onderbouwing leverde voor de maatregelen tegen immigratie die de pvv en het Forum voor Democratie openlijk bepleitten.

Het was dringen in de verstrengeling van politiek en media op rechts, terwijl het gemeenschappelijk verwijt aan de traditionele media nu juist was dat die onder één kaasstolp speelden met de politiek. GeenStijl mocht met recht de moeder van alle neo-rechtse sites worden genoemd. Het bestond al sinds 2003 en werd vijf jaar later eigendom van de Telegraaf Media Groep, tevens uitgever van de grootste krant van Nederland. Het was een klassieke win-winsituatie: een mainstream medium en het tegendeel daarvan in dezelfde handen.

Ik ergerde me van alle alt-right media het meest aan The Post Online, dat een hybride profiel had van regelrechte scheldstukken, bizarre complottheorieën en regulier nieuws dat met een tendentieus frame van de gewenste draai werd voorzien. Een lang vraaggesprek uit de Volkskrant met een politiecommissaris die een persoonlijk pleidooi hield voor meer diversiteit in het korps werd bijvoorbeeld keurig samengevat, met dank aan het anp, maar voorzien van de kop: Kennelijk zijn inbraken en overvallen allemaal opgelost. Toen de Nederlandse Pegida-voorman Edwin Wagensveld werd aangehouden wegens overtreding van een demonstratieverbod kopte The Post Online: Misdaad: op de openbare weg staan.

Bij misdrijven met als vermoedelijke dader iemand met een ‘immigratie-achtergrond’ werd altijd de huidskleur vermeld; wanneer het om een witte Nederlander ging niet.

Die draai aan het nieuws leek wel het handelsmerk van de site en was tamelijk opzichtig. Des te meer viel het op dat brave mainstream bedrijven als Albert Heijn, ABN Amro, Ziggo, Microsoft en klm er zo gretig en prominent op adverteerden. Wellicht waren ze onder de indruk van hun bemiddelaar, een ‘mediabureau’ dat The Post Online aanprees als een ‘podium voor serieuze discussie en debat op hoogstaand niveau zonder te worden gestoord door een cultuur van al te kwetsende of agressieve reacties’.

Terwijl ik deze zin overtikte verscheen boven in diezelfde site de bijdrage ‘Goedmensia, of de sprookjeswereld van de progressieve nitwit’, waarin werd betoogd dat ‘de gevestigde orde’ onze beschaving mitsgaders al die beschaafde bedrijven met sneltreinvaart naar de afgrond stuurt.

Ik zag in het optreden van Wilders een verbetenheid, een woede die geen ruimte liet voor iets anders, zelfspot bijvoorbeeld

GeenStijl was jarenlang de hofnar, zowel van het Telegraaf-concern als in het publieke debat. Het bood een vrijplaats, je mocht er alles zeggen – want je wist van wie het kwam. Zo werkt dat aan het hof van koningen en kapitalisten. Zolang het binnen de perken bleef van het eigen digitale tuintje kon het geen kwaad.

Er stonden dus fraaie hekken rond dat tuintje, vergulde hekken met een kroontje. Daarbinnen hadden de auteurs schuilnamen aangenomen, omdat ze in de echte wereld niet op hun werk wilden worden aangesproken – het was toch maar carnaval of cabaret. Ook de ‘reaguurders’ die ’s ochtends op kantoor of ’s avonds in de hobbykamer hun aanmoedigingen onder de stoute meningen plaatsten, deden dat onder pseudoniem, ze waren immers ook nog keurige werknemers en brave huisvaders onder hun echte naam.

***

George Orwells roman uit 1948 had het in veel opzichten bij het rechte eind gehad. Maar niet als het ging om de voorspelling van het jaar waarin het een en ander zijn beslag zou krijgen. In 1984 begon de wereld net te ontspannen en maakte de Sovjet-Unie zich op voor glasnost en perestrojka.

In 2017 kreeg het boek in de Verenigde Staten opeens de status van een bestseller nadat een naaste medewerker van de president, campagneleider Kellyanne Conway, op televisie had uitgelegd dat er naast de feiten nu eenmaal ‘alternatieve feiten’ bestonden en dat die belangrijker waren voor het nieuwe regime. Ook Aldous Huxley’s Brave New World stond opnieuw in de belangstelling. Met de oude spoken kwamen de oude spokenvangers terug.

Als je mocht afgaan op de gesmade opiniepeilingen was in de Verenigde Staten de groep burgers die geloofde in alternatieve feiten ongeveer even groot als de groep die in de oude feiten bleef geloven, zoals die werden opgediend door de wetenschap en de mainstream media. Een groep die getalsmatig dus ongeveer overeenkwam met de aanhang van president Trump.

***

In Nederland leek Geert Wilders ongeveer twintig procent van de kiezers achter zich te hebben staan. Je mocht aannemen dat zij geloof hechtten aan wat Wilders zei en zijn opvatting deelden dat het hele bestel omvergeworpen diende te worden. Wilders noemde die mensen ‘het volk’.

Het volk. Dat was de diffuse bron waaruit sprookjes naar boven waren gekomen, tot ze opgepakt werden door auteurs met een bedoeling en gevormd tot een verhaal dat dienstbaar was aan een ideologie.

Het volk was op zichzelf een onduidelijk begrip, een term zonder definitie. Het was meer dan een groep burgers die tot dezelfde staat behoren. De term gaf aan dat burgerschap verder inhoud kreeg door taal, door kleding, door omgangsvormen en gebruiken, door godsdienst, door een gedeelde geschiedenis, een grondgebied. Maar in welke verhouding al die ingrediënten tot elkaar stonden was niet duidelijk. Ze waren zelfs niet allemaal noodzakelijk om een volk te vormen. Er waren volkeren met verschillende godsdiensten, of zelfs zonder godsdienst. Volkeren met verschillende klederdrachten en uiteenlopende talen. Er waren volkeren zonder grondgebied. En ook over de geschiedenis kon heel uiteenlopend worden gedacht binnen één volk, dat bewees Nederland met zijn protestanten, joden en katholieken.

Het volk. Daar kon je alle kanten mee op. Geert Wilders sprak in naam van het volk. Niet in naam van een meerderheid. Maar van een idee. De tachtig procent van de kiezers die wellicht niet op hem zouden stemmen behoorde simpelweg niet tot het Nederlandse volk zolang ze zich dat idee niet eigen maakten.

De wil van ‘het volk’ was een abstractie, een sprookje dat zijn rechtvaardiging vond in een obscure interpretatie van het verleden. Daar verwees Wilders naar als hij slogans gebruikte als ‘Nederland weer van ons’. En als hij sprak over het ‘terugveroveren’ van het land waar ik was geboren, maar dat ik niet herkende uit de beschrijving die hij ervan gaf.

Gelijke rechten voor vrouwen? Homo’s hand in hand over straat? Hoogbejaard was ik nog niet, maar dit waren waarden waar ik niet mee was opgegroeid. Ze waren meer iets van de laatste twintig, hoogstens dertig jaar.

Toch bedoelde Wilders niet deze relatief korte periode waarin allerlei progressieve ideeën het pleit gewonnen hadden van de moraal die eeuwen had geheerst als hij riep dat Nederland trots moest zijn op zijn geschiedenis en cultuur. Het was een onsamenhangend knutselwerkje, een staaltje historische decorbouw waar Anton Pieck zich nog voor zou schamen, waar Wilders propaganda voor maakte. Zijn voorbeeld Trump deed hetzelfde als hij beloofde dat de Verenigde Staten weer zouden worden zoals vroeger, met bedrijvige mijnen en rokende schoorstenen van volle fabrieken en auto’s uit Detroit die het vervoer daartussen regelden. Back to the old ways. Het klonk eenvoudig en voor sommigen heel aantrekkelijk. Maar een routekaart of zelfs maar een verklaring van de betekenis was er daarmee nog niet.

De volkswil, vertegenwoordigd door een agressieve minderheid die claimde voor iedereen te spreken, was niet iets om vrolijk van te worden. En daarbij mocht je best denken aan een betrekkelijk recent verleden waarin autoritaire leiders tot in de gruwelijkste consequenties uitvoering hadden gegeven aan de ‘wil van het volk’, en politieke tegenstanders en de pers als ‘vijanden van het volk’ werden omschreven.

Maar dat verlangen naar een land, een Nederland bijvoorbeeld, dat nooit had bestaan, dat arcadische verlangen had ook wel iets liefs, iets onschuldigs, zolang het geen programma werd maar een droom mocht blijven. Dan gunde ik het mijn medeburgers weer, dan was ik niet meer boos.

***

De Efteling begrijpt de samenleving soms beter dan de politiek, en ook fijnzinniger. 35 jaar geleden, bij het dertigjarig bestaan, liet men een boek verschijnen waarin de geschiedenis van het park werd verteld. Het was een andere tijd en de jubileumuitgave was zelf een sprookje, beter gezegd: een sprookje-in-een-sprookje, zogenaamd verteld door Anton Pieck maar in werkelijkheid vernuftig opgeschreven door Martine Bijl.

De tekenaar verhaalt hoe op een dag een brutale maar ook wanhopige kabouter in zijn werkkamer verschijnt. Hij vertegenwoordigt het volk van de sprookjesfiguren, dat op de vlucht is en nergens onderdak kan vinden. De winter komt eraan, en die zullen ze wellicht niet overleven. Er is zelfs al een actiegroep opgericht: kin, Kabouters In Nood. De brave Anton Pieck is geen man van actie, eerder een verstrooide kunstenaar. Toch gaat hij op pad, langs de burgemeesters van tal van Nederlandse gemeenten om huisvesting te vinden voor de vreemde, ontheemde figuren. Overal krijgt hij nul op het rekest. Er is geen plaats, geen geld. Een complicatie is daarbij dat alleen voor wie in sprookjes gelooft de vluchtelingen zichtbaar zijn.

Als de herfst al is ingetreden, komt hij aan te Kaatsheuvel. Ook daar wijst de burgemeester hem aanvankelijk af, maar dan grijpen zijn dochtertje en zijn vrouw in. Zij zien de kabouter wel degelijk en kunnen ook met hem spreken. Zij overtuigen de burgervader ervan dat hij best gastvrij kan zijn voor een sprookjesvolk, ook al passen ze niet in zijn werkelijkheid. De bouw kan beginnen, de rest is geschiedenis, de geschiedenis van de Efteling.

Er is een verschil tussen sprookjes voor volwassenen en die voor kinderen. Ze worden anders verteld en als het goed is anders gewaardeerd. Volwassenen die niet begrijpen dat dezelfde werkelijkheid door verschillende mensen verschillend kan worden gezien zijn op een gevaarlijke manier kind gebleven.

Ik hoorde en zag het in het publieke optreden van Geert Wilders en ook bij zijn mediatrollen: een verbetenheid, een woede die geen ruimte liet voor iets anders, zelfspot bijvoorbeeld, relativering, en al helemaal niet: fantasie. Terwijl het Nederland dat zo grimmig terugveroverd moest worden, dat Nederland dat zogenaamd volmaakt was toen het nog ‘van ons’ was, toch heus alleen maar in hun verbeelding kon bestaan.

H.M. van den Brink is schrijver van onder meer Over het water en Dijk. Dit zijn fragmenten uit het op 2 maart verschenen Koning Wilders: Een wintersprookje (Atlas Contact, 96 blz., € 8,-), deels essay, deels reportage, dagboek, droomvlucht en nachtmerrie – een verslag van de afgelopen weken in de aanloop naar de verkiezingen.