INTERVIEW MET ANTONIO NEGRI

‘Er was niet enkel Cohn-Bendit’

Voor de radicale politiek filosoof Antonio Negri, die als vermeend brein achter de Rode Brigades jarenlang onschuldig gevangen zat, is 1968 het begin van het einde van de ‘korte eeuw’.

Mei ’68 duurde voor Antonio Negri ruim tien jaar. Al die tijd stond Italië op z’n kop door massale, vaak gewelddadige protesten en stakingen die vanuit fabrieken, universiteiten en wijkcomités werden georganiseerd. Maar daarna was het ook echt afgelopen. De permanente revolutie veranderde in een permanente uitzonderingstoestand. In april 1979 werd Negri opgepakt. Hij, de leider van de Autonomia Operaia, een buitenparlementaire, radicaal-linkse beweging, zou de grote man zijn achter de Rode Brigades. Negri werd onder meer beschuldigd van betrokkenheid bij de beruchte ontvoering van en moord op de christen-democratische politicus Aldo Moro.

Het waren zware beschuldigingen waar u mee werd geconfronteerd.

Antonio Negri: ‘Nog voor het proces überhaupt was begonnen, noemde de toenmalige president Sandro Pertini me een perverse crimineel. Ik zou herkend zijn op de plaats van de ontvoering van Moro. Dat terwijl ik op het bewuste tijdstip in Parijs een lezing gaf aan de École Normale Supérieure. Ze zeiden dat mijn stem overeenkwam met die van de man die over de telefoon met Moro’s familie had onderhandeld. Er werden zelfs lp’s verspreid als bijlage bij een groot weekblad met daarop een opname uit een lezing van mij en de stem van die “telefonist” van de Rode Brigades, om aan te tonen dat ze identiek waren. De in zijn tijd belangrijkste linguïst van Italië verklaarde dat het werkelijk om mijn stem ging. Pas na contra-expertise en vooral door de eerste verklaringen van gevangen Brigadisten verdween dat scenario in de prullenbak.

Ik was in april 1979 opgepakt en bracht vierenhalf jaar door in een extra beveiligde instelling. Zonder proces. In december van datzelfde jaar nam het Italiaanse parlement een wet aan die het de autoriteiten toestond mij twaalf jaar lang preventief in de gevangenis te houden. Ik kwam enkel vrij omdat ik in juni 1983 verkozen werd tot parlementslid. Het merendeel van mijn kameraden moest zes jaren zitten. Bijna allemaal werden ze volledig vrijgesproken. Maar na al die jaren zonder proces in speciale gevangenschap kregen ze niet de minste excuses. Weet u hoeveel families of echtparen door zulke gebeurtenissen verwoest werden?’

De oprichters van de Rode Brigades en andere linksen achtten het noodzakelijk de wapens op te pakken omdat ze een autoritaire transformatie van de staat vreesden, zoals in Griekenland en Chili was gebeurd. Hoe kijkt u achteraf terug op het politieke geweld? Was de bewapening van de beweging een realistisch alternatief?

‘Het was waanzin. Maar geloof vooral niet dat dit lichtvaardig of vol begeestering gebeurd is. Het was behoorlijk dramatisch en beangstigend. In die jaren begonnen werknemers met harde stakingen in de fabrieken. Als ze probeerden de bedrijven te verlaten, gebeurde het dat de politie op ze schoot. In Italië deed ze dat met een zekere lichtzinnigheid. Wij hadden rond 1968 niet slechts één Benno Ohnesorg, zoals in Duitsland – wij hadden er één per week.

Daarnaast begon fascistisch rechts bommen te leggen. Deze mensen hadden banden met het leger, met een corrupt deel van de geheime diensten en vooral met bepaalde leden van de regering. Deze terreurcampagne moest het land door angst “stabiliseren” en de wil tot verandering blokkeren. Het staatsterrorisme ging vooraf aan het terrorisme van splintergroeperingen in de loden jaren. Het begon op 12 december 1969 voor een Milanese bank: een bom, talrijke doden en gewonden. Daarna ging het door en hield het niet meer op. Iedere drie maanden kwam ergens een bom tot ontploffing. In treincoupés, op vakbondsbijeenkomsten, in het station van Bologna. Nu, dertig jaar later, na talloze onderzoeken en even zovele processen, zijn de politiek verantwoordelijken nog steeds niet veroordeeld. Dat was het eerste terrorisme in Italië.’

Waarop de linkse beweging in alle heftigheid reageerde?

‘De arbeiders antwoordden met hun eigen middelen. Ze groeven de oude stenguns weer op, de wapens van de Resistenza die iedere partizaan nog thuis had of die door hun kinderen als souvenir werden bewaard. Het was pure noodzaak om het recht terzijde te staan met wapengeweld. En het was waanzin. De Rode Brigades deelden met de communistische partij hetzelfde discours. De arbeidersklasse zat in het defensief: ieder jaar waren er honderdduizenden arbeiders minder in de bedrijven. Maar als strijdterrein accepteerden deze politieke organisaties niets buiten de oude, “fordistische” fabrieken. Beide dachten dat de arbeiders georganiseerd moesten worden vanuit een proletarische avant-garde, die hun de weg zou tonen.

Ik ben absoluut tegen de gewapende strijd. Dat was ik in het verleden, dat ben ik vandaag. Maar ik ben me bewust van de noodzaak van verzet in sommige situaties. Ik kom net terug van een reis door Latijns-Amerika. Daar heb ik met veel mensen gesproken die nu aan de macht zijn, maar tijdens de dictaturen bij de guerrilla zaten. Zij gingen destijds over tot geweld en daar deden ze goed aan. Het was een kwestie van overleven: de enig mogelijke wijze om te strijden. Laten we dus voorzichtig zijn als we over geweld spreken. Op de vraag of het mogelijk is in een democratische staat geweld te gebruiken, antwoord ik vanzelfsprekend met neen. Maar men moet zeer precies weten wat dat is, die democratie. In het Italië van de jaren zeventig was de democratie, geenszins tot ongenoegen van sommige personen, niet meer gegarandeerd.’

Hoe verklaart u de ongekende felheid van de politieke confrontaties in die periode?

‘In de jaren zestig en zeventig slaagden de arbeiders erin een dusdanig groot deel van de koek te veroveren dat het normale voortbestaan van het kapitalisme in het gedrang kwam. Rond die tijd werden mensen zich er steeds meer van bewust dat de slavernij geen noodlot is, maar dat ze rechten, verlangens en een toekomst kunnen hebben. Mijn vader werkte in een fabriek. Hij is iedere ochtend om vijf uur opgestaan, zijn hele leven lang. Dat is absurd. Wij wilden vrijer zijn. En rijker. De generatie ’68 zag als eerste dat die wensen vervuld konden worden. Die beweging was voorbereid in de jaren vijftig. Intellectuelen en groepen arbeiders begonnen, voornamelijk in de grote fabrieken van Noord-Italië, met zogenoemde militante onderzoekingen. Ze keken naar risico’s op het werk, gezondheid, de leefomstandigheden van de werknemers en de lonen. In 1962 ontwikkelde zich daaruit een groots arbeidsconflict in Porto Malghera bij Venetië. Een jaar later vond de eerste grote staking in de chemische industrie plaats. De jonge academici, studenten en arbeiders vormden geen bondgenootschap in de enge zin van het woord, maar ze bouwden samen een nieuwe vakbondsbeweging en basisorganisaties op.

Maar de arbeidersklasse organiseerde zichzelf op het moment dat ze op het punt stond haar hegemonie te verliezen. Vanaf halverwege de jaren zeventig begon de grote herovering door de neoconservatieven. In een document van de Trilaterale Commissie (een informele, internationale denktank van toonaangevende politici, zakenmensen en academici – red.) uit die tijd werd expliciet gesteld dat als het voortbestaan van het kapitalisme in het geding was, de democratie beperkt moest worden.

Om de arbeidersklasse te overwinnen, moest de manier van produceren veranderd worden. In Engeland betaalden de mijnwerkers als eersten de rekening, in de Verenigde Staten de luchtverkeersleiders. Dat was de overgang van fordisme naar postfordisme, die de globalisering aankondigde. In de jaren zeventig werd een reeks productieonderdelen uitbesteed. Fabrieken, arbeiders en de productie werden deels elders ondergebracht. Waar mogelijk werd een productief, verstrooid netwerk gecreëerd. In de jaren tachtig ontwikkelde zich hieruit een economisch model. Daarin ligt de betekenis van 1968. Denk nou niet dat in die mooie maand mei er enkel Daniel Cohn-Bendit was en de vuilnisemmers die over het hoofd van de rector van de Universiteit van Nanterre werden geleegd.

In zoverre was de bewapende strijd in Italië een verhevigd verzet tegen het afdanken van het fordisme. De Rode Brigades waren niet voor niets sterk in de grote fabrieken, waar deze verandering zich het duidelijkst en ook het meest gewelddadig toonde. Maar ze begrepen niet dat met deze nieuwe organisatie van het kapitaal andere horizonnen opdoemden. Voor de nieuwe, sociale arbeiders leidde de omwenteling van de jaren zeventig tot hoop. Er was een vernieuwing van strijdvormen, er waren nieuwe sociale eisen, er was de ongekende kunst om het conflict te begrijpen. De massa-arbeider in de bedrijven daarentegen leverde fel verzet in de traditie van de partizanenstrijd, het oude communisme en de Derde Internationale. Zo men wil: een achterhoedegevecht.’

U heeft het over de betekenis van ’68. Wat vindt u van de huidige discussies hierover?

Antonio Negri: ‘Vandaag de dag zegt de hele wereld: o, het is zo vreselijk wat er in 1968 gebeurde. De paus verdoet zijn tijd met het vertellen van de meest vreselijke dingen over dat jaar. Het is alsof 1968 tot het symbool van het kwaad is geworden. Dan kun je brullen van het lachen, of huilen over zoveel domheid. 1968 representeert een wereldwijde verandering in de organisatie van de productie. Niet de studenten als personen waren de hoofdrolspelers. Hun arbeidskracht was de inzet. 1968 staat voor alles, behalve voor de jaren van de utopie en de dromen. Het waren de jaren van een radicale transformatie van de Italiaanse maatschappij. Die liep in vele opzichten achterop, maar speelde nu ineens de rol van wegbereider voor de aanstaande metamorfose van de maatschappij.’

Waarom liep het Italië van de jaren zestig achter?

‘De nog nieuwe en kwetsbare eenheid van het land was tijdens het fascisme aan het wankelen gebracht. Het verzet had de opdeling in noord en zuid verdiept. Aan het eind van de oorlog voelden de mensen zich niet onderdeel van een verenigd land, noch geografisch, noch sociaal of politiek. In 1968 ontstond voor de eerste keer een eenheid tussen de arbeidersklasse van het noorden en die van het zuiden. Tot dan toe ontvingen ze niet eens hetzelfde salaris. Daarom kwamen mensen vanuit het zuiden in de fabrieken van het noorden werken.

Pas met het televisie kijken bedienden zij zich van dezelfde taal. Daarvoor begrepen een inwoner van Venetië en een Siciliaan elkaar niet. Dan heb ik het niet enkel over verschillende culturen of leefwijzen, maar over de taal. In Italië spraken de meeste families dialect. De televisie voerde een neutrale taal in. Een taal die volstrekt kunstmatig was, maar die wel de linguïstische eenheid van het land tot stand bracht.

In 1968 voltrok zich zo bezien ook een extreme modernisering. Daarbovenop kwam de eerste Amerikaanse nederlaag, in Vietnam. Rond dezelfde tijd raakte de Sovjet-Unie in een crisis, die zich tot de definitieve zou ontpoppen. Het land had computers ter grootte van een huis, maar geen pc’s. Lange tijd bleef de informatica het exclusieve terrein van militairen en de centrale bureaucratie. Maar de mensen wilden toegang tot deze mogelijkheid om te communiceren en kennis te delen – een vrijheid die de Sovjet-Unie hun niet kon toestaan. Die staat is ook daarom ingestort. Ze kon de planeet met machtige bommen verwoesten, zo veel mensen naar de maan sturen als ze wilde, maar het ontbrak de Sovjet-Unie aan vrijheid. En vrijheid is een factor van productiviteit.

1968 anticipeert daarom op het begin van het einde van wat Eric Hobsbawm de “korte eeuw” noemt. Van die zeldzame twintigste eeuw die begon met de Russische Revolutie in 1917 en eindigde in 1989 met de val van de Berlijnse Muur. 1989 begon voor mij in 1968. Wie dat niet begrijpt, snapt ook niet veel van de geschiedenis van de eeuw die we achter ons hebben gelaten.’