Er worden eekhoorns en vuurvliegjes waargenomen

Ik val in, ik vervangvandaag de ingestorte collega. Wat brak bij hem of kneusdehij zich vooral? Er lijkt weinig bekend over zijn helen oflijden. De leerlingen kijken me gedwee naar mijn plek.Hij brak zijn nek, weten zij. Zou ik aan hen vragen of zijvervallen in stilzwijgen kunnen vertalen? Binnenlicht.

Emma Crebolder, Vallen, EUR 17,50

Dat ritme een essentieel onderdeel van literatuurbeleving is, zal niemand ontkennen. Of het nu gaat om de hexameters van Homeros, de alexandrijnen van Vondel of de cadans in het proza van Beckett, de stuwing van het ritme drijft lezer en toehoorder voort. Ook de compositie van volzinnen kan een ritmisch effect hebben, waarbij de lectuur van Gerbrand Bakker een totaal andere ervaring oplevert dan die van Gerard Reve, ongeacht de inhoud van hun boeken. Sinds literatuur op schrift wordt gesteld speelt ook visueel ritme een voorname rol, en dan vooral bij poëzie. De typografische experimenten van Mallarmé, Van Ostaijen en Tonnus Oosterhoff zijn extreme gevallen, maar geen dichter ontkomt eraan keuzes te maken bij het vormgeven van de blad­spiegel. Compacte tekstblokken of magere strofen, het aantal witregels, inspringingen, het al of niet gebruikmaken van hoofdletters en cursivering – dat alles is sterk bepalend voor de eerste indruk die een tekst op de lezer maakt. Essentieel is de hoeveelheid regelmaat die een gedicht vertoont. Wil de dichter orde opleggen aan chaos en verwarring, of liever een beklemmende eenvormigheid verstoren?

Vallen van Emma Crebolder (1942) doet het eerste. De bundel bestaat uit 25 gedichten, die steeds op de rechterpagina staan afgedrukt, waar links de letters van het woord ‘vallen’ door een zwarte ruimte dwarrelen. Elk gedicht bestaat uit vijf strofen van twee regels; bij de tweede en vierde strofe is ingesprongen. Zo ontstaat een dialectiek van links en rechts, vraag en antwoord, een stap vooruit gevolgd door een stap achteruit, met de suggestie dat je ten slotte weer uitkomt waar je begonnen bent. De dichter drukt het zelf zo uit: ‘De regelval ontduiken door van links/ naar rechts op te schuiven. In de achter-// hoede met twee jonge regels/ angstvallig dekking zoeken.’ Schrijven is een aanhoudende schermutseling, die uiteindelijk, net als het leven, resulteert in een laatste regel:

Vooruit. Pal staan bij de kantlijn.

Terug aan het front stel ik

de strofes in slagorde op.

Ik probeer door het eigen

kordon heen te breken, met

een finale valpartij tot slot.

In ieder gedicht komt een vorm van vallen voor. De bundel opent met een bevallig meisje met een strohalm, in het volgende gedicht overlijdt een overgrootmoeder tijdens een bevalling, we zien een valscherm, een valpoort, er wordt ingevallen voor een zieke collega, er zijn valappels, de avond valt en er worden drie glazen Orval gedronken. ‘Tussen valincidenten kabbelden/ de jaren als een mak interval’, merkt Crebolder op. Niet het gewone blijft je bij, maar de momenten van drama en ongeluk. En iedere val is een voorbode van de ultieme ‘valbijl-/ datum’.

Dit laatste woord laat meteen een risico van Crebolders concept zien. De afbreking midden in het woord, die de werking van de guillotine in beeld brengt, is een cliché van de eerste orde. Nadrukkelijk betekenisvolle enjambementen liggen bij een thematiek als deze voor de hand, zoals waar sprake is van een meteoriet: ‘Bij zo’n ster die loslaat// beginnen wij al te geloven/ in een teken van boven.’ De witregel tussen ‘loslaat’ en ‘beginnen’ suggereert het moment tussen de waarneming van de vallende ster en het opkomen van de behoefte er een religieuze waarde aan toe te kennen. Technisch doorwrocht, maar toch een beetje voorspelbaar gebeurt iets vergelijkbaars in deze strofen:

Hoe bevallig het uitzicht op wit-

verpakte tuinen. Tussen oevers ligt

het water vastgeklonken, valwind

bouwt er spelonken van sneeuw.

Tegelijkertijd moet vastgesteld worden dat Crebolder op de vierkante centimeter een grote beeldende kracht weet samen te ballen. Veel gedichten bevatten jeugdherinneringen, er zijn droombeelden, er worden eekhoorns en vuurvliegjes waargenomen: ieder gedicht lijkt gebaseerd te zijn op een sterke visuele ervaring. De lezer krijgt haarscherp te zien hoe een atletisch gebouwde man op de rand van een zwembad staat, waarop de dichter een symbolisch geladen beeld toevoegt:

Boven hem bereidt de esdoorn

zijn vleugelzaden.

De man zal vallen, het einde is in zicht, maar een val kan de schoonheid van een zweefduik of het wentelwieken van esdoornzaad vertonen, waarbij het laatste de belofte van nieuw leven in zich draagt. Opzienbarend is het allemaal niet, maar mooi is het zeker.

In het eerste gedicht wordt de gedachte opgeroepen dat wat we zien slechts een deel van de werkelijkheid is. De dichter beschrijft een schilderij waarop twee meisjes staan afgebeeld. Het ene kind heeft een strohalm in haar handen, ‘als scherm te iel’, het andere draagt een fret in haar armen, ‘een roofdier als pop’. De attributen wijzen op een combinatie van weerloosheid en assertiviteit. De spreker stelt voor de schilder te vragen ‘een valletje/ van fijnmazig katoen’ aan te brengen, ‘opdat zij tegen vrijmoedige/ blikken hun tong uit kunnen doen’. Tijdens het poseren onderdrukken de kinderen een zeker ongemak, en wie naar het schilderij kijkt maakt hen tot object. Ze lijken te willen ontsnappen aan de visuele vorm die de schilder hun heeft opgelegd.

Vervolgens rijst de vraag hoe betrouwbaar al die andere waarnemingen in de bundel zijn. Onttrekken de beelden steeds iets wezenlijks aan het zicht? Denken ook de spreeuwen, ganzen, leerlingen en boeren er het hunne van? In hoeverre is het eigenlijk zinvol de werkelijkheid in beelden te willen vangen, en die beelden vervolgens in regelmatige strofen op papier te zetten? Crebolders poëzie oogt bescheiden, maar maakt grote vragen los.