Nadert de Amerikaanse democratie haar einde?

Er wordt een monster op de wereld losgelaten

De Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump illustreert het gelijk van Plato: de tirannie vloeit voort uit geen ander regime dan de democratie. Amerika kent momenteel zijn eigen Weimar-moment.

Medium hh 56597608

Naarmate deze dystopische verkiezingscampagne zich verder ontvouwt, blijft mijn geest in de ban van een passage uit De Republiek van Plato. Die passage heeft mij verrast – en zelfs in de war gebracht – vanaf het moment dat ik haar op de middelbare school voor het eerst las. Zij komt uit het deel van de dialoog waarin Socrates en zijn vrienden aan het praten zijn over de aard van verschillende politieke systemen, hoe die in de loop van de tijd veranderen, en hoe het ene langzaam kan veranderen in het andere. En Socrates leek vrij duidelijk op één ontnuchterend punt: dat ‘de tirannie waarschijnlijk voortvloeit uit geen ander regime dan de democratie’.

Wat bedoelde Plato daarmee? Ik ontdekte dat democratie voor hem een politiek systeem van maximale vrijheid en gelijkheid was, waar iedere levensstijl is toegelaten en openbare ambten worden gevuld aan de hand van een loterij. En hoe langer een democratie bleef voortbestaan, zo betoogde Plato, des te democratischer zij zou worden. Haar vrijheden zouden zich vermenigvuldigen, en haar gelijkheid zou zich verspreiden. De onderwerping aan enig soort gezag zou wegkwijnen; de tolerantie van enig soort ongelijkheid zou aan intense dreigingen blootstaan; en het multiculturalisme en de seksuele vrijheid zouden tot een stad of een land leiden als een ‘veelkleurige mantel, gedecoreerd in alle tinten’.

Deze regenboogsamenleving, stelt Plato, is voor heel veel mensen het eerlijkste regime dat mogelijk is. Maar dit systeem is inherent instabiel. Naarmate het gezag van de elites verdwijnt, en naarmate de waarden van het establishment plaatsmaken voor populaire waarden, kunnen standpunten en identiteiten zo enorm gaan verschillen dat ze op wederzijds onbegrip stuiten. En als alle barrières voor gelijkheid, formeel en informeel, zijn verwijderd; als iedereen gelijk is; als elites worden verafschuwd en iedereen mag ‘doen wat hij wil’, kom je uit bij wat een democratie in het eindstadium kan worden genoemd. Er wordt hier niet langer door het stof gegaan voor het gezag, laat staan voor politieke ervaring of deskundigheid.

De superrijken komen onder vuur naarmate de ongelijkheid steeds minder draaglijk wordt. Ook het patriarchaat wordt ontmanteld: ‘We zijn bijna vergeten de reikwijdte van de wet van de gelijkheid en van de vrijheid te noemen in de relaties van vrouwen met mannen en van mannen met vrouwen.’ Familiehiërarchieën worden omgedraaid: ‘Een vader went zichzelf eraan als een kind te zijn en zijn zonen te vrezen, en een zoon went zichzelf eraan als zijn vader te zijn en geen schaamte of angst te kennen tegenover zijn ouders.’ In het klaslokaal ‘is de docent (…) bang voor zijn leerlingen, zodat hij voor hen kruipt, terwijl de leerlingen hun schouders ophalen voor hun docenten’. Dieren worden gezien als gelijk aan mensen: de rijken mengen zich vrijelijk met de armen in de straten en proberen daar één geheel mee te vormen. De buitenlander staat op gelijke hoogte met de staatsburger.

En wanneer een democratie op deze wijze tot wasdom is gekomen, betoogt Plato, zal een aspirant-tiran dikwijls zijn kans grijpen.

Hij behoort doorgaans tot de elite, maar heeft een karakter dat in overeenstemming is met de tijdgeest: geneigd tot willekeurige pleziertjes en bevliegingen, genietend van veel eten en seks, en zwelgend in het zich onthouden van een oordeel – de burgerlijke religie van de democratie. Hij zet zijn stap door ‘een bijzonder gehoorzame menigte aan zich te binden’ en zijn mede-rijken van corruptie te betichten. Als hij niet snel wordt afgestopt, neemt zijn behoefte om de rijken namens het volk aan te vallen verder toe. Hij is een verrader van zijn klasse – en spoedig zullen zijn vijanden onder de elite, beroofd van hun volkslegitimiteit, een manier vinden om zich met hem te verzoenen, tenzij ze zich gedwongen zien te vluchten.

Uiteindelijk staat hij er alleen voor en belooft hij een einde te zullen maken aan de verlammende onsamenhangendheid van de democratie. Het is alsof hij de verwarde, genotzuchtige burgers een soort verlossing voorspiegelt van de eindeloze keuzes en onzekerheden. Hij profiteert van de reactie tegen de excessen – ‘te veel vrijheid lijkt te veranderen in niets anders dan te veel slavernij’ – en biedt zichzelf aan als het verpersoonlijkte antwoord op de interne conflicten van de democratische puinhoop. Hij belooft vooral de verafschuwde elites te zullen aanpakken. En terwijl de mensen hem zien als een soort oplossing schaft de democratie zichzelf vrijwillig en op enthousiaste wijze af.

Dus toen ik in december op een kerstborrel het trillende, boze hoofd van Donald Trump zag bij Fox News voelde ik onwillekeurig een gevoel van misselijkheid opkomen. En toen ik dit voorjaar opgewonden Trump-bijeenkomsten voorbij zag komen, en hem in de debatten veel beter gekwalificeerde politici zag afbranden door ze simpelweg uit te schelden, veranderde mijn misselijkheid in angst. En toen hij fysiek geweld leek goed te praten als antwoord op politieke meningsverschillen begonnen de alarmbellen in mijn hoofd te rinkelen. Plato had een paar decennia eerder een knagende zorg in mijn geest geplant over de intrinsieke gevaren van het laat-democratische leven. Het werd steeds moeilijker in Plato’s visie geen duistere reflectie te ontwaren van onze eigen hyperdemocratische epoche en in Trump niet een demagogische, tirannieke figuur te zien die rechtstreeks was geplukt uit een van de eerste boeken over politiek die ooit geschreven zijn.

Zou het kunnen dat ‘the Donald’ te voorschijn is gekropen uit de populistische kringen rond het worstelen en de tabloids van New York City, via reality-tv en Twitter, om te bewijzen dat niet alleen Plato maar ook de negentiende-eeuwse Amerikaanse president James Madison het bij het rechte eind had toen ze zeiden dat democratieën ‘altijd spektakelstukken van turbulentie en strijd zijn geweest (…) en in het algemeen net zo kort hebben bestaan als dat ze gewelddadig aan hun einde zijn gekomen?’ Stelt hij de grootste zwakheid van de democratie – haar ontvankelijkheid voor demagogen – op de proef door de schotten omver te blazen die we ooit hadden opgetrokken om te voorkomen dat zo’n persoon aan de macht zou kunnen komen? Of overdrijf ik nu?

Misschien. De misselijkheid komt en gaat, en er zijn dagen geweest dat het nieuws-algoritme me geruststelde dat Trump over zijn hoogtepunt heen was. Maar de misselijkheid is niet verdwenen, en Trump ook niet. Nu hij gevaarlijk dicht in de buurt is om de Republikeinse nominatie rechtstreeks in de wacht te slepen, denk ik dat we de confrontatie met dit schrikbeeld moeten aangaan en helder moeten zijn over wat deze verkiezingen nu al hebben blootgelegd over de kwetsbaarheid van onze manier van leven en de dreiging die onze democratie-in-de-eindfase voor zichzelf begint te worden.

***

Plato was uiteraard geen helderziende. Zijn analyse van de manier waarop een democratie kan veranderen in een tirannie is ingewikkeld en toepasselijker op oude samenlevingen dan op de onze. Zijn minachting voor het democratisch leven werd in niet geringe mate gevoed doordat een democratie zijn mentor Socrates ter dood had gebracht. En hij zou waarschijnlijk stomverbaasd zijn geweest om te zien hoe de Amerikaanse democratie de afgelopen eeuwen met ongekende stabiliteit heeft weten te bloeien, ook al werd zij met steeds meer mensen aangevuld. Zij blijft in mijn ogen een wonder van constitutioneel vakmanschap en culturele veerkracht. Maar zij is niet onsterfelijk, en we mogen er ook niet zonder meer van uitgaan dat zij immuun is voor de krachten die de democratie in de menselijke geschiedenis zo vaak hebben bedreigd.

Zou het kunnen dat ‘the Donald’ te voorschijn is gekropen uit de populistische kringen rond het worstelen en de tabloids, via reality-tv en Twitter?

Een deel van de stabiliteit van de Amerikaanse democratie is te danken aan het feit dat de Founding Fathers hun Plato hadden gelezen. Om onze democratie te beschermen tegen de tirannie van de meerderheid en de hartstochten van het volk trokken zij grote, stevige barrières op tussen de volkswil en de uitoefening van de macht. Het stemrecht werd nauwkeurig omschreven. De president en de vice-president mochten niet door het volk worden gekozen, maar werden geselecteerd door een Kiescollege, waarvan de leden door de diverse staten werden aangewezen, dikwijls door de parlementen van die staten. De structuur van de Senaat (met twee leden uit iedere staat) was bedoeld om de macht van de volkrijkste staten te beperken, en de zittingsduur van de Senatoren (zes jaar, tegen twee jaar voor de leden van het Huis van Afgevaardigden) moest tijdelijke populistische hartstochten temperen. Het Hooggerechtshof, waarvan de leden werden voorgedragen door de president en bevestigd door de Senaat, was het laatste bolwerk tegen democratische passies die uit het Huis zouden kunnen opborrelen en de grondwet zouden kunnen bedreigen. Deze scheiding der machten was juist bedacht om krachtige waarborgen tegen democratische veenbranden te creëren.

In de loop der eeuwen zijn veel van deze ondemocratische regels verzwakt of afgeschaft. Het kiesrecht is uitgebreid en omvat nu veel meer mensen dan louter rijke blanke mannen. De president wordt nu feitelijk door het volk verkozen, waarbij het Kiescollege vrijwel altijd de nationale democratische wil weerspiegelt. Heel lang wezen uitsluitend de elites van de politieke partijen hun kandidaten aan op hun vierjaarlijkse conventies, waarbij de stemmingen grotendeels beperkt waren tot partijfunctionarissen uit de verschillende staten (en dikwijls werden beslist in rokerige achterzaaltjes van grote hotels). Vanaf het begin van de vorige eeuw gingen de partijen echter experimenteren met primaries, en dat veel democratischer systeem is vandaag de dag de norm geworden.

Medium hh 55270761

Niet alleen het Congres en de president werden voortaan via directe democratie verkozen; ook de notie wie gekwalificeerd was voor een openbaar ambt werd erdoor uitgebreid. Ooit hadden kandidaten een carrière opgebouwd op grond van hun ervaring als gekozen volksvertegenwoordiger, als minister of als militair commandant; ze werden feitelijk via een proces van peer review geselecteerd. Dat elitaire selectiemechanisme is langzaam geïmplodeerd. In 1940 werd Wendell Willkie, een zakenman zonder enige politieke ervaring, de Republikeinse presidentskandidaat. Hij beloofde Amerika buiten de oorlog te zullen houden en beroemde zich erop dat zijn persoonlijke rijkdom hem immuun maakte voor corruptie: ‘Ik ben niemand iets verplicht, behalve het volk.’ Hij werd met overmacht door Franklin D. Roosevelt verslagen, maar sindsdien zijn er niettemin steeds meer niet-politieke kandidaten ten tonele verschenen, van Ross Perot en Jesse Jackson tot Steve Forbes en Herman Cain, en de oogst van dit jaar, bestaande uit Ben Carson, Carly Fiorina en uiteraard Donald J. Trump. Deze verdere verbreding van onze democratie – onze toegenomen bereidheid om door wie dan ook te worden geleid, ja, onze steeds grotere voorkeur voor buitenstaanders – is nu bijna compleet.

De barrières voor de volkswil, vooral als het gaat om het kiezen van onze president, zijn nu vrijwel non-existent. In 2000 verloor George W. Bush in termen van het aantal stemmen, maar won hij de presidentsverkiezingen dankzij het Kiescollege en – nog vreselijker – dankzij een stemming in het partijdige Hooggerechtshof. De uiteindelijke erkenning van zijn nederlaag door Al Gore heeft het land een constitutionele crisis bespaard, maar deze episode heeft wel tot wijdverbreide verontrusting geleid, en niet alleen onder Democraten. En dit jaar ligt het systeem van gedelegeerden, dat onze politieke partijen hebben ingericht, onder vuur. Trump betoogt dat de kandidaat met de meeste stemmen de Republikeinse nominatie in de wacht zou moeten slepen, ongeacht de regels die van kracht zijn. De helft van de Amerikanen gelooft nu dat het traditionele nominatiesysteem oneerlijk is.

Velen beweren, uiteraard, dat de Amerikaanse democratie feitelijk in de verdediging is gedrongen, en bijna is verwoest door de toegenomen economische ongelijkheid van de afgelopen kwart eeuw en het vermogen van de superrijken om politieke invloed te kopen. Dit is de kernkritiek van Bernie Sanders. Maar de afgelopen presidentsverkiezingen hebben aangetoond dat het geld van de superrijken feitelijk niet zo veel gewicht in de schaal legt. Barack Obama, wiens campagne in 2008 door kleine donoren werd bekostigd en door het internet werd versterkt, heeft de moderne opstandeling de weg gewezen, door de gedoodverfde favoriet in de Democratische primaries te verslaan, en later ook zijn Republikeinse tegenstander (beiden pijlers van het establishment van hun partijen, gesteund door rijke elites). In 2012 is de financiële macht achter Mitt Romney – de avatar van de 1% – er niet in geslaagd Obama uit zijn ambt te wippen.

En tijdens deze verkiezingscampagne zijn de anti-establishment-kandidaten van beide partijen komen bovendrijven zonder de financiële steun van de elites. Sanders, die zijn campagne tot in Californië heeft weten te financieren dankzij kleine donoren en grote menigten, is – om het maar even boud te stellen – een wandelende weerlegging van zijn eigen betoog. Trump is uiteraard een miljardair die zijn campagne grotendeels zelfstandig heeft bekostigd, maar net als Willkie betoogt hij dat zijn rijkdom hem juist in staat stelt de invloed van de superrijken en hun lobbyisten te weerstaan. Degenen die wanhopen over de invloed van het Grote Geld in de Amerikaanse politiek moeten ook de snelle, vernederende afgang van Jeb Bush en de worstelende establishment-campagne van Hillary Clinton verklaren. Het bewijsmateriaal duidt erop dat de directe democratie, in plaats van te worden gesmoord, feitelijk haar greep op de Amerikaanse politiek heeft verstevigd.

Niets van dit alles hoeft per se een reden tot alarm te zijn, ook al zou het de Founding Fathers hartkloppingen bezorgen. De opkomst van de eerste zwarte president is wonderbaarlijk, en een versterking en zeker geen verzwakking van het systeem. De dagen dat partijmachines de zaken ‘regelden’ of verkiezingen manipuleerden liggen gelukkig achter ons. De manier waarop anti-establishment-kandidaten, van Obama tot Trump en Sanders, miljoenen nieuwe mensen bij het verkiezingsproces hebben betrokken is een onmiskenbare vooruitgang. De insluiting van voorheen buitengesloten stemmen is een stimulans voor onze publieke beraadslaging, in plaats van haar te hinderen. Maar het is juist vanwege de grote prestaties van onze democratie dat we waakzaam moeten zijn ten aanzien van haar specifieke, unieke kwetsbaarheid: haar ontvankelijkheid, in tijden van spanningen, voor de aantrekkingskracht van een schaamteloze demagoog.

***

Wat de 21ste eeuw aan dit beeld heeft toegevoegd – zo is nu zonneklaar – is een mediademocratie, in een waarlijk revolutionaire gedaante. Het heeft de politieke democratie twee eeuwen gekost om volwassen te worden; de mediademocratie is daar binnen twintig jaar in geslaagd. Zij heeft heel snel vrijwel iedere matiging of controle door de elite van ons democratische discours onderuit gehaald. Dit proces had zijn oorsprong eind vorige eeuw in de talk radio. De opkomst van het internet – een gebeurtenis die zo rap en diepgaand is geweest dat de politieke gevolgen ervan nu pas begrepen beginnen te worden – heeft iedere informatiebron verder gedemocratiseerd, het publiek ervan dramatisch uitgebreid en iedereen een platform gegeven. Alle eerdere barrières voor de toegang – de kosten van het drukken, het papier en de distributie bij boeken en tijdschriften, bijvoorbeeld – waren in één klap verdwenen.

Heel veel van dit alles was zeer welkom. De duffe oude media-instituten, vadsig en lui geworden, verdienden een lesje. De vroege, onafhankelijke blogosfeer corrigeerde feiten, stelde vooringenomenheid aan de kaak en kwam met scoops. En naarmate het medium volwassener werd, en Facebook en Twitter wortel schoten, werd iedereen min of meer blogger. Op manieren die geen twintigste-eeuwse journalist zou hebben geloofd, hebben we nu allemaal onze eigen virtuele kranten, in de vorm van onze Facebook-newsfeeds en Twitter-timelines – waarbij verhalen uit talloze bronnen worden opgepikt en een soort peer to peer-media worden gecreëerd die bijna helemaal vrij zijn van redactie of andere vormen van inmenging door de elites. Dit móest de politiek wel ‘vloeibaarder’ maken. Politieke organisatie – het bijeenroepen van een vergadering of van een bijeenkomst om een bepaalde zaak te bepleiten – heeft altijd buitengewoon veel werk gekost. Nu kun je een virtuele massabeweging op de been brengen met één enkele webpagina. Het kost je slechts een paar seconden.

Het web was ook in staat andere mediavormen te absorberen, en genres en categorieën door elkaar te laten lopen op nog niet eerder vertoonde manieren. Het onderscheid tussen politiek en entertainment werd vager; de verslaglegging van verkiezingen ging steeds meer op een sportprogramma lijken; je Pornhub nestelde zich pal naast de Facebook-pagina van je moeder. De algoritmen van het web maakten korte metten met nagenoeg ieder redactioneel oordeel, en het gevolg was dat het televisienieuws al heel snel zelfs de pretentie liet varen om zich af te vragen of iets relevant was of dat iets werkelijk ‘live’ verslagen moest worden, in het streven naar nóg hogere kijkcijfers. Uiteindelijk werd dit alles teruggebracht tot één iets: ‘traffic’ (kijkers, luisteraars en lezers), veel nauwkeuriger gemeten dan enig ander medium ooit eerder had gedaan.

De verslaglegging van verkiezingen ging steeds meer op een sport­programma lijken

En wat dit vooral voedt, is precies wat de Founding Fathers vreesden van de democratische cultuur: gevoel, emotie en narcisme, in plaats van redelijkheid, empirisme en maatschappelijke betrokkenheid. Online debatten worden vrijwel onmiddellijk persoonlijk, emotioneel en onoplosbaar. De Wet van Godwin – het is slechts een kwestie van tijd voordat iemand ergens met Hitler op de proppen komt – weerspiegelt de ineenstorting van het beredeneerde overleg dat de Founding Fathers beschouwden als onmisbaar voor een goed functionerende republiek.

Ja, zo nu en dan worden er redelijke argumenten uitgewisseld, maar er zijn dramatisch minder ‘elitaire’ scheidsrechters voorhanden om vast te stellen welke daarvan echt waar, geldig of relevant zijn. Zelfs voor doorsnee feiten zijn we onze gezaghebbende bronnen kwijtgeraakt. En zonder die gemeenschappelijke empirische worteling neemt de emotionele component van de politiek hand over hand toe, en trekt de rede zich zelfs nog verder terug. Hoe meer de kandidaat op het gevoel weet te spelen, des te meer aanhangers hij of zij zal krijgen.

Politiek hebben we in eerste instantie geluk gehad. Obama zou nooit als president zijn verkozen als hij niet de kracht van het web en het charisma van zijn mediapersoonlijkheid had benut. Maar paradoxaal genoeg was hij ook een elitefiguur, die Senator was geweest van zijn staat en van de VS, op Harvard Law School was opgeleid, en – zo is gebleken – gezegend was met een buitengewoon rationele en kalme aard. Zo heeft hij tijdelijk de werkelijke systeemrisico’s weer aan het oog onttrokken die zijn baanbrekende campagne aan het licht had gebracht. Vandaar de frustraties van zoveel Democraten over hem. Degenen die in zijn campagne de kiemen van revolutionaire verandering meenden te ontwaren en die zich tot hem aangetrokken voelden door hun eigen messianistische zinsbegoocheling zijn op bittere wijze teleurgesteld door zijn gematigdheid en pragmatisme.

Maar het klimaat waarin Obama tot bloei kon komen was ook rijp voor minder ingetogen opportunisten. In 2008 dook Sarah Palin op als bewijs dat een hartstochtelijke Republikein, gebrandmerkt als buitenstaander, geknipt voor reality-tv, trots op haar eigen onwetendheid over de wereld, en zich rechtstreeks tot haar publiek wendend via online media, in dit nieuwe tijdperk ook kon triomferen. Zij bleek een Johannes de Doper te zijn voor de ware Messias van het conservatieve populisme, geduldig en strategisch afwachtend tot zijn tijd zou komen.

***

Trump, zo weten we nu, overwoog al tientallen jaren zich kandidaat te stellen voor het presidentschap. Zij die dit niet hebben zien aankomen – of hem bleven zien als een grap – hadden de precedenten van Obama en Palin nog niet begrepen, noch de macht van het nieuwe, open systeem om de regels van het politieke spel te veranderen. Trump werd door vrijwel iedereen net zo onderschat als Obama in 2007, en om dezelfde redenen. Hij heeft intuïtief het wegkwijnende gezag van de Amerikaanse politieke en media-elites aangevoeld, en hij heeft langdurig een publieke persoonlijkheid ‘klaargestoomd’ die er perfect op was afgestemd ze zijn hielen te laten zien.

Ondanks zijn enorme rijkdom en geërfde voorrechten heeft Trump altijd zijn ‘gewoonheid’ gecultiveerd. Hij heeft zijn rijkdom niet verborgen, maar ermee gepronkt op een manier waarmee hij de massa’s wist te bereiken. Hij heeft het rijke leven waar de meeste werkenden van droomden – eindeloze glamour en mooie vrouwen, bijvoorbeeld – zonder concessies te doen aan een manier van praten over de wereld die niet zou misstaan op de bouwlocaties die hij regelmatig bezocht. Hij droeg een cultus uit van democratische aspiratie. Zijn boek The Art of the Deal uit 1987 beloofde zijn lezers een route naar onmiddellijk succes; zijn optredens in de Howard Stern Show bevestigden zijn aantrekkingskracht. Zijn vriendschap met de voormalige worstelaar en miljardair Vince McMahon bood hem een vroege entree in de wereld van het professionele worstelen, met zijn vermenging van sport en fantasie. Hij was een macho-media-superster.

Trump cultiveerde dit imago ijverig en verscheen als natuurtalent op reality-tv. Iedere week keek hij – veertien seizoenen van The Apprentice lang – iemand recht in de ogen, om hem of haar te vertellen dat hij of zij ontslagen was. Het gesprek dat de meeste humane bazen niet graag voeren met een werknemer was iets waar Trump duidelijk van genoot, en die meedogenloosheid werd entertainment. Achteraf gezien is het duidelijk dat hij aan het trainen was – zowel zichzelf als zijn kijkers. Als je wilt begrijpen waarom iemand die zo impopulair is niettemin op zijn verkiezing afstevent alsof hij op weg is naar de finale van een reality-tv-show, hoef je niet verder te kijken. Zijn televisietactiek, zoals hij die heeft toegepast in de verkiezingsdebatten, haalde concurrenten onderuit die aan een ander spelletje gewend waren. En onze reality-tv-training heeft ervoor gezorgd dat wij nu hopen dat hij wint, of op z’n minst tot de laatste ronde in het spel zal blijven. In zo’n schaamtevrije mediaomgeving zijn het vaak de klootzakken die winnen. En uiteindelijk steun je hen, juist omdat ze klootzakken zijn.

***

In zijn klassieke verhandeling uit 1951, The True Believer, schetst de politieke filosoof Eric Hoffer de dynamiek van een echte massabeweging. Hij dacht daarbij aan de onrust in Europa in de eerste helft van de twintigste eeuw, maar het boek blijft ontnuchterend, vooral nu. Hoffers belangrijkste inzicht was het lokaliseren van de bron van alle echte massabewegingen in een collectief gevoel van acute frustratie. Geen wanhoop, of opstand, of berusting – maar frustratie, kokend van woede. Massabewegingen, zo merkt hij op (zoals Tocqueville al een eeuw eerder had gedaan), komen zelden op wanneer de onderdrukking of de ellende op z’n ergst is (zoals in 2009); zij hebben de neiging de kop op te steken als het ergste al achter de rug is, maar de toekomst niet veel beter lijkt (zoals in 2016). Als het herstel eindelijk aan vaart wint en enige verbetering voelbaar maar nog niet wijdverbreid is, begint de woede toe te nemen. Na het lijden onder de recessie of de werkloosheid, en ondanks hard werken met een stagnerend of slinkend inkomen, blijft de verbetering nét buiten bereik. Als degenen die hebben bijgedragen aan de jongste recessie daar niet voor hoeven op te draaien, maar juist blijken te genieten van hernieuwde rijkdom bereikt deze woede een hoogtepunt.

De diepere redenen die achter de hedendaagse woede schuilgaan zijn niet moeilijk aanwijsbaar, hoewel velen van ons die tot de elite behoren ze tot onze schaamte hebben kunnen negeren. De banen die voor de arbeidersklasse zijn overgebleven bieden niet langer het soort vakmanschap of bevrediging of betekenis dat de angel uit hun lage lonen kan halen. De ooit zo bekende routes die beschikbaar waren voor socialisering – de kerk, de vakbondshal, de veteranenclub – zijn minder voor de hand liggend geworden, en het sociaal isolement is algemener dan voorheen. De mondiale economische krachten hebben de fabrieksarbeiders harder getroffen dan bijna ieder ander segment van de samenleving; ze zijn gedwongen te concurreren met honderden miljoenen even goed opgeleide arbeiders over de hele planeet. Niemand heeft hun in de jaren negentig gevraagd of dit de toekomst was die zij wilden. En de impact is meedogenlozer geweest dan veel economen hadden voorspeld. Geen wonder dat de zelfmoorden en sterftecijfers onder werkende arme blanken dramatisch zijn gestegen.

‘Het zijn doorgaans degenen wier armoede betrekkelijk recent is, de “nieuwe armen”, die kampen met de onrustgevoelens van de frustratie’, schrijft Hoffer. Fundamentalistische religies hebben de achterblijvers lang enige emotionele steun geboden (onder meer omdat ze hun aanhangers uitnodigden de elites als onheilig te veroordelen), maar hun invloed is afgenomen nu de moderniteit in bijna alles is doorgedrongen en de grote cultuuroorlogen van de jaren negentig en het begin van deze eeuw in een nederlaag voor de religies zijn geëindigd. Het gevolg is een meer gevarieerde mainstreamcultuur geweest – maar tegelijkertijd ook een nóg meer vervreemde en verafschuwde subcultuur, die steeds bozer en bloeddorstiger is geworden.

Medium hh 55239528
Trump heeft zijn rijkdom niet verborgen, maar ermee gepronkt op een manier waarmee hij de massa’s wist te bereiken

Dit is een tijdperk waarin een vrouw een zwarte man als president kan opvolgen, maar ook een tijdperk waarin een lid van de blanke arbeidersklasse afnemende kansen heeft om in een behoorlijk levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit is een tijd waarin homoseksuelen in vijftig Amerikaanse staten kunnen trouwen, terwijl arbeidersgezinnen nauwelijks kunnen rondkomen. Het is een periode waarin we ons bewuster zijn geworden van de historische onrechtvaardigheden waardoor Afrikaans-Amerikanen nog steeds worden achtervolgd, maar waarin we de wanhopige problemen van de hedendaagse blanke arbeidersklasse nog steeds niet serieus nemen. Zo leidt het laat-kapitalisme tot een gerechtvaardigde, revolutionaire woede die onze huidige democratie maar met zeer veel moeite heeft weten te matigen of in te dammen – en feitelijk heeft helpen versterken.

De leden van de blanke arbeidersklasse merken nu dat hun geslacht en ras, en de manier waarop zij over de werkelijkheid praten, worden afgeschilderd als een probleem dat de natie moet zien te overwinnen. Dit is slechts één aspect van wat Trump op meesterlijke wijze heeft gesignaleerd als ‘politieke correctheid’ die op hol is geslagen, of wat misschien beter omschreven kan worden als de nieuwe, rechtlijnige progressieve passie voor raciale en seksuele gelijkheid, ongeacht verdienste, ten koste van de vroegere progressieve eis van de gelijkheid van kansen.

Een groot deel van opgeleefd links ziet de leden van de blanke arbeidersklasse niet als bondgenoten maar vooral als fanatici, vrouwenhaters, racisten en homofobe dwazen, waardoor degenen die dikwijls in de laagste regionen van de economie verkeren nu ook worden veroordeeld tot de laagste treden van de cultuur. Een blanke man die het zwaar heeft wordt nu door studenten aan elite-universiteiten verteld dat hij ‘zijn privilege moet inzien’. Zelfs als je vindt dat hij nog steeds bepaalde voordelen geniet, is het lastig geen empathie te voelen met het object van deze minachting. Deze toch al vervreemde arbeidersgemeenschappen horen dat ‘heteroseksuele blanke mannen’ de ultieme bron van al onze problemen zijn. Zij ondergaan de neerbuigende generalisaties – die weerzinwekkend zouden worden bevonden als ze tegen raciale minderheden zouden zijn gericht – en hebben het gevoel, in de woorden van Hoffer, dat ze ‘onterfd en geschaad worden door een onrechtvaardige orde der dingen’.

En dus wachten zij tot zij overkoken en erop los slaan. Dit maakte deel uit van de emotionele kracht van de Tea Party: niet alleen de verbetering van de positie van raciale minderheden, homoseksuelen en vrouwen, maar de gelijktijdige demonisering van de wereld van de blanke arbeidersklasse, haar cultuur en haar manier van leven. Obama heeft dat nooit zo bedoeld, maar voor velen is hij een symbool geworden van deze culturele marginalisering. Het links van Black Lives Matter heeft de vuurtjes nog verder opgestookt, evenals homoseksueel links, dat het woord ‘grootmoedigheid’ niet lijkt te kennen, zelfs niet na het behalen van verbluffende successen.

Toen de Tea Party in 2010 Washington in haar greep hield, en toen haar vertegenwoordigers herhaaldelijk de regering ‘gijzelden’ op het punt van de begroting, de kredietwaardigheid van de VS bedreigden en weigerden hoorzittingen te houden over een voorgedragen kandidaat voor het Hooggerechtshof, koos het Amerikaanse politieke en media-establishment er doorgaans voor dergelijk gedrag te interpreteren als ‘ongekend’. Maar Trump heeft gezien wat anderen niet hebben gezien, precies zoals Hoffer opmerkte: ‘Je kunt beter varen op het gefrustreerde individu en de ware gelovige dan op degenen die redenen hebben de status-quo te handhaven.’

***

Massabewegingen, betoogt Hoffer, onderscheiden zich door een ‘mogelijkheid van schijn (…), een goedgelovigheid, een bereidheid om het onmogelijke te proberen’. Wat, zo vraag je je af, zou er onmogelijker kunnen zijn dan het plotseling onderzoeken van iedere bezoeker van de VS op sporen van het islamitisch geloof? Wat zou er méér schijn kunnen zijn dan een grote, mooie muur langs de hele Amerikaans-Mexicaanse grens, betaald door de Mexicaanse regering? Wat zou er goedgeloviger kunnen zijn dan te betogen dat we onze nationale schuld kunnen afbetalen via een mondiale handelsoorlog? In een conventionele politieke partij, en in een rationele politieke discussie, zouden zulke ideeën weggelachen worden, omdat hun vanzelfsprekende onmogelijkheid ze diskwalificeert voor iedere serieuze overweging. Maar in de emotionele hartstocht van een democratische massabeweging worden deze onmogelijkheden bakens van hoop en symbolen van een nieuwe manier van politiek bedrijven. Hun hele onmogelijkheid is juist hun aantrekkingskracht.

Maar de krachtigste motor van zo’n beweging – dat wat die beweging op gang krijgt en vormt, en haar bestendigt – is altijd de evocatie van haat. Dat is, zoals Hoffer het stelt, ‘het meest toegankelijke en meest samenhangende van alle verenigende elementen’. En dus is Trump zijn campagne begonnen met illegale Mexicaanse immigranten een bevolkingsgroep te noemen die grotendeels uit verkrachters en moordenaars bestaat. Daarna heeft hij zich op de moslims gestort, zowel in binnen- als buitenland. En ten slotte heeft hij aan deze vijanden – met geniale sluwheid – het Republikeinse establishment zelf toegevoegd. Wat Trump tot een uniek gevaar maakt in de geschiedenis van de Amerikaanse politiek is zijn reactie op deze drie vijanden. Dat is zijn dreiging van botte dwang en overheersing.

Dus na het demoniseren van illegale Mexicaanse immigranten heeft hij beloofd ze alle elf miljoen met geweld op te pakken en te deporteren. ‘Ze moeten gaan’, was de kenmerkend botte zinsnede die hij gebruikte – en op een of andere manier herkenden de mensen niet meteen de monsterlijke historische echo’s daarvan. Alleen al de omvang van de militaire en politie-inzet die dit beleid met zich zou meebrengen gaat je verstand te boven. Erger nog, hij benadrukte – na de massamoord in San Bernardino – dat zelfs de islamitische Amerikanen die je tot je vrienden rekent je op ieder onbewaakt moment kunnen doden. ‘Er is iets gaande’, verklaarde hij dreigend, waarmee hij legitimiteit schonk aan de meest hysterische en nare menselijke impulsen.

Als je dit fascisme noemt, doe je het fascisme te kort. Dat had in zekere zin nog een ideologie en incidentele samenhang die Trump geheel en al ontbeert. Maar zijn beweging is duidelijk fascistisch in haar demonisering van buitenlanders, haar overdrijving van de dreiging die uitgaat van een binnenlandse minderheid (moslims en Mexicanen zijn de nieuwe joden), haar nadruk op één opperste leider van wat alleen maar een cult kan worden genoemd, en haar diepe geloof in geweld en dwang in een democratie die tot nu toe heeft berust op debat en overtuiging. Dit is ons eigen Weimar-moment. Net zoals de Engelse Burgeroorlog eindigde in de dictatuur van Oliver Cromwell, de Franse Revolutie ons Napoleon Bonaparte heeft gegeven, de instabiele chaos van de Russische democratie Vladimir Poetin heeft voortgebracht, en de recente opwelling van Egyptische democratie de omstandigheden heeft geschapen voor de coup van generaal El-Sisi, leidt onze verlamde, emotionele hyperdemocratie de struikelende, gefrustreerde, boze kiezer naar de hersenschimmige panacee van Donald Trump.

Zijn reactie op zijn derde ingebeelde vijand, het Republican National Committee (rnc), is ook doordesemd van de dreiging met geweld. Er zullen rellen plaatsvinden in Cleveland, tijdens de nationale Republikeinse conventie in juli, als hij zijn zin niet krijgt. De rnc zal het ‘zwaar krijgen’ als zij niet meewerkt. De afgelopen maand hebben gedelegeerden naar de conventie in Cleveland doodsbedreigingen ontvangen; een van Trumps vazallen, Roger Stone, heeft al gedreigd de hotelkamers van de gedelegeerden bekend te zullen maken die weigeren op Trump te stemmen.

En wat opmerkelijk is aan de aanhangers van Trump is precies wat je zou verwachten van leden van een massabeweging: hun intense loyaliteit. Trump is hún man, hoe onsamenhangend ze ook zijn als ze moeten uitleggen waarom. Hij is sterk, hij is echt, en zij steunen hem, vooral als hij wordt aangevallen door mensen die ze zijn gaan haten: progressieve Democraten en traditionele Republikeinen. Als er op bijeenkomsten een betoger uit de zaal wordt gegooid, kun je bijna de aanzwellende woede voelen van het collectief dat zich afreageert op een eenzame dissident, en dat een soort catharsis vindt in het meedogenloze geweld dat een menigte een individu kan aandoen. Trump zegt tegen zijn publiek dat hij een betoger in het gezicht wil slaan of hem weggedragen wil zien worden op een stretcher. Geen moderne politicus die zo dicht bij het presidentschap is gekomen heeft geweld op deze manier bewierookt. Het zou diskwalificerend zijn als onze hyperdemocratie niet al korte metten had gemaakt met diskwalificaties.

Als de vijand een Mexicaan of een moslim is, en je eigen gelederen buitengewoon blank zijn, ben je bezig een raciaal conflict te ontketenen

Hoewel het cruciale element van het twintigste-eeuwse fascisme – georganiseerd straatgeweld – nog ontbreekt, kun je het al in embryonale vorm zien. De falanx van bodyguards rondom Trump groeit bijna dagelijks; uitsmijters in burgerkleren duiken in de menigten op als pseudo-agenten die de onrust in de kiem moeten smoren waartoe zijn kandidatuur zal blijven leiden; aanhangers vallen ordeverstoorders met soms verbijsterende felheid aan. Iedere keer dat Trump potentieel geweld van zijn aanhangers legitimeert door te zeggen dat het voortvloeit uit hun vaderlandsliefde zaait hij de kiemen voor ernstige civiele onrust.

Trump juicht marteling toe – de enige echte liefde van tirannen overal ter wereld – niet omdat het informatie zou opleveren, maar vanwege het demonstratieve effect ervan. Op zijn bijeenkomsten heeft hij het over de mythische daden van een zekere generaal John J. Pershing, die werd geconfronteerd met een veronderstelde uitbraak van islamitisch terrorisme op de Filippijnen. In het verhaal van Trump stelt Pershing vijftig islamitische gevangenen op en schiet een serie kogels in de lijven van zojuist geslachte varkens. Vervolgens geeft hij zijn mannen opdracht hun geweren met die kogels te laden en 49 van de gevangen moslims te doden. Slechts één gevangene wordt gespaard, zodat hij het aan zijn vrienden kan vertellen. Einde van het terrorismeprobleem.

In sommige opzichten bevat dit verhaal alle elementen van de aantrekkingskracht van Trump. Het kwellende probleem van het aanpakken van de jihadistische terreur? Martel en vermoord genoeg terroristen, en ze zullen vanzelf ophoepelen. De ingewikkelde kwestie van illegale arbeiders, die worden aangetrokken door werk waar veel Amerikanen hun neus voor ophalen? Deporteer ze allemaal en bouw een muur om de rest tegen te houden. Weg met de politieke correctheid. Zoals een van zijn aanhangers tegen een stompzinnige verslaggever zei die op een bijeenkomst vroeg of hij Trump steunde: ‘Hell yeah! He’s no-bullshit. All balls. Fuck you all balls. That’s what I’m about.’ En daarin schuilt de aantrekkingskracht van tirannen vanaf het begin der tijden: ‘Fuck you all balls.’ Gespierde irrationaliteit.

Het raciale aspect van dit alles is eveneens onmiskenbaar. Als de vijand een Mexicaan of een moslim is, en je eigen gelederen buitengewoon blank zijn, ben je bezig een raciaal conflict te ontketenen. En wat werkelijk beangstigend is aan Trump is dat hij daar niet voor lijkt terug te schrikken, maar juist van geniet. >

Want net als alle tirannen ontbeert hij iedere zelfcontrole. Slechts een paar uur per nacht slapend, impulsief twitterend tijdens de vroege uurtjes van de dag, als een idioot improviserend over onderwerpen waar hij niets van af weet, roept Trump maar wat tijdens zijn plundertocht door een volstrekt reactief medialandschap. Opnieuw heeft Plato zijn temperament treffend verwoord: een tiran is een man ‘die geen controle over zichzelf heeft [en] probeert over anderen te heersen’; een man die wordt overspoeld door angst, liefde en hartstocht, zonder enig vermogen om deze emoties binnen de perken te houden; een ‘slaaf van de grootste vleierijen’, een man die ‘zijn hele leven (…) bang is geweest, en overspoeld wordt door stuiptrekkingen en pijn’. Klinkt dit bekend in de oren? Trump is zo kwikzilverachtig, onvoorspelbaar en emotioneel als zijn dagelijkse stroom Twitter-berichten. En dan overwegen we deze man toegang te geven tot de codes van ons kernwapenarsenaal.

***

Zij die geloven dat Trumps lelijke, gewelddadige populisme geen enkele kans maakt op het Witte Huis lijken mij deze dynamiek uit het oog te verliezen. Neofascistische bewegingen groeien niet geleidelijk door overreding; zij veranderen eerst de voorwaarden van het debat, creëren een nieuwe beweging op basis van ongeremde emotie, nemen bestaande instellingen over, en profiteren vervolgens meedogenloos van de gebeurtenissen. De huidige cijfers van de opiniepeilingen zijn dus louter geruststellend als je de potentiële impact van plotselinge, externe gebeurtenissen buiten beschouwing laat – een economische inzinking of een terreuraanslag in een grote stad in de maanden vóór november. Ik twijfel er bijvoorbeeld niet aan dat Trump eerlijk is in zijn wens om ‘IS te onthoofden’, wat dat ook mag betekenen. Maar het blijft een feit dat de belangen van IS en de Trump-campagne nu perfect op één lijn liggen. Angst is altijd de grootste bondgenoot van de aspirant-tiran.

En ook al zijn de negatieve rapportcijfers van Trump buitengewoon hoog (zo’n 65 procent van de ondervraagden zegt hem niet te moeten), hij toont al (zij het nog onwillig) tekenen dat hij op het punt staat zijn toon te matigen en van plan is zich een presidentiëler imago aan te meten in de aanloop naar de verkiezingen in november. Ik vermoed dat dit voor sommige onnozele halzen een soort geruststelling zal zijn, zodat ze hun geest opnieuw voor hem openstellen. Tirannen kennen net als maffiabazen de waarde van een glimlach: juist vanwege de angst die hij al heeft gegenereerd wil je wanhopig geloven in zijn nieuwe warmte. Het is de routine van de good-cop-bad-cop die iedereen die het presidentschap van Vladimir Poetin heeft bestudeerd bekend zal voorkomen.

Medium hh  2056713216

Trumps idee is eenvoudig. Herinnert u zich nog de kernvraag van James Carville, de campagneleider van Bill Clinton, bij de verkiezingen van 1992? Verandering of méér van hetzelfde? Op grond van dat sentiment werd Bill Clinton toen president; en Trump zou er dit najaar door in het zadel geholpen kunnen worden. Als je van Amerika houdt zoals het is, moet je op Hillary Clinton stemmen. Zij is immers al een kwart eeuw lid van de Amerikaanse politieke elite. Clinton heeft bovendien niet aangetoond dat ze over het vermogen beschikt méér mensen te inspireren dan degenen die al lang aan haar kant staan. Ze is de weg kwijt in de nieuwe media en heeft hard moeten vechten om een 74-jarige socialist vóór te blijven die nauwelijks lid is van haar partij. Haar eigen rapportcijfers zijn niet veel beter dan die van Trump (54 procent van de kiezers zegt haar niet te moeten) en veel slechter dan die van Obama, John Kerry of Al Gore toen zij op dit punt in de race waren aanbeland. Hoe meer zij campagne voert, des te impopulairder ze wordt (ook in haar eigen partij). Ze heeft een Al Gore-probleem. Het idee haar voor de komende vier jaar in je woonkamer uit te nodigen kan – zo nu en dan – behoorlijk masochistisch overkomen.

Het kan zijn dat we door de demografie gered zullen worden. Amerika is niet langer een overwegend blank land, en het kernpunt van Trumps campagne – de illegale immigratie – is zowel de bron van zijn kracht als van zijn zwakte. Niettemin kan het geen kwaad op te merken hoe de opiniepeilingen voortdurend de breedte van zijn steun hebben onderschat; hij zal waarschijnlijk zijn uiterste best doen met zijn campagne dit najaar ook de minderheden te bereiken; en degenen die ervan overtuigd zijn dat hij geen hele nieuwe groep blanke kiezers kan aanspreken, doen er goed aan zich 2004 te herinneren, toen Karl Rove, de politieke strateeg van George W. Bush, de constitutionele amendementen van de staat tegen het homohuwelijk hielp opstellen, die voor een grotere opkomst van conservatieve kiezers zorgden. Trump heeft maar een kleine hoeveelheid stemmen van minderheden nodig, geïnspireerd door de nieuwe energie van zijn campagne, en de dominantie van de zogenoemde Obama-coalitie zou het wel eens kunnen begeven (vooral zonder Obama zelf). De afgelopen jaren zijn de opiniepeilingen in het hele Westen, van Frankrijk tot Groot-Brittannië en Duitsland, de kracht van de rechtse opstand blijven onderschatten.

Als Trump in het Witte Huis zou komen, zou de verdedigingslinie tegen hem zwak zijn. Hij zou waarschijnlijk kunnen bogen op een Republikeinse meerderheid in het Huis van Afgevaardigden, en de Republikeinen in de Senaat zouden de volkswoede over zich afroepen als ze hem in de weg zouden staan. De impasse (vier tegen vier) in het Hooggerechtshof zou hij in zijn voordeel kunnen doorbreken (wat grotendeels het gevolg zou zijn van de ongekende beslissing van de Republikeinen om de vacature ‘door het volk te laten vullen’, een nieuwe hyperdemocratische inbreuk op onze constitutionele verdedigingslinies). En als het beleid van Trump zou worden gedwarsboomd door andere takken van de regering, hoe zou hij dan reageren? Kijk maar naar zijn reactie op de Republikeinse regels van het nominatieproces. Hij is niet geïnteresseerd in regels. En hij begrijpt de grondwet maar nauwelijks.

Als de elites niet kunnen regeren zal een of andere buitenstaander proberen te regeren met de hartstocht van het volk en bruut geweld

Op een onthullend moment eerder dit jaar zei Trump, toen hem werd gevraagd wat hij zou doen als een militair zou weigeren een illegaal bevel uit te voeren om een gevangene te martelen, eenvoudigweg dat de man zou gehoorzamen: ‘Hij weigert niet. Dat zal hij niet doen, geloof me.’ Hij paste zijn opmerking later aan, maar dit spreekt boekdelen over zijn machtsopvatting.

In zijn roman uit 1935, It Can’t Happen Here, heeft Sinclair Lewis beschreven wat er zou kunnen gebeuren als het fascisme, dat zich op dat moment in Europa aan het verspreiden was, ook in Amerika zou triomferen. Het is geen goede roman, maar de boodschap blijft wel hangen. De fictieve leider van de Amerikaanse fascisten – een senator genaamd Buzz Windrip – is een ‘professionele gewone man (…) Maar hij was Dé Gewone Man, vijfentwintig maal uitvergroot door zijn retoriek, zodat terwijl de andere gewone mensen alles wat hij wilde – en wat zij zelf ook wilden – heel goed begrepen, zij hem boven hen uit zagen steken, en hun handen uit verering naar hem ophieven.’

Hij ‘was vulgair, vrijwel ongeletterd, een makkelijk te ontmaskeren publieke leugenaar, en qua ideeën bijna idioot’. ‘Ik ken de pers maar al te goed’, zegt Windrip op een gegeven moment. ‘Bijna alle redacteuren verbergen zich in spinnenwebben; het zijn mannen die geen oog hebben voor het gezin of voor het algemeen belang (…) ze bekokstoven hoe ze hun eigen leugens kunnen toedekken, hun positie kunnen verbeteren en hun hebzuchtige portefeuilles kunnen vullen.’

Hij is geobsedeerd door het handelsevenwicht en belooft onmiddellijke economische successen: ‘Ik zal niet tevreden zijn tot dit land alles kan produceren wat we nodig hebben (…) We zullen een handelsbalans hebben die zal zorgen voor de verwezenlijking van mijn dikwijls bekritiseerde maar volkomen gezonde gedachte om ieder gezin drie- tot vijfduizend dollar per jaar te laten verdienen.’ Hoe denkbeeldig en leeg zijn beloften ook mogen zijn, hij weet niettemin op de conventie (in Cleveland!) de partijgetrouwen te hypnotiseren: ‘Iets in de intensiteit waarmee Windrip naar zijn publiek keek, naar hen allemaal, hen langzaam observerend van de voorste rij tot de achterste, overtuigde hen ervan dat hij zich rechtstreeks en individueel tot ieder van hen richtte; dat hij ieder van hen in zijn hart wilde sluiten; dat hij de waarheden en de onontkoombare, gevaarlijke feiten met hen wilde delen die voor hen verborgen waren gebleven.’

En alle elites die hem in de weg stonden? Verlamd door hun eigen falen en gedemoraliseerd door hun afbrokkelende posities drijven ze eerst de spot met hem, om vervolgens te capituleren. Zoals een eenzame journalist vóór de verkiezing klaagt (hij belandt naderhand in een concentratiekamp): ‘Ik moet blijven bedenken (…) dat Windrip slechts de lichtste kurk is in de draaikolk. Hij heeft dit niet allemaal zelf bedacht. Met alle gerechtvaardigde ontevredenheid tegen slimme politici en chique plutocraten die er is, was er wel een ander komen bovendrijven als er geen Windrip was geweest (…) Wij Respectabelen hebben dit over onszelf afgeroepen.’

En 81 jaar later hebben velen van ons dit ook daadwerkelijk gedaan. Een Amerikaanse elite die een enorme en nog steeds stijgende staatsschuld heeft laten ontstaan, die 9/11 niet heeft weten te voorkomen, die voor een desastreuze oorlog in het Midden-Oosten heeft gekozen, die de financiële markten heeft toegestaan de wereldeconomie bijna te vernietigen, en die nu zo bitter verdeeld is dat het Congres in een constitutionele democratie feitelijk verlamd is: ‘Wij Respectabelen’ krijgen nu ons verdiende loon. De cruciale en waardevolle les van het fenomeen Trump is dat als de elites niet via compromissen kunnen regeren een of andere buitenstaander uiteindelijk zal proberen te regeren met de hartstocht van het volk en bruut geweld.

Maar elites doen er in een democratie nog steeds toe, niet omdat zij de vijand zijn, maar omdat ze het cruciale ingrediënt in huis hebben om die democratie tegen zichzelf te beschermen. Het politieke establishment mag kapotgebeukt en gedemoraliseerd zijn, en zijn meerdere hebben erkend in de algoritmen van het web en de oneliners van een begiftigd demagoog, dit is niet de tijd om Amerika’s nagenoeg unieke en stabiliserende mix van democratie en verantwoordelijkheid van haar elites op te geven. Het land heeft veel zwaardere tijden dan de huidige gekend zonder ten prooi te vallen aan stuitende demagogie; het heeft het fascisme weten te vermijden dat Europa heeft vernietigd; het heeft buitengewone hoeveelheden democratische energie in de constitutionele orde gegoten. Het lijkt schokkend om in dit democratische tijdperk te moeten bepleiten dat we elites nodig hebben – vooral tegen de achtergrond van de enorme inkomensongelijkheid en het falen van de elites om ons heen. Maar we hebben hen juist nodig om onze dierbare democratie te behoeden voor haar eigen destabiliserende excessen.

De Democraten die zo opgewekt een monsteroverwinning voor Hillary Clinton in november voorspellen moeten dus hun zelfgenoegzaamheid zien te bedwingen en begrijpen dat de kwestie-Trump echt geen reden meer is voor leedvermaak over de Republikeinen. Het is veel gevaarlijker. Degenen die nog steeds hun steun betuigen aan de demagoog van links, Bernie Sanders, moeten bedenken dat hun kritiek op Clintons ervaring en deskundigheid – en hun gemakkelijke vereenzelviging daarvan met corruptie – Trump louter troeven in handen geeft. Dat het Clintons taak is de ambities van haar partij bij te stellen zal ongemakkelijk zijn om te zien, omdat haar bereidheid tot het sluiten van compromissen en het houden van een slag om de arm precies is wat veel Amerikanen zo verdacht aan haar vinden. Toch zou zij al snel wel eens het enige kunnen zijn wat we nog over hebben om de dreiging van Trump te keren. Zij zal het dodelijke gevaar van haar vijand moeten begrijpen, het soort identiteitspolitiek zien te matigen dat hem onbedoeld in de kaart speelt, zal moeten uitdragen dat ervaring en gematigdheid geen ondeugden zijn, en veel directer de zorgen van de blanke arbeidersklasse moeten verwoorden – en de Democraten zullen moeten luisteren.

Nóg belangrijker is dat de Republikeinen die nog in staat zijn zich te verzetten tegen de nominatie van Donald Trump onze hartstochtelijke steun verdienen, in plaats van onze minachting. Dit is niet het moment om hen eraan te herinneren dat zij dit deels aan zichzelf te danken hebben. Dit is een moment om solidariteit te bieden, vooral nu de strijd om de nominatie verloren is. Een kandidatuur voor een derde partij van een rechts figuur uit de mainstream als Mitt Romney is technisch nog steeds denkbaar; een krachtige strijd is nog steeds mogelijk op de Cleveland-conventie tegen het neofascistische beleid van massadeportaties, religieuze discriminatie, en oorlogsmisdaden; en bij ontstentenis daarvan zou een krachtige publieke stellingname van principiële Republikeinen tegen de presidentskandidaat van hun eigen partij dit najaar de kiezers in cruciale ‘swingstaten’ nog steeds de andere kant op kunnen bewegen.

Bovenal moeten deze belaagde Republikeinen van de oude school iedere verleiding weerstaan om Trump loyaal te steunen of deze verkiezingscampagne in ieder geval hun mond te houden. Zij moeten Trump juist bij iedere gelegenheid bestrijden, samen met de Democraten en de Onafhankelijken tegen hem optreden, en bereid zijn één verkiezing op te geven om hun partij en hun land te redden. En méér van hen zouden moeten zeggen wat sommigen al hebben gezegd: dat zij de voorkeur geven aan Hillary Clinton boven het monster dat de basis van hun partij op het land en de wereld heeft losgelaten.


Dit artikel verscheen in New York Magazine

Vertaling Menno Grootveld


Andrew Sullivan

Andrew Sullivan (1963) is een invloedrijke politiek commentator en blogger die in Engeland werd geboren en sinds 1984 in de Verenigde Staten woont. Hij is conservatief, homoseksueel én rooms-katholiek, waardoor hij niet eenvoudig plaatsbaar is in het Amerikaanse debat. Hij neemt klassiek libertaire standpunten in – zo is hij voor een kleine overheid en tegen positieve actie – maar tegelijkertijd pleitte hij vóór het homohuwelijk, voor antidiscriminatiewetten, sociale zekerheid en een progressief belastingstelsel. Sullivan was een tijd redacteur van The New Republic, onderhield van 2000 tot 2015 een zeer succesvolle blog, The Dish, en schrijft voor de belangrijke Amerikaanse media. Hij publiceerde onder meer de boeken Virtually Normal: An Argument About Homosexuality (1995) en The Conservative Soul: How We Lost It, How to Get It Back (2006)

Beeld: (1) San Diego, 27 mei. Actievoerders en Trump- aanhangers botsen na a oop van een Trump-manifestatie (Hayne Palmour IV / Zuma Press / HH); (2) Een rally voor Trump, 21 april, in het Pennsylvania Farm Show Complex and Expo Center in Harrisburg, Pa. (Julio Cortez / AP / HH); (3) Campagnebijeenkomst op Stephen Decatur High School, 20 april, in Berlin, Md. (Alex Brandon / AP / HH); (4) 2 juni, San Jose. Na afloop van een campagnebijeenkomst voor Donald Trump ontstaat er enige wrijving tussen demonstranten en Trump-aanhangers (Noah Berger / AP / HH)