‘Er wordt veel nagepapegaaid’

Onderzoeken versterken het idee dat de integratie van immigranten in Nederland mislukt is. Terwijl er wel degelijk vooruitgang is. Staan de onderzoeksbureaus wel op voldoende afstand van de politiek?

Het gerenoveerde voormalige ministerie van Economische Zaken aan de Haagse Bezuidenhoutseweg huisvest tegenwoordig de Nederlandse Planbureaus. De lange gangen van dit rijksmonument ademen nog steeds de strengheid van een middeleeuws klooster. Nieuw na de verbouwing is de centrale hal die alle ruimten met elkaar verbindt. In stedenbouwkundige termen wordt dit een marktplein genoemd. Het is een geëigende metafoor voor de plek waar integratie, de meest besproken en omstreden sociale problematiek van deze tijd, wordt becommentarieerd. Waarom conformeren nieuwkomers zich niet aan onze waarden en normen? Ook in de campagnes voor de Kamerverkiezingen is het, van links tot rechts, het meest polariserende politieke onderwerp. Met als nieuwste smaakmaker de Doe normaal of ga weg-advertentie van de vvdin de landelijke dagbladen. Onder het mom van het tegengaan van de verhuftering van de maatschappij wordt de verantwoordelijkheid voor de grimmige samenleving die Nederland zou zijn geworden gehaaid in de schoenen van Nederlanders met een migratie-achtergrond geschoven. Zíj zijn niet loyaal aan Nederland.

Medium hh 55536151
Turkse lekkernijen op de open dag bij de Centrum Moskee in Deventer © Berlinda van Dam / HH

Maar wat weten we na ruim een halve eeuw migratie, op basis van de vloed van onderzoeken, monitoren en barometers die de afgelopen decennia door tal van instituten en academiën over Nederland is uitgestort, nu feitelijk van de denk- en leefwereld van verschillende groepen immigranten? Wat wordt er onderzocht, wat niet en waarom? En laten onderzoekers zich minder dan politici en de media meetrekken in de drang naar uniformiteit van de tijdgeest?

Cijfers, statistieken en grafieken vormen nog steeds dé kroonjuwelen. Ze zijn het hart van het wetenschappelijke onderzoekswerk en de legitimatie dat integratie een hoofdpijndossier blijft. En ze leggen het grillige karakter van de ontwikkelingen bloot. Bijvoorbeeld dat in het onderwijs langzaam vooruitgang wordt geboekt, terwijl tegelijkertijd de jeugdwerkloosheid of criminaliteit onder bepaalde bevolkingsgroepen relatief hoog blijft. Tegen de achtergrond van de sterk toegenomen polarisatie en buitenlanderhaat schuilt hierin een groeiend gevaar. In de gejaagdheid om feiten boven water te krijgen, trends vast te stellen, greep te krijgen op ontwikkelingen in minderheidsgroepen, worden deze zogeheten harde indicatoren – cijfers en statistieken – door politici en beleidsmakers met zoveel overtuiging geciteerd dat ze in het publieke en maatschappelijke debat blijven rondzingen alsof het algemeen geldende feiten zijn.

Maar statistieken over ontwikkelingen in migrantengemeenschappen – bijvoorbeeld over sociale mobiliteit: onderwijs en arbeidsmarkt – krijgen pas relevantie als ze worden onderworpen aan de toets van de evenredigheid. Evenredigheid behelst dat een bepaalde categorie allochtonen met een vergelijkbare groep (opleidingsniveau, werkervaring, opvattingen over onderwijs en arbeid) wordt vergeleken en zo wordt vastgesteld of er nog verschillen zijn, bijvoorbeeld op het gebied van werkloosheid. Wetenschappelijk medewerker Willem Huijnk van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp): ‘Wij doen dit soort onderzoek al twintig jaar. Dat is immers ook hét doel van integratiebeleid: de positie van vergelijkbare groepen moet gelijk zijn. Achterstanden moeten bestreden worden.’

Maar daarmee stuiten onderzoekers tegelijkertijd op vragen die ze onvoldoende kunnen beantwoorden. Ze raken aan de grondslagen van de verschillen die er desondanks zijn. Bijvoorbeeld dat allochtonen het beter doen in het onderwijs, maar dat hun kansen op de arbeidsmarkt niet in gelijke mate verbeteren. Daarin spelen zaken mee als discriminatie, maar ook de invloed van netwerken, arbeidsoriëntatie en culturele achtergronden. Waardoor ontstaan die verschillen en hoe verklaren we die? Het zijn processen die niet altijd in cijfers zijn te vatten. Jaco Dagevos, onderzoeker bij het scp en bijzonder hoogleraar integratie en migratie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, meent dat je ‘daar als beleidsmaker eigenlijk veel meer van af zou moeten willen weten’. Dat vraagt niet alleen om andersoortige data, maar vooral ook om een andere blik. Een blik die niet van buiten naar binnen kijkt, maar die de leef- en denkwereld van migranten van binnenuit beschouwt.

Waarom zouden nieuwkomers herkenbaar afstand moeten nemen van waar hun (groot)ouders vandaan komen?

Een poging daartoe is een van de meest spraakmakende onderzoeken van het scp van de laatste jaren, Werelden van verschil, dat eind 2015 verscheen. Ingegeven door bezorgdheid over het gedrag van met name jongeren uit de Turks-Nederlandse gemeenschap is onderzocht hoe het zit met de gerichtheid op Nederland en de verbondenheid met hun herkomstland in de vier grootste migrantengemeenschappen. Om de verhalen achter de cijfers van die sociaal-culturele dimensie duidelijk te maken werden verdiepende interviews met de migrantenjongeren gehouden, zogeheten kwalitatieve data. Wat betekent het dat een grote groep jongeren die hier geboren en getogen is zich niet of nauwelijks verbonden voelt met de Nederlandse samenleving? Dagevos merkte dat beleidsmakers met die vraag worstelden en dat het scp die met de bestaande data niet kon beantwoorden. ‘We hebben aanvullend geld gekregen om nieuw en andersoortig onderzoek te doen.’

Opvallend was dat de opdracht mede op aandrang van de primaire doelgroep zelf, in dit geval de Turks-Nederlandse gemeenschap, op gang kwam. Zij drongen aan op een genuanceerd beeld: meer duiding, een aanpak waarbij de jongeren centraal staan. Wat meer op afstand van het breed gedragen idee dat het per definitie verwerpelijk is dat een zekere mate van gerichtheid op het land van de (groot)ouders tot in hun generatie blijft bestaan.

Het is het onderzoeksveld bij uitstek waarop actie-onderzoekers als Roemer van Oordt zich al geruime tijd begeven. Hij werkt met moslimorganisaties en moskeeën samen om hun participatie in de samenleving te bevorderen. Vanuit die vertrouwenspositie, het netwerk dat hij heeft opgebouwd, en vanuit zijn kantoor in een Amsterdamse moskee komt hij tot onderzoeksprojecten. Hij noemt zichzelf een actie-onderzoeker omdat zijn studies tot doel hebben praktische oplossingen te vinden voor de sociale problematiek waarmee migranten worden geconfronteerd. Van Oordt: ‘Veel onderzoek praat over de hoofden van mensen heen, stelt literatuuronderzoek centraal, waardoor er veel wordt nagepapegaaid.’

Het is al jaren niet eenvoudig om toegang te krijgen tot migrantengemeenschappen en moslimorganisaties. Zij stellen zich niet automatisch open voor onderzoek nu de islam meer en meer onder vuur ligt. Veel moslims hebben geen zin om met onderzoekers over hun religie te praten. Ze zijn er in negatieve zin té vaak op aangesproken. ‘Ik zeg niet dat het gros van het onderzoek of de onderzoeksmethoden niet deugt, maar het is nog te vaak onderzoek van buitenaf’, zegt Van Oordt. ‘Het legt niet wezenlijk de vinger op wat zich binnen gemeenschappen en hun organisaties afspeelt.’ De bestaande overtuigingen blijven zo intact, evenals de karikaturale termen waarin over elkaar wordt gedacht.

Nederlandse wetenschappers hebben veel vrijheid. Of ze nu aan een instituut als het scp of aan een universiteit zijn verbonden, ze leggen eigen accenten en kiezen eigen onderzoeksthema’s. Die variëren van sociaal-economische participatie, interetnische contacten of specifieke gezondheidsproblemen bij bepaalde bevolkingsgroepen tot de achtergronden van huwelijksmigranten. Tegelijkertijd klontert het zogeheten vrije onderzoek sterk samen met het beleidsgestuurde onderzoek, dat zowel door universiteiten als publieke en private onderzoeksbureaus wordt uitgevoerd. Het is kennis waar de overheid en de politiek een haast onbedwingbare behoefte aan lijken te hebben.

‘We hebben zoveel kennis, daar zijn collega’s uit andere Europese landen vaak jaloers op’

Nederland is wat het integratieonderzoek betreft van oudsher koploper in Europa. Hans Boutellier, wetenschappelijk directeur van het Verwey-Jonker Instituut en hoogleraar veiligheid en veerkracht aan de Vrije Universiteit, spreekt van een unieke situatie. ‘Er gebeurt hier onderzoeksmatig zoveel. We hebben zoveel kennis, daar zijn collega’s uit andere Europese landen vaak jaloers op.’ Toch roept die versmelting van politiek en wetenschap ook al jaren kritiek op. Er is sprake van kluitjesgedrag. Het merendeel van het onderzoek kijkt door de bril van de overheid: integratie is een probleem waarvoor oplossingen moeten worden gevonden.

Die eenzijdige kijk zie je terug in hoe het beschikbare geld wordt verdeeld en hoe de beschikbare data in de afgelopen decennia zijn opgebouwd: een grote mate van preoccupatie met de doelgroepen die problemen zouden hebben en/of veroorzaken: Surinamers, Antillianen, Turken en Marokkanen. Over hen zijn data ruim beschikbaar. Maar over bijvoorbeeld Chinezen, Britten of Duitsers, die de overheid als minder of niet problematisch beschouwt, weten we veel minder. Alleen al wetenschappelijk gezien is het integratieproces van deze groepen niet minder relevant dan dat van de ‘probleemgroepen’.

Wil je als onafhankelijk onderzoeker een andersoortige dataset opbouwen, of je richten op andere groepen, dan moet je over omvangrijke financiële middelen beschikken. Universiteiten zouden daar in principe het voortouw in moeten nemen, maar mede onder de huidige internationale publicatiedruk gebeurt dit vrijwel niet. Sinds enkele jaren tekent zich eveneens een parallelle ontwikkeling af. Wetenschappers drijven weg van het traditionele Nederlandse integratieonderzoek en sluiten zich aan bij de internationale focus die sterk in opkomst is: integratieonderzoek dat Europa-breed of trans-Atlantisch vergelijkend is en internationaal hoog in aanzien staat. Een Nederlandstalige casestudie naar bijvoorbeeld de arbeidsmarktpositie van migrantengroepen vergroot de kansen van een wetenschapper op het behalen van een belangrijke Europese beurs niet bepaald. Een Engelstalige vergelijkende studie op basis van grote Europese databestanden wél. Hoe gering de relevantie voor de Nederlandse context ook is.

Het resultaat is dat academici die zich nog wel op Nederland richten in belangrijke mate worden gedwongen de definities die de overheid hanteert – niet-westers, allochtoon versus autochtoon – over te nemen. Daarop leunt immers de bulk van de beschikbare data. Ook onafhankelijke onderzoekers zijn daardoor geïnvolveerd in het politieke en maatschappelijke debat. In de praktijk blijkt het ook voor hen knap lastig om zich daar los van te maken en een ‘afwijkende’ kijk op integratie te ontwikkelen. Om een uitspraak van Leo Lucassen, hoogleraar sociale geschiedenis aan de Universiteit Leiden en wetenschappelijk directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, te lenen: ‘Academici komen zo’n beetje op dezelfde snelweg terecht als beleidsonderzoekers.’

Onderzoek is er niet alleen voor de wetenschap, ook voor de samenleving, menen Hans Boutellier en Trees Pels, bijzonder hoogleraar opvoeden in de multi-etnische stad aan de Vrije Universiteit, van het Verwey-Jonker Instituut. Ze begrijpen de bezorgdheid over de samensmelting van beleid en onderzoek, maar benadrukken de eigen onafhankelijkheid. Ze vinden het ‘spannend’ om op het snijvlak te opereren van een opdrachtgever, die vooropgezette ideeën kan hebben, en het creëren van ruimte om het onderzoek zelfstandig uit te voeren en tot eigen conclusies te komen. ‘Het heeft een voordeel’, stelt Boutellier, ‘als de opdrachtgever de probleemstelling aanreikt. Het creëert relevantie.’

Nederland kan in hun beleving niet omgaan met de realiteit dat de samenleving door migratie is verkleurd

Verwey-Jonker geldt al jaren als een belangrijk onderzoeksinstituut naar integratie-issues; samen met kennisinstituut Movisie ontvangt het subsidie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ten behoeve van Kennisplatform Integratie & Samenleving (kis). kis kent vier overkoepelende thema’s: participatie, inclusie en toegankelijkheid, sociale stabiliteit en nieuwe migratie. Via een webportaal deelt het kennis met het grote publiek; er is flexibele ruimte in het budget voor nieuwe onderzoeksvragen waar ook migrantenorganisaties, professionals en andere belanghebbenden waarde aan hechten. ‘Dat is een bewuste keus om ook andere partijen invloed te geven op wat er wordt onderzocht’, zegt Pels. Ze benadrukt dat Verwey-Jonker naast het ministerie een breed scala van financieringsbronnen heeft: lokale overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven, fondsen en organisaties voor wetenschappelijk onderzoek. Ook het scp ziet het als zijn primaire taak om beleidsmakers te informeren en te adviseren. ‘Doordat we veel praten met ambtenaren en de minister van Integratie hebben we relatief veel invloed op het beleidsproces’, zegt Jaco Dagevos. ‘Ook al is die invloed niet altijd even zichtbaar voor het grote publiek, die is er wel en dat is een van onze belangrijke taken.’

Het huidige Nederlandse integratie-onderzoek kent grofweg de volgende arbeidsindeling: het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) levert de kwantitatieve data en de monitoring van harde meetbare zaken zoals arbeidsmarkt, onderwijs, criminaliteit en gezondheid. Het Sociaal en Cultureel Planbureau richt zich meer op de specifieke duiding van de cijfers en de sociaal-culturele aspecten waar het cbs geen of minder data over heeft. Het recente scp-onderzoeksrapport Integratie in zicht? De integratie van migranten in Nederland op acht terreinen nader bekeken is daar volgens Dagevos een goed voorbeeld van. Aan de ene kant is het een doorlichting van het gevoerde integratiebeleid in de afgelopen jaren, een soort evaluatie. Aan de andere kant geeft het rapport beleidsadviezen voor hoe het verder moet. De belangrijkste aanbeveling is dat de overheid zich veel nadrukkelijker moet richten op de problemen op de arbeidsmarkt en discriminatie effectiever moet aanpakken. Hóe wordt uit het rapport niet duidelijk. ‘Dat zou je met een nieuwe studie moeten oppakken’, legt Dagevos uit. Een klus die meer in de lijn ligt van instituten als het Verwey-Jonker die praktijkgerichter werken. De overheid is als opdrachtgever leidend in deze arbeidsdeling.

Zo bezien heeft de overvloed aan onderzoeksrapporten ook een negatief effect. Ze bevestigt het problematische karakter van het integratieproces, reproduceert stereotypen en geeft te weinig nieuwe inzichten in de leef- en denkwerelden van de nieuwkomers zelf en hun kinderen. Het legt onvoldoende het schemergebied bloot waarin Nederland zelf bijdraagt aan het in stand houden van de hindernissen die zij ervaren. En hoe de toegenomen anti-migratieretoriek elke dag een nieuwe hap uit de gemeenschapszin neemt, miskenning en onbegrip voedt, en verdeeldheid zaait. Dat voedt de gekwetstheid van de groeiende groep goed gebekte en goed opgeleide migranten. Met name deze tweede en derde generatie ervaart dat hoe ze ook hun best doen het nooit genoeg is. De advertentiebrief van de vvd wreef het er opzichtig in. De samenleving ziet hen niet als volwaardige burgers.

Is integratie welbeschouwd nog wel dé lens om migratieontwikkelingen te vangen. Is het niet té politiek geladen. ‘Dat is het niet als integratie wordt begrepen in de klassieke zin, zoals in de Amerikaanse sociologie in de jaren twintig van de vorige eeuw’, benadrukt Jaco Dagevos van het scp. ‘Met de nadruk op het tweezijdige karakter van integratie. De ontvangende samenleving heeft daar ook een plaats in. Dat is ook de reden waarom we binnen het scp een lange traditie hebben op het gebied van discriminatieonderzoek. We hebben verschillende discriminatiemonitoren uitgebracht, bijvoorbeeld het rapport Liever Mark dan Mohammed? uit 2010, waaruit bleek dat discriminatie een groot probleem is op de Nederlandse arbeidsmarkt.’

Het klinkt zoals we ritsen in het verkeer, we geven elkaar de ruimte en reflecteren op onze eigen verantwoordelijkheden. Uitgebalanceerd en politiek neutraal. Maar wie heeft anno 2017 buiten de universiteit en de onderzoeksinstituten dat beeld bij integratie? Het politieke en maatschappelijke debat is zeker na 9/11 weggedreven van die klassieke invulling. Ook in de presentatie van hun rapporten leggen onderzoekers er de nadruk niet op. Het accent ligt eenzijdig op wat het autochtone Nederland als probleem ervaart. Dat integratie té traag gaat. Historicus Leo Lucassen spreekt van een duivels dilemma. ‘Aan de ene kant profiteren onderzoekers van de beschikbaarheid van data en opdrachten. Maar tegelijkertijd wordt het bestaande en hardnekkige idee versterkt dat het integratieproces mislukt is. Zij zijn nog steeds niet geïntegreerd, het gaat niet snel genoeg. Op een gegeven moment ontstaat zo het idee aan beide kanten dat succesvolle integratie nooit meer plaats gaat vinden ondanks de vooruitgang die er wel degelijk is.’

Het gaat te ver om die patstelling volledig aan de blikvernauwing in het integratieonderzoek te wijten. Maar het laat onverlet dat hoe je integratie ook definieert het de autochtone samenleving ontgaat dat de aanstormende nieuwe generatie het als hypocriet ervaart dat zij pas tot Nederland behoren als ze zijn zoals wij. Nederland kan in hun beleving niet omgaan met de realiteit dat de samenleving door migratie is verkleurd. Waarom zouden nieuwkomers zichtbaar en herkenbaar afstand moeten nemen van waar hun (groot)ouders vandaan komen?

Actie-onderzoeker Van Oordt wijt de miskenning en het onbegrip aan een gebrek aan goede verhalen die inzicht geven in hoe divers het dagelijks leven van mensen met een immigratieachtergrond is. ‘Laat ze zelf vertellen hoe ze denken en leven. Waar struikelen ze stelselmatig over?’ Door migranten blijvend als ‘de ander’ te bestuderen en zo op afstand te houden, ontstaat er geen ruimte voor wat meer en meer migranten als hun realiteit ervaren: zij voldoen wellicht niet aan het beeld dat wij van onze cultuur hebben, maar ze zijn in het superdiverse Nederland van nu wel degelijk Nederlanders. Waarom zouden moslims niet zowel hun geloof kunnen belijden als loyale Nederlanders kunnen zijn? Het zijn uitgangspunten die de aanstormende nieuwe generatie migranten graag in integratieonderzoek bevestigd wil zien. Ze roeren zich steeds meer in het academische onderzoek naar integratie én het politieke en maatschappelijke debat. Ze hunkeren naar groepsoverschrijdende coalities. Anders bestaat het gevaar dat alleen zij pleitbezorgers blijven van het idee dat migranten met al hun eigenheden wel degelijk tot de Nederlandse gemeenschap behoren.

In die zin lijken ook de Nederlandse beleidsonderzoekers slachtoffer van het huidige gepolariseerde debat over integratie. De verwachtingen zijn hoog gespannen, ze worden geacht de integratie te monitoren, de bezorgdheid over immigratie in kaart brengen, de stem van betrokkenen luid en helder te verwoorden, terwijl ze veelal binnen de nauwe grenzen van gericht beleidsonderzoek opereren. De onderzoeken signaleren zaken waarover we ons zorgen moeten maken. Maar waarom is er nauwelijks interesse voor de counter-narratives, zoals dat in de sociale wetenschappen heet? Voor de brede genuanceerde blik onder de alarmverhalen.