De monteur sprak een dialect dat ik niet kon thuisbrengen. Na een half uur fonologische driehoeksmetingen was ik uitgekomen op een gebied tussen Utrecht, Den Haag en Rotterdam. Gouda, misschien, of Woerden. Niet dat dat bijdroeg aan de verstaanbaarheid, maar het was iets. Ik kon hem natuurlijk ook niet volgen omdat ik maar dertig procent gehoor heb. Om mijn herhaalde ‘Wat zegt u?’ te verklaren wees ik daarop, waarop hij het antwoord gaf dat ik al verwachtte: ‘Dat geeft niet hoor.’ Het winkelpersoneel, de ober, de pakketbezorger, de kapper, iedereen zegt dat. Ik vraag me wel eens af of mensen dat ook zeggen tegen iemand in een rolstoel. ‘Ik kan hier de trap niet op.’ ‘O, dat geeft niet hoor.’ ‘Ik kan de tram niet in.’ ‘O, dat geeft niet hoor.’ Ik heb nog steeds niet het punt bereikt waarop ik zeg: ‘Dat geeft wel! Ik heb maar één oor en het andere doet het nauwelijks. Ik hoor bijna niets en hoewel dat soms voor rust zorgt, geeft het!’

Doofheid is onzichtbaar en zeker als je nog wel iets hoort en bij vlagen in staat lijkt deel te nemen aan een gesprek, keert men al snel terug naar normaal, gemompel, afgewende gezichten, noem maar op. Praat me niet over mondmaskers…

De monteur kwam kabel voor de internetaansluiting installeren en dat viel hem zwaar. Hij had al in twee meterkasten bot gevangen en ook de acht aansluitpunten in het huis gaven geen stabiel signaal. Waarom ik acht aansluitpunten heb weet ik niet. Ik vermoed dat een overvloed aan kabelstekkerdozen in het begin van deze eeuw luxe werd gevonden. Voor de monteur was het een hel, want hij vergat steeds welke hij al had getest, zodat zijn zoektocht naar een goed signaal steeds meer ging lijken op het nerveuze geren van een muis door een doolhof op zoek naar zijn stukje kaas.

Na drie uur gaf hij het op.

Toen Harry later die dag belde, zei ik dat ik nog steeds de langzaamste internetverbinding van Nederland had. Foto’s bouwen zich regel voor regel op. Woorden verschijnen als sterren in de avondschemer: traag en een voor een.

‘Het is verdomme 1991 in mijn huis’, zei ik. ‘Ik krijg flashbacks van mijn akoestische modem.’

‘Ik dacht dat je in zo’n grote stad wel glasvezel zou hebben.’

De binnenstad van Den Haag zit vol archeologie, of in ieder geval het vermoeden daarvan en dat betekent dat er geen schop in de grond kan voor er onderzoek is gepleegd. Providers kiezen, begrijpelijk, de weg van de minste weerstand: buitenwijken en bedrijventerreinen met fijne brede straten en maagdelijke bodem.

Ooit bevond ik mij aan de cutting edge van datatechnologie. Na het akoestische modem kwam al snel ISDN. Ik was een van de eerste gebruikers in Rotterdam. Het systeem was nog wankel en op een bepaald moment kreeg ik het privé-nummer van de chef van de centrale. Dan kon ik even bellen om de boel te laten resetten als het mis ging. In het bos in het noorden, waar ik de afgelopen jaren woonde, lag de glasvezelkabel tot aan de voordeur. Ik hoefde maar ‘ja’ te zeggen of ik had het ook binnen. Maar het was niet nodig. Bonded VDSL (twee verbindingen die samen één bandbreedte geven) was meer dan genoeg voor mijn zoektochten naar de obscure gegevens die ik nodig heb voor mijn roman.

Het stroperige dataverkeer had rust gebracht

‘Maar nu heb je dus kabel’, zei Harry.

Nee, dat had ik niet. De monteur was hoofdschuddend weggegaan met de belofte dat het uitgezocht zou worden. Na zijn nogal chaotische onderzoek had ik weinig hoop. Waarschijnlijk zou hij buiten al weer vergeten zijn wat hij binnen niet had gedaan. Ik nam het hem niet kwalijk. Zijn gedachten waren duidelijk ergens anders. Dat bleek toen we bij wijze van niet voorlopig afscheid een kopje koffie dronken. Zo hadden we het over de kabelsituatie in mijn huis, zo ging het over drie weken geleden.

‘Ik haal mijn moeder op uit het ziekenhuis, hartonderzoek, en in de auto zit ze te hijgen en te piepen. Ik zeg: “Mam, de volgende keer ga ik mee naar binnen.” Zij: jaja. Ineens verstijft ze en ik kijk opzij, zit ze dood naast me. Midden op de snelweg. Mijn collega’s zeggen dat ik veranderd ben. Maar dat geloof ik niet.’

Ik zei niet, zoals ik eigenlijk wilde doen: ‘Volgens mij ben jij wel veranderd want je loopt rond als een opwindspeeltje. Neem een paar weken rust. Hoe intiem moet zo’n gesprek met een onbekende worden? Is compassie in de vorm van een uitroep genoeg of moet je dieper gaan? Misschien was hij trouwens altijd al zo vergeetachtig. Voorlopig leek ‘Jezus…’ me genoeg.

‘Moet je de kabelmaatschappij nu niet bellen?’ zei Harry.

Ik had daarover nagedacht terwijl ik achter mijn beeldscherm zat te wachten als pagina’s langzaam opdoemden uit de diepe krochten van het internet. Iets weerhield mij. Het stroperige dataverkeer had rust gebracht, rust en een onverwachte waardering voor wat na lange tijd toch nog op mijn scherm verscheen. Mijn dagen waren gevuld met Er-zij-licht-momenten.

‘Straks ga je nog schriftelijk corresponderen met Google’, zei Harry.

Het leek me wel wat. Eens per week een met vulpen geschreven brief naar Google om te vragen of ze, ‘zoals ik las in uw laatste rondschrijven’, meer informatie konden sturen over recent bekendgemaakt onderzoek naar de ‘open ended universe’-these. Bij voorbaat dank en geheel de uwe, hoogachtend…

Ik zag de toekomst stralend achter mij liggen.