Jaan Kross

Er zijn alleen verliezers

Met zijn roman «De kring van Mesmer» brengt de Noor Jaan Kross een hommage aan een strijder voor gerechtigheid in het onderdrukte Estland.
Jaan Kross, De kring van Mesmer. Vertaald door Frans van Nes
Uitg. Prometheus, 342 blz., ƒ39,50

Hij staat al zo’n tien jaar genoteerd op de shortlist van de Noorse leesclub die jaarlijks de Nobelprijswinnaar voor de literatuur mag aanwijzen: Jaan Kross, die zichzelf met gevoel voor relativering om wat het leven hem heeft aangedaan graag omschrijft als een optimistische scepticus. Hij is van 1920, geboren in Tallinn, het vroegere Reval, in Estland, dat een lange en chaotische geschiedenis kende van onderdrukking — beurtelings door Duitsers, Polen, Zweden en Russen — en daardoor maar al te zeer vertrouwd raakte met een traditie van collaboratie en verzet, met het zwenken tussen oost en west, met omstandigheden waarin het individu wordt vermalen tussen de raderen van de macht. «In brede zin zijn het lot en de ontstaansgeschiedenis van Estland vooral beïnvloed geweest door onze ligging in het spanningsveld tussen Duitsland en Rusland. Dat was al zo in de dertiende eeuw (…) tot vandaag aan toe», schrijft Kross daarover in zijn onlangs verschenen roman De kring van Mesmer (1995).
Jaan Kross heeft die even grillige als noodlottige geschiedenis van zijn land voortdurend in zijn werk laten herleven, ongetwijfeld omdat die zijn eigen leven zozeer heeft bepaald. Hij verrichtte nadat de Sovjet-Unie Estland aan het eind van de Tweede Wereld oorlog had geannexeerd vijf jaar dwangarbeid in een kolenmijn in Noord-Rusland en werd vervolgens naar Siberië getransporteerd, om een jaar na Stalins dood in 1953 weer terug te keren naar zijn thuisland.
Kross debuteert als dichter met een reeks portretten van bijna vergeten Estlandse historische figuren als vorm van verzet tegen de alles en iedereen egaliserende sovjetcultuur. In 1970 verschijnt het eerste deel van zijn monumentale werk Het leven van Balthazar Russow (vier delen, 1970-1980), een cyclus van historische romans waarin Kross het genre gebruikt als camouflage voor een relaas over politieke onderdrukking. Van zijn indrukwekkende oeuvre zijn inmiddels drie boeken in het Nederlands vertaald. Naast Het vertrek van professor Martens (1984), waarin met behulp van deze vermaarde Estlandse volkenkundige, een steunpilaar van de intellectuele elite van Ruslands laatste tsaar Nicolaas II, een pregnant beeld wordt geschetst van macht, ontrouw, gekuip, hypocrisie en opportunisme, is dat De gek van de tsaar (1984) en het tweede deel uit een autobiografische reeks, De kring van Mesmer (1995).
De gek van de tsaar, een roman waarin Kross om de censuur te ontduiken zijn ervaringen met de sovjetwerkelijkheid in het kader zet van de mores onder het tsarendom, is een kunststuk van raffinement. Het boek onderzoekt het conflict tussen conformisme en verzet en laat pijnlijk duidelijk zien hoe problematisch het is om daartussen een geschikte middenweg te vinden. In een geënsceneerde botsing tussen maatschappelijke opstandigheid en individuele verantwoordelijkheid confronteert de auteur de hoogste bestuursinstanties met het deficit van een rigide staatsapparaat en de toestanden die daarvan het gevolg zijn. Zoals Kross zelf jarenlang onder erbarmelijke omstandig heden gevangen zat, zo laat hij zijn protagonist, de Duits-Baltische baron Timotheus von Bock, een gevangene zijn in Petersburg. Teruggekeerd in hun vaderland zijn beiden allerminst vrij. Von Bock krijgt er te maken met curatoren die minutieus zijn papieren doorzoeken, en die snuffelaars lijken verdacht veel op de agenten van de geheime dienst en de censor, die op zoek blijven naar Kross’ opvattingen en bedoelingen.

Met de historische roman als subversief genre en als persiflage op het socialistisch realisme breekt Kross op het moment dat Estland opnieuw onafhankelijk wordt. In zijn boeken vaart hij vanaf dat moment een andere koers: hij schrijft dichter op zijn eigen tijd en zijn eigen huid. Een indrukwekkend voorbeeld van zijn kunnen in die richting is De kring van Mesmer, een vuistdikke roman die, zoals de ondertitel meldt, onderdeel is van Kross’ «geromantiseerde memoires».
Het verhaal dat erin wordt verteld, komt uit de mond van Jaak Sirkel uit Tallinn, die zich in 1938 laat inschrijven als student rechten aan de universiteit van Tartu. Hij is onmiskenbaar een alter ego van Kross. De roman beschrijft een cruciale uitsnede uit zijn leven: de aanloop naar de Tweede Wereld oorlog en de eerste jaren daarvan. De structuur ervan heeft iets van een Poolse vlecht: het geheel is een verkleving van verscheidene verhaallijnen, waarvan die over Sirkels vriend en mentor Indrek Tarma, een briljante jurist en een van de leidende figuren in de burgerlijk-democratische vleugel van de studentengemeenschap uit de stad Tartu, de belangrijkste streng vormt. In Indrek Tarma, en met behulp van Tarma, balt Kross een geschiedenis samen waarin het gaat over het hartstochtelijke verzet tegen de minachting voor de vrijheid van meningsuiting waaraan de Estlandse macht in die jaren leed en Tarma’s moed om in verzet te komen tegen de Russische onderdrukker als die in 1940 met een marionettenregering (waarvan veel leden overigens uiteindelijk worden vermoord) greep krijgt op het land.
Je zou de roman kunnen lezen als een hommage aan deze strijder voor gerechtigheid die geen held wilde zijn, waarin ontzag voor zijn naïviteit en bewondering voor zijn vermetelheid hand in hand gaan. Sirkel blijft niet voor niets nieuwsgierig naar zijn uiteindelijke lot. Een poging om in een parodistisch vlugschrift, tot barstens toe gevuld met wereld verbeterende citaten uit het leninistisch en stalinistisch jargon, de spot te drijven met het cynisme van de officiële sovjetpropaganda wordt hem noodlottig.
Hij wordt vermoedelijk verraden en gearresteerd en sterft — zoals velen die vasthielden aan hun morele principes — in een strafkamp aan vlektyfus.
Over het lot van Tarma hoort Sirkel pas vele jaren later, wanneer hij zelf kennis heeft gemaakt met het inferno in de strafkampen van Siberië, een gegeven dat in de roman slechts hier en daar wordt aangestipt maar dat ongetwijfeld een belangrijk onderdeel zal vormen van het vervolg op deze meerdelige autobiografie.

Kross vertelt zijn verhaal op afstand, wanneer hij zich in 1969 enige tijd heeft terug getrokken in Zweden, en hij doet dat met het overzicht dat bij een terugblik hoort. Hij is een rasverteller met oog voor het detail, met gevoel voor het decor waarin hij zijn personages plaatst en met een panoramische blik. Zijn relaas komt wat traag op gang, maar uiteindelijk weet hij de lezer onherroepelijk te winnen voor de even absurde als schrikbarend surrealistische omstandigheden waarin hij heeft geleefd.
Voor een wolkenloos studentenbestaan is slechts enkele maanden tijd. Hoewel zijn studie voorspoedig verloopt, gaat door de spanningen en gruwelen die de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog met zich meebrengen, zijn jeugd onherroepelijk verloren. Met lede ogen moet hij toezien hoe de omstandigheden — eerst de macht aan de Russen, dan aan de Duitsers — mensen doen buigen voor een regime dat ze verafschuwen, of mensen op de vlucht jagen, gezinnen splijten, wantrouwen doen groeien, vriendschappen onder druk zetten en liefdes kapotmaken. Ook dat drama, dat vlechtwerk van het leven waarin zich het noodlot van de geschiedenis verbergt, tekent Kross hartverscheurend precies uit. Uitein delijk zijn er nooit winnaars, alleen verliezers. Zo’n terugblik schept onbehagen, want, zo staat er ergens, daardoor begrijpt de mijmerende beschouwer «voor wat voor leegte achter zich zijn herinnering hem plaatst. Anders gezegd: uit hoeveel reddeloos verdwenen en alleen nog te vermoeden werelden hij voortkomt.»