Opheffer

Er zijn grenzen

Voor of tegen Israël? Al dertig jaar denken wij daarover na. Een Ander Joods Geluid. Staan we daar achter of niet? Meelopen met demonstratie of niet? Bush terrorist. Ben Bot, uiteraard ook terrorist.

Vind ik dat?

Al weet ik hoe lang zijn de reacties voorspelbaar. Israël pikt niks, de Palestijnen blijven prikken tot De Bom komt. Maar zo ver is het nog niet. We kunnen nu nog makkelijk ons standpunt bepalen.

Er worden de idiootste vergelijkingen gemaakt. «Als Bin Laden in een gebouw in de Kalverstraat zit, dan ga je toch ook niet de hele Kalverstraat bombarderen?» zei Willem Post voor de televisie. Niet als je weet in welk gebouw hij zit. Wel als je alleen weet dat hij in de Kalverstraat zit en je weet dat de Verenigde Staten er alles aan zullen doen om Bin Laden te wreken. Is dat dan onrechtmatig?

Ik heb enkele vrienden in Israël – ze zijn progressief, erudiet en het cynisme al lang voorbij en menen dat wij «het» niet begrijpen en het nooit zullen begrijpen – die toejuichen wat Olmert doet. Hezbollah moet weg. Vrienden zijn vooral boos op Een Ander Joods Geluid, de Nederlandse groepering van progressieve joden die een andere, vreedzame oplossing wensen van het probleem in het Midden-Oosten en Israël de huidige harde reactie op de ontvoering van een paar soldaten kwalijk nemen.

«Ja, er gaan veel onschuldige slachtoffers dood, maar we waarschuwen de gebieden die we treffen. Iedereen kan zien dat we niet zomaar op Beiroet onze bommen laten vallen. Iedereen weet dat we met korte acties Hezbollah willen uitschakelen – en geen andere Libanezen. Hoe anders is dat met Hezbollah, die zomaar raketten op ons afstuurt. Zonder waarschuwing, met als enig doel zo veel mogelijk mensen, onschuldige slachtoffers of niet, te vernietigen. Als het gaat om beschaving en moraliteit, je houden aan internationale regels, dan maken wij fouten, maar dan doen wij niet alles verkeerd zoals Hezbollah doet.»

Een Ander Joods Geluid – ik zag ze lopen. Want stiekem keek ik naar de demonstratie tegen Israël. Ik wilde niet gezien worden, want ik wilde niet meelopen. Ik vind niet dat er ontvoerd had mogen worden. Daar lag de eerste fout in dit conflict. Dan kun je wel zeggen dat er te hard wordt teruggeslagen, maar dat is als het ware het risico dat je loopt bij een onrechtmatige daad. Hezbollah nam de verantwoordelijkheid dat er keihard teruggeslagen zou worden – en zij zijn ook degenen die dat kunnen veranderen. Uiteraard mag je ook Israël verwijten dat ze te hard slaan, maar er is een hiërarchie in schuld en verantwoordelijkheid en die wordt niet genomen.

Maar goed, ik zag Hedy en Jaap en nog een paar anderen. En ik zag Johnson Moordenaar, en ik zag de borden van het Medisch Komitee Vietnam, en ik zag Piet Nak en ik zag in elke winkelruit mijn vader, vol onbegrip en angstig dat zijn kind iets zou overkomen.

Ik schrok. Ik schrok van het fanatisme van de jongeren die meeliepen. Ze riepen hetzelfde als ik destijds – maar het was toch agressiever. Wat ik hoorde ging vaak tegen Israël. En tegen de joden, die braafjes meeliepen, het was pijnlijk om te zien. «Wie in vrede wil leven, moet vrede schenken», zei Jaap Hamburger.

Terecht vroeg de verslaggever van de Volkskrant zich af waarom Jaap Hamburger meeliep als er leuzen werden geroepen als: «Joden, het leger van de profeet Mohammed is in opmars!» Het is een agressieve, puur antisemitische uitspraak in een stad als Amsterdam waar tegelijkertijd de vlaggen van Hezbollah wapperden en de foto van Nasrallah, de leider van Hezbollah, wordt meegedragen. Het antwoord van Jaap was: «Met sommige leuzen zijn we het niet eens, maar we zijn niet schuldig als we naast mensen staan die zoiets scanderen.»

Nee, schuldig ben je niet – maar je staat wel naast die mensen, zoals je zelf zegt, en je staat er tussen waar je weg had kunnen lopen, en soms wordt het ook gezien dat je achter ze staat, sterker: achter ze aan loopt.

«Joden, het leger van de profeet Mohammed is in opmars.»

Een Ander Joods Geluid als het gebroken geweertje in de Tweede Wereldoorlog. Ik heb ook dat speldje gedragen van die twee handen die het geweer braken en ik ben nog kwaad over mijn eigen naïviteit; als jij je geweer wilt breken, betekent dat nog niet dat de ander ook zijn geweer breekt. Integendeel.

De haat tegen Israël is groot – en voor een groot gedeelte ook begrijpelijk. Al dertig jaar geleden, toen ik nog studeerde, legden Palestijnse studenten ons uit wat ze door Israël was aangedaan. Het was hun land, zij waren verjaagd. De «onrechtvaardige» toezeggingen van Balfour aan Chaim Weizmann uit 1922, waardoor de stichting van een Joods Agentschap mogelijk was dat van de Britten grond mocht kopen in Palestina. «Maar die was goedgekeurd door de geallieerden», brachten wij in. «Er werd expres land leeggemaakt voor de joden», zeiden de Palestijnen dan. We kwamen er niet uit. Zeker was dat het daar fout was gelopen. Of beter: misschien was de «fout» wel in 1917 gemaakt, met de eerdergenoemde Balfour, de bekende Balfour-declaratie van 1917, opgesteld nadat «Oeganda» was afgewezen als joodse staat.

Maar dat kan niet meer teruggedraaid worden. Er is een land, een gewoon land, een min of meer democratisch land dat Israël heet en daarmee heeft iedereen het te doen. Heeft het land mijn sympathie? Nou, net als enig ander land. En het moet net als enig ander land worden beoordeeld. Er zijn grenzen, daaraan moet men zich houden.

Desnoods moet je met wapens opleggen dat men in vrede dient te leven.