Wilders en de rechtsstaat

Er zijn grenzen

Staat de liberale rechtsstaat onder druk of loopt het allemaal wel los? Of het nu door de PVV komt of niet, een herbezinning op onze rechtsstatelijke beginselen is al langer noodzakelijk. Binnenkort komt de Staatscommissie Grondwet met aanbevelingen.

Medium rob hartmans rechtsstaat

HET BEGRIP RECHTSSTAAT staat de laatste tijd in de volle belangstelling. Vanuit verschillende invalshoeken wordt steeds vaker een beroep gedaan op ons staatsrechtelijk bestel en de daarbij behorende grondrechten. Waar Geert Wilders roept dat de rechtsstaat al langer wordt ondermijnd door de groeiende invloed van de islam, zeggen zijn tegenstanders dat juist zijn ideologie de grondrechten in beginsel aantast. De algemene vraag die daaronder ligt speelt eigenlijk al veel langer, maar wordt nu door de politiek op de spits gedreven: staat onze democratische rechtsstaat onder druk door eroderende krachten - of die nu afkomstig zijn van Wilders of van religie - en hoe moet daarop worden gereageerd?
Onder rechtsgeleerden en historici zijn de meningen hierover verdeeld. Daarbij hangt het ervan af of er strikt of pragmatisch tegen de beginselen van de rechtsstaat wordt aangekeken. Wel staat buiten kijf dat onze rechtsstaat de laatste decennia sterk is beïnvloed door de multiculturele samenleving en door de Europese wetgeving. Het resultaat daarvan noopt tot een herbezinning op onze rechtsorde.
Zeer uitgesproken over wat er moet gebeuren is Paul Cliteur, rechtsfilosoof en Leids hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap. Hij stelt dat de Nederlandse rechtsstaat in verval is. In zijn essaybundel Tegen de decadentie (2004) constateert hij dat deze al langer van binnenuit aangetast wordt door de invloed van religie en door het cultuurrelativisme. Zijn stelling is dat we onze grondslagen niet genoeg kennen en verdedigen waardoor we ‘decadent’ zijn geworden - een probleem dat zich hard doet voelen in onze relatie tot nieuwkomers en de eisen tot integratie. Ook is de introductie sinds de jaren zestig van de vorige eeuw van allerlei nieuwe groepsrechten volgens hem ondermijnend voor de democratie. Cliteur bepleit een terugkeer naar de zuivere grondslagen van de democratische rechtsstaat, waarvan de bron in de Verlichting ligt. Geen invloed van religie toelaten en de liberale grondwaarden luid en duidelijk als superieur onderkennen. Alleen dat is volgens hem een gezonde basis voor een harmonieuze samenleving van diverse culturen, meningen en levensbeschouwelijke opvattingen: 'Een samenleving is slechts leefbaar als er consensus bestaat over de fundamentele rechten en beginselen.’
Frank Ankersmit, emeritus hoogleraar intellectuele en theoretische geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, komt uit op een andere conclusie over de toekomst van de rechtsstaat: het recht moet juist meer flexibel omgaan met de eigenheid van minderheden. Ankersmit formuleert puur technisch en zonder politieke lading, hoewel dat laatste hem vaak - ten onrechte - wordt verweten.
Allereerst is het van belang, vindt hij, om in deze verwarrende tijden nog eens duidelijk te maken wat de westerse rechtsstaat inhoudt. Het idee van de rechtsstaat heeft betrekking op het recht: het algemeen geldend en verplichtend zijn van wetten voor iedereen, en dat geldt óók voor de staat, het zogenaamde universalisme, zoals de Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant dat in de achttiende eeuw heeft ontwikkeld in zijn Metaphysik der Sitten. Hierop is de Nederlandse rechtsstaat tot op heden gebaseerd. Het betreft daarnaast de scheiding der machten, de transparantie van het handelen van de staat en het gegeven dat wetgeving en de openbare besluitvorming in een democratie aan constitutionele regels gebonden zijn. Dit idee is nauw verbonden aan grondrechten en aan mensenrechten, zoals het recht op vrije meningsuiting of de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging.
In de Nederlandse grondwet zijn die uitgangspunten vastgelegd: artikel 1 verklaart Nederland tot een rechtsstaat, en de artikelen 2 tot en met 23 formuleren de grondrechten.
Zo helder als dit model functioneert in een homogene samenleving, zo anders werkt het volgens Ankersmit in een multiculturele samenleving. 'Het arrest van de Hoge Raad over het toelaten van passief kiesrecht voor vrouwen binnen de SGP is daar een voorbeeld van. De rechtsstaat verlangde dat uitgerekend een van de meest Nederlandse politieke partijen het hoofd moest buigen. Velen, zoals ik, hebben zich hierbij ongemakkelijk gevoeld. De traditie en eigenheid van deze partij werden niet gerespecteerd en het is een inbreuk op de vrijheid van de ongeveer twee procent SGP-stemmers. Deze uitspraak was vijftig jaar geleden ondenkbaar en het illustreert in feite de worsteling van het recht met de culturele en religieuze eigenheid van minderheden.’
Ankersmit betreurt dit, want 'wat men de SGP ontneemt, kan dan anderen ook niet worden toegestaan. Zoals inzake moslims of de katholieke kerk die geen vrouwen in haar machtsstructuren toelaat. De kantiaanse rechtsorde biedt geen ruimte voor tolerantie voor minderheden, en accepteert slechts gering afwijkend gedrag. Dat is nu des te lastiger omdat in de multiculturele samenleving de grootste gemene deler van de Nederlanders afneemt, terwijl we juist gebaat zijn bij een rechtsstaat die ruimte biedt voor een tolerantie van “afwijkend” gedrag.’
Volgens Ankersmit is een aanpassing van dit model derhalve gewenst: 'De rechtsorde is altijd een weerspiegeling van de tijd en het is niet van absolute en eeuwige geldigheid. De rechtsstaat van 1789 was gericht tegen de absolute vorsten, bedoeld om willekeur te voorkomen en rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te bevorderen. Maar van grondrechten voor iedereen was nog geen sprake; het was een rechtsstaat zonder grondrechten. Die zijn er in de twintigste eeuw allemaal bij gekomen en in de afgelopen decennia in een reactie op de Tweede Wereldoorlog verder verfijnd. Toen de Nederlandse grondwet van 1917 in 1983 werd geactualiseerd was dat het gevolg van de nieuwe, ontzuilde samenleving. Die beweeglijkheid moet je toelaten.’
Een andere ontwikkeling die volgens hem dwingt tot bijstelling is de veranderende wereldorde: sinds de val van de Muur beweegt de wereld zich van een unipolaire orde, beheerst door Amerika, naar een multipolaire orde. 'Er zijn nu vele machten en die laten zich niet door westerse regels corrigeren. We groeien toe naar een wereld waarin landen hun eigen regels stellen, kijk maar naar China of de moslimwereld - of we dat nou leuk vinden of niet. Die andere toestand in de wereld creëert net als onze multiculturele samenleving eigen behoeften, met andere grondrechten.’
Om tot een aanpassing te komen van de 'benepenheden’, zoals hij het noemt, van de kantiaanse rechtsstaat beroept Ankersmit zich op het negentiende-eeuwse begrip 'historisme’, een wetenschappelijke stroming die openheid en respect voor wat vreemd en eigenaardig lijkt, voorstond. Als aanhanger van de historistische benadering ziet Ankersmit hierin een vitale wederkerigheid, wat neerkomt op: als u bereid bent bepaalde eigenaardigheden van mij te respecteren, dan ben ik bereid hetzelfde te doen met uw eigenaardigheden.
Hij pleit in feite voor het twintigste-eeuwse uitvloeisel daarvan: het door Cliteur gewraakte cultuurrelativisme. Nee, zegt Ankersmit, 'want anders dan bij het cultuurrelativisme betekent dat niet dat alles willekeurig wordt. De historistische benadering maakt je scherp en schept extra vrijheid. Het risico moet je durven nemen en je moet kunnen vertrouwen op het gezonde verstand. Waar Kant de ruimte voor de vrijheid versmalt - wat zeker ervaren kan worden als een vorm van bemoeizucht - wordt die door het historisme verruimd. Ik denk dat de meeste Nederlanders een voorkeur hebben voor het laatste. Wilders is het slechte van beide; hij kiest voor het kantiaanse model, maar het leidt tot verboden. Voor zichzelf is hij gevoelig voor het historisme, want hij eist ook ruimte voor zijn eigenheid op.’
Zowel Ankersmit als Cliteur constateert ook dat de rechtsstaat door de internationale wetgeving wordt overruled. Beiden vinden dat het is doorgeslagen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er onder auspiciën van de Verenigde Naties een complex van internationale verdragen en instellingen die zich gingen specialiseren in grondrechten - van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, het Vrouwenverdrag tot verdragen tegen rassendiscriminatie, tegen foltering en onmenselijke behandeling en voor de rechten van het kind.
Ankersmit: 'Steeds vaker wordt daar in ons land met succes een beroep op gedaan, zoals ook in de SGP-casus. Het gaat dwars over de nationale rechtsstatelijkheid heen en het ondermijnt de democratische controle op onze grondrechten. Het gevaar is bovendien dat de organisaties die zich specialiseren in bepaalde grondrechten op eigen terrein radicaliseren waardoor de samenhang met andere grondrechten uit het zicht raakt. Méér regels en grondrechten helpt bovendien niet - dat is onder meer de les van de geschiedenis van Duitsland of Rusland. De filosofe Hannah Arendt was tegen het vastleggen van grondrechten omdat het blind maakt voor hoe de praktijk ons vervreemdt van de politieke en juridische werkelijkheid.’

IN HUN KRITIEK en wensen worden Cliteur en Ankersmit op hun wenken bediend. Er wordt sinds een jaar gewerkt aan een versterking van de grondwet. De zorg over de tanende rechtsstaat en over een gebrek onder de burgers aan besef van de democratische regels leefde namelijk sterk in het kabinet-Balkenende IV. De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Guusje ter Horst vond de grondwet 'te flets, te abstract en te ontoegankelijk’. Helder maken dat Nederland een democratie en een rechtsstaat is zou volgens haar een bindende werking hebben tussen de burger en het bestuur. In 2009 werd de Staatscommissie Grondwet, bestaand uit een groep juridische experts, geïnstalleerd om het kabinet te adviseren over onder meer de toegankelijkheid van de grondwet voor de burger, de verhouding tussen de opgenomen grondrechten en de uit internationale verdragen voortvloeiende rechten. Momenteel rondt de commissie haar advies af en zij zal dat binnenkort presenteren aan het nieuwe kabinet.
'Door de komst van minderheden met een niet-westerse achtergrond is onze samenleving ingrijpend veranderd. Het levert andersoortige pluriformiteit op. Het vertrouwen in de overheid is bovendien sinds 2002 drastisch gedaald. De grondwet was decennialang een rustig bezit, nu moet het weer gaan leven’, zegt commissie-secretaris Martin van Haeften.
De veranderingen zullen met name liggen op het terrein van grondrechten. 'Artikel 7, over de vrijheid van meningsuiting, is bijvoorbeeld te ouderwets geformuleerd. Ook zal het recht op een onafhankelijke rechter expliciet geformuleerd worden. En er zal worden benadrukt dat wij een rechtsstaat zijn waar niet aan te tornen valt.’
De aanbevelingen zullen vrijwel zeker uitgerekend worden aangeboden aan een minderheidskabinet waaraan de PVV deelneemt. 'Moeizaam, want Wilders gaat tegen het wezen van de rechtsstaat in door de moslims anders te willen behandelen. Hij knaagt daarmee, nu nog in theorie, aan grondrechtelijke bescherming van een groep als geheel’, zegt Wim Voermans, Leids hoogleraar staats- en bestuursrecht. 'En dat is de kern van de rechtsstaat: dat minderheden en individuen tegen meerderheden worden beschermd.’ Voermans heeft ook de Staatscommissie op afstand gevolgd en koestert enige twijfels over de poging om door het renoveren van de grondwet méér rechtsstatelijk en grondwettelijk besef te stimuleren. 'Onze grondwet is sober, “bekent” zich niet, en dat is bewust. Als de inhoud ervan niet leeft, is dat niet zo erg. Wél erg is als het besef niet zou leven, maar ik denk dat dat wel meevalt.’
Hij heeft er een hard hoofd in dat de aanbevelingen straks worden overgenomen. Wel hoopt hij vurig dat voorstellen om de verhouding tussen het Europese recht en de eigen grondrechten meer in balans te trekken zullen aanslaan. 'De Nederlandse rechter toetst zaken steeds minder aan de eigen nationale grondrechten. Hierin beroeren de SP en de PVV zeker een gevoelige snaar: de uitverkoop van “de Nederlandse ziel” is fnuikend voor de rechtsstaat.’