Naar een circulaire economie: afkijken van de natuur

Er zíjn grenzen

Ralf Bodelier negeert in ‘De aarde is geen petrischaaltje’ de mogelijkheden om binnen de natuurlijke kaders een slimmere oplossing te bedenken.

Medium rtr20c7c

Het is een vrolijk gezicht. Wuivende weilanden met luid ‘tepiet’ roepende scholeksters. Goed gaat het niet. Tussen 1990 en nu, de periode dat Nederland met bijna twee miljoen mensen groeide, verdween 66 procent van alle scholeksters. En milieuproblemen houden niet op bij deze vogel: terwijl de wereldbevolking de zeven miljard raakt, staan ongeveer 22.784 soorten op de Rode Lijst van de International Union for the Conservation of Nature (iucn) van bedreigde soorten flora en fauna.

Oorzaken voor die bedreiging zijn divers: vervuiling door olie, verdwijning van leefgebied voor landbouw, verdroging door klimaatverandering. Maar steeds opnieuw is de mens eindverantwoordelijk. En tegelijkertijd slachtoffer, want door ons veroorzaakte problemen als bodemerosie en overstromingen bedreigen evengoed onze eigen voedselvoorziening en veiligheid. Vooral in de allerarmste landen.

Veel ecologen maken zich grote zorgen. Milieubedreigingen verergeren en de mensheid blijft zich onverbiddelijk vermenigvuldigen: elke dag komen er ruim tweehonderdduizend mensen bij. Een enkele ecoloog is verbitterd. Zwartgallig roept hij dat we een grens zijn gepasseerd en dat eigenlijk elke menselijke consumptie fout is. Misschien zou hij zelfs wel stiekem wensen dat een grote ziekte uitbrak om de wereldbevolking eens flink te reduceren.

Ralf Bodelier rekent in De Groene Amsterdammer van 30 juli hard af met deze houding. ‘De aarde kent geen natuurlijke grenzen’, zegt hij, gevolgd door een absoluut geloof in technische oplossingen die huidige limieten doen verbleken. De wereldbevolking groeit toch al veel langer en de mens heeft toch altijd de draagkracht van de aarde vergroot? Dat zal in de toekomst vast ook wel lukken, betoogt hij. Bevolkingsgroei kan in die gedachte slechts bijdragen aan extra innovatie; meer mensen gebruiken weliswaar meer energie, maar genereren ook meer ideeën om negatieve milieueffecten door die extra consumptie te overleven. Klimaatverandering? Hij schrijft het letterlijk: ‘Dankzij olie, kolen en gas zetten we simpelweg de airconditioner of verwarming een standje hoger.’

Een dappere gedachte. Het is heerlijk prikkelend en ogenschijnlijk optimistisch om in onbeperkte groei te geloven. Maar door natuurlijke grenzen te ontkennen, negeert Bodelier tegelijkertijd de mogelijkheden om binnen de natuurlijke kaders een slimmere oplossing te bedenken. Want natuurlijke grenzen bestaan natuurlijk wel. Althans, zolang we afhankelijk blijven van fossiele brandstoffen en eindige hulpbronnen. Om in te gaan op het voorbeeld dat Bodelier aanhaalde: op de lange termijn is gebruik van zonne-energie of warmte-koudeopslag diep onder de grond veel efficiënter en schoner dan airco op fossiele brandstof.

Sterker nog, door fossiele brandstof te blijven gebruiken, leunen we op vroegere tijden en lopen we juist tegen onze natuurlijke grenzen aan. Olie, gas of steenkool, het is allemaal door planten vastgelegde zonne-energie uit het verleden: op is op. Ook met veel van onze landbouwinnovatie putten we feitelijk onze reserves uit. Het begon met shifting cultivation waarbij landbouwers van plaats naar plaats trokken en de bodem (tijdelijk) volledig uitputten. Op dit moment vergroot kunstmest uit eindige fosfaatmijnen de landbouwopbrengst waardoor tevens grondwater vervuild raakt. Alweer verbruik van kapitaal uit het verleden. Bovendien zijn voor het gehele voedselsysteem grote hoeveelheden energie nodig. Sommige berekeningen laten zien dat minstens tien calorieën nodig zijn om één calorie te produceren. Vrijwel al die energie komt uit fossiele brandstof.

Ook het levende kapitaal wordt in ons huidige systeem omvergeworpen. De veel gebruikte bestrijdingsmiddelengroep neonicotinoïden heeft bijvoorbeeld niet alleen effect op schadelijke plagen, maar ook op nuttige insecten zoals roofkevers en wilde bijen. Op de lange termijn zorgt die afbreuk van de natuur voor veel meer schade dan gewin. Onze economie is bovendien goeddeels lineair: grondstoffen worden gewonnen uit eindige bronnen en vervolgens verwerkt tot energie of product. Wat overblijft, eindigt als nutteloos afval.

Het is niet visionair deze lijn te continueren met als argument dat we in het verleden ook altijd het milieu beschadigden om de draagkracht te vergroten. Somber zinspelen op een pijnlijk einde van de wereld en elk menselijk leven als vervuiling van de planeet beschouwen, is evenmin constructief. Een radicaal andere aanpak is echter ook mogelijk. Wij pleiten voor ecologisering: werken mét de natuur in plaats van ertegen. De mogelijkheden daarvoor zijn nagenoeg onuitputtelijk.

Stel, we kunnen op aarde al het zonlicht benutten dat de atmosfeer bereikt en elke wereldburger gebruikt evenveel energie als wij in Nederland. In dat geval biedt de aarde genoeg ruimte om 43.000 miljard mensen van energie te voorzien. Dat is aanzienlijk meer dan de zeven miljard waarop we nu zitten en het biedt ruimte voor substantiële groei. Natuurlijk, aan de uitkomst van deze bierviltberekening die zich beperkt tot de energiebehoefte zitten talloze mitsen en maren. We willen slechts illustreren dat de zon een enorm potentieel biedt. Al die in de aarde opgeslagen energie uit het verleden is helemaal niet nodig.

Wij pleiten voor ecologisering: werken mét de natuur, niet ertegen. De mogelijkheden zijn nagenoeg onuitputtelijk

Dat vraagt wel om een slim gebruik. In de transitie naar duurzame energie heeft de rijksoverheid voor één hoofdrolspeler gekozen: verbranding van biomassa. Dat klinkt prima; energie uit biomassa is immers afkomstig van planten en kan dus volledig hernieuwbaar zijn. Alleen, planten zijn wel efficiënt in het omzetten van zonlicht in energie, maar niet in de opslag ervan. Voorspeld wordt dat de Nederlandse biomassavraag uiteindelijk uitkomt op zo’n 1600 PJ (petajoule) per jaar (bijna 445 miljard kWh (kilowattuur)). Het Planbureau voor de Leefomgeving becijferde echter dat de maximale biomassa-capaciteit in ons eigen land amper 200 PJ kan bedragen. Delen we het mondiale aanbod door alle mensen in de wereld, dan komen we op 290 PJ voor ons land.

Een directe benutting van de zon kan veel meer energie leveren als we volop investeren in toepassing en onderzoek. Zonne-energie bestaat in allerlei vormen – ook wind is het gevolg van zon – en de ontwikkeling ervan maakt een enorme vlucht door. Innovaties lopen uiteen van steeds efficiëntere conventionele zonnepanelen tot kunstmatige fotosynthese. Zelfs uit de activiteit van plantenwortels kan stroom gewonnen worden, zonder dat dit de plantengroei beïnvloedt. Met een keuze voor meerdere opties uit al die verschillende systemen kan de wereld in de toekomst gemakkelijk van energie worden voorzien. Biomassa blijft dan over voor hoogwaardiger gebruik dan energie. Voor bioplastics bijvoorbeeld, of voedsel voor onszelf.

Ook kunnen we biomassa gebruiken om de productiviteit van landbouwgronden te verbeteren. Een gebrek aan organische stof zorgt namelijk op diverse plaatsen in de wereld voor degradatie van landbouwgrond en verlies van productiviteit, terwijl we die productie met meer organische stof juist een stuk omhoog kunnen tillen. In China is het Löss Plateau, een voormalig woestijngebied van 624.000 vierkante kilometer met vijftig miljoen inwoners, gerestaureerd waardoor landbouw weer mogelijk is. Onder meer dankzij het toevoegen van organische stof en het planten van bomen.

Gebruik van mengteelten is een andere manier om de landbouwproductie op een duurzame manier te vergroten. Gewassen verschillen namelijk in de manier waarop ze groeien. Zo wortelt bijvoorbeeld de ene soort oppervlakkig en de andere diep, waardoor ze elkaar vaak niet in de weg zitten. Doordat verschillende gewassen met elkaar worden gecombineerd, kan de oogst met tientallen procenten toenemen.

Ook veel andere natuurlijke processen kunnen we direct gebruiken en zelfs nog een beetje naar onze hand zetten. Ongeveer 75 procent van de wereldwijde landbouwgewassen wordt bestoven door insecten als bijen, hommels en zweefvliegen. Met een slimmere inrichting van ons landbouwareaal, bijvoorbeeld door de aanleg van bloemenstroken, kunnen we het aantal bestuivers opkrikken en daarmee de landbouwopbrengsten vergroten. Precies hetzelfde geldt voor natuurlijke plaagbestrijding. Zo wordt 95 procent van de potentiële insectenplagen al onderdrukt door hun natuurlijke vijanden, zonder dat wij er iets van merken. Via een betere landinrichting kunnen we deze diensten stimuleren en plagen nog verder onderdrukken.

Met alleen innovaties in de energievoorziening en landbouw zijn we er nog niet, zolang de afvalberg blijft groeien. Die lineaire economie moet dan ook vervangen worden door een circulaire. Elke component in een product van nu is dan een potentiële grondstof voor de toekomst. Al bij het ontwerp moet dat een uitgangspunt zijn, zodat alle grondstoffen opnieuw gebruikt kunnen worden door volgende generaties. Daarin kan de natuur zelf als inspiratiebron blijven dienen. Klittenband is bijvoorbeeld gebaseerd op de plaktechnologie van plantenzaden van de klis. Het zelfreinigende effect van een lotusblad vormde de basis voor vuilafstotende verf. Door af te kijken van de natuur kunnen we ook producten maken die niet op een afvalberg belanden.

Eenvoudig zal het echt niet worden, zo’n economie zonder afval en met uitgebreide zonbenutting voor landbouw en energie. Bovendien zijn toekomstige problemen en wensen nooit te voorspellen. Net als in de natuur moeten we daarom voor meerdere oplossingen kiezen. De aarde telt ongeveer elf miljoen verschillende soorten, variërend van bacterie tot plant, van worm tot paard. Allemaal beschikken ze over hun eigen aanpassingen om in de toekomst te overleven; daar zitten altijd wel succesvolle strategieën tussen. Wij moeten voor onze toekomst precies hetzelfde doen en niet kiezen voor één of twee, maar voor duizenden toekomstideeën en daar geleidelijk op selecteren. Alleen zo kunnen we duurzaam overleven in een wereld met één, vijf, tien of zelfs twintig miljard mensen.

Met alleen ideeën uit onze eigen westerse cultuur gaan we het niet redden. Nee, we hebben originele invalshoeken nodig uit Bangladesh, en ook uit Ghana, Ivoorkust, Eritrea en Indonesië. Grootschalige sterfte door honger en ziekten is wel het laatste wat innovatieve ideeën van de grond brengt. Scholing, vrouwenemancipatie en toegang tot gezondheidszorg helpen de door ons gewenste innovatie wel. Die laatste drie leiden tevens tot een afname van de bevolkingsgroei. In dat licht is het hebben van minder mensen geen noodzaak of doel, maar wel een signaal dat we welvarender worden.


Stijn van Gils is promovendus bij het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) en columnist voor het Wageningse universiteitsblad Resource. Louise Vet is hoogleraar evolutionaire ecologie aan Wageningen University en directeur van het NIOO-KNAW


Beeld: (1) Dino Beach, Shanghai. Elke dag komen er op de aarde ruim tweehonderdduizend mensen bij (Nir Elias / Reuters)