Het gevecht van Oudeschip

‘Er zijn grote krachten die hier spelen’

Pas toen het al beklonken was liet de overheid aan de bewoners weten dat het gebied rond de Oostpolder volgebouwd ging worden met tientallen windturbines en industrie. Het verzet duurt voort. ‘Op papier lijkt het mooi, die inspraak, maar uiteindelijk hebben we straks niets te zeggen.’

Jan Anne Kiers en Greetje Koops in hun keuken aan de ontbijttafel

De N46 voert voorbij de stad Groningen, voorbij Stedum, Loppersum, Middelstum, Uithuizermeeden, Godlinze, zelfs voorbij Roodeschool. Aan de horizon de witte stoompluim van de kolencentrale. Rondom de weg strekken eindeloze omgeploegde velden zich uit. Suikerbieten, aardappelen, wortelen. Dan, helemaal aan het einde, verwijst een bordje naar rechts: Oudeschip, de laatste afslag voor de Eemshaven.

Langs een smalle weg onderlangs de dijk staan waarschuwingsborden in de berm, rood-witte afzettingspalen, bij een bocht is een stuk dijk afgegraven, later hoor ik dat ook een paar bomen zijn gekapt, om werkverkeer ruimte te geven. Verder ziet alles er vredig en landelijk uit; boerderijen, akkervelden, schapen op de dijk. Aan de andere kant ervan ligt de Oostpolder, de polder waar het allemaal om draait.

Ruim een jaar geleden schreef Jan Anne Kiers een e-mail naar de redactie van De Groene Amsterdammer. ‘Wij wonen hier in het meest noordelijke dorp van Nederland, het dorp Oudeschip, met circa 250 inwoners, ten noorden van ons hebben we de Eemshaven en tussen de Eemshaven en ons dorp ligt de Oostpolder. Nu wordt deze polder vol gezet met 21 windturbines van 223 m. tiphoogte op 600 m. afstand van de bebouwing. Ieder kan verzinnen dat hier een groot verhaal achter zit.’ En in een tweede e-mail, ter verduidelijking: ‘Het is geen vraag om onze verdediging, maar om opheldering welke krachten hier spelen.’

Als ik aan kom rijden, zit Jan Anne Kiers (67), rietdekker van beroep, samen met zijn vrouw Greetje Koops (62), in de achtertuin aan de Dijkweg, hun twee uit Sarajevo geadopteerde honden liggen naast hen in het gras. Vanaf de tuintafel kijken ze uit over een groot akkerland, nu vol met beginnend suikerbiet. ‘Die ruimte en vrijheid van het Hogeland, daar geniet ik nog altijd van’, zegt Kiers terwijl hij de courgettesoep in de borden schept.

Wat hij nog niet wist toen hij die e-mail schreef, was dat op dat moment nog veel grotere krachten speelden; pas onlangs bleek dat de provincie Groningen en de gemeente Het Hogeland al sinds oktober 2019 in het diepste geheim – om grondspeculatie te voorkomen, zullen ze achteraf verklaren – plannen ontwikkelden om het industriegebied rondom de Eemshaven uit te breiden naar diezelfde Oostpolder. Speciaal voor vestiging van industrie met een grote ruimtevraag, zoals automotive, waterstof, batterijen of datacenters. ‘In vertrouwen’ lieten ze marktverkenningen uitvoeren. Toen de uitkomst daarvan overwegend positief was, werd besloten te starten met de uitwerking van ‘een masterplan’. Op de middag van 13 april 2021 viel de bewonersbrief met deze overheidsboodschap in de bus.

‘Deze nieuwe ontwikkeling luidt eigenlijk het einde van Oudeschip in’, mailde Kiers me direct de dag hierna. Hij nodigde me nogmaals uit eens langs te komen. ‘We waren ontgoocheld’, vertelt hij die avond in de achtertuin. ‘Ik liep de straat op, naar de buren, daarna naar boer Rietema hierachter. Boeren en burgers leven hier vrij gescheiden van elkaar, maar nu voelde dat anders. Die familie werkt al generaties in de polder, hij was er echt ziek van.’

‘Ik ging direct op Funda kijken’, zegt Koops die, anders dan haar man, hier eigenlijk niet wil blijven. ‘Het gaat allemaal op zo’n slinkse manier.’

De dijk bij Oudeschip, met links de Oostpolder en in de verte de oprukkende industrie en windmolens van Eemshaven, juni

De dorpsbewoners – of ze nu voor of tegen de nieuwe plannen zijn – voelen zich belazerd en niet gehoord. Ze zijn het vertrouwen in zowel gemeente als provincie kwijt. Ze vragen zich af wat er nog meer gaat komen. Ze voelen zich als David tegenover Goliath, of, zoals Kiers later schrijft, als ‘Klein Duimpje tegen de Grote Reus’. Bewoners krijgen inspraak, zeggen gedeputeerde en wethouder, via ‘gesprekstafels’ worden ze betrokken bij ‘de ontwikkeling van het masterplan’. Maar waar ligt hun ruimte? Mogen ze meebepalen welke industrie zich er zal vestigen? Of mogen ze alleen meepraten over de ‘groen/blauwe’ bufferstrook langs de dijk? Ze hebben geen idee. In een van de rapporten, dat van Bucks Consultants International, worden de bewoners, samen met windmolens en natuurgebieden, aangewezen als mogelijke ‘ontwikkelingsbelemmering’. Dat helpt niet.

Op 30 juni hebben zowel de raad van de gemeente Het Hogeland als de Provinciale Staten van Groningen ingestemd met het industriële uitbreidingsplan. Desondanks geven de inwoners van het kleine dorp niet op, ze blijven vechten, ieder op hun eigen manier, om gehoord te worden. Ze begrijpen dat de energietransitie en de werkgelegenheid belangrijk zijn, zijn soms ook trots op de groei van de haven, maar hoe zit het dan met hen?

Ik rende direct naar buiten nadat ik die bewonersbrief had gelezen’, zegt Doreen van Loenen (67), bewoner aan de Buitenweg – Oudeschip bestaat min of meer uit de Buitenweg, de Derk Luddesweg, de Molenweg en de Dijkweg. ‘Ik schrok me wezenloos’, zegt Etty Meijer (66), de buurvrouw van de Dijkweg die naast haar aan de keukentafel zit. ‘Jan Anne kwam ook aanlopen, helemaal overstuur.’

Voor hen liggen stapels rapporten, brieven, krantenknipsels, laptops, ernaast een mok koffie. Wekelijks, en bij tijd en wijle dagelijks, hebben ze de afgelopen jaren zo doorgebracht – ‘Mijn man riep weleens: “Woon je daar?”’, lacht Meijer. Samen streden ze eerst tegen de komst van de windturbines in de Oostpolder. Ze stuurden brieven naar alle ministeries, het kabinet, de Provinciale Staten in Groningen, de burgemeester en wethouders van Het Hogeland, de fractievoorzitters. Het antwoord luidde steevast: ‘Het windmolenpark is vergund en onherroepelijk.’ Inhoudelijk ging niemand ergens op in. Ze zochten het hogerop, vulden het klachtenformulier in bij de Europese Commissie en betrokken de Nationale Ombudsman erbij. Ze beroepen zich op het voorzorgsbeginsel: zolang er geen duidelijkheid is over gezondheidsrisico’s bij laagfrequent geluid, turbulentie en slagschaduw.

‘We zijn nog bezig met het windpark in de polder, komt het volgende al weer’, vervolgt Meijer.

Van Loenen: ‘Het gaat om 4.2 industrie, dat is midden tot zwaar.’

Meijer: ‘Er lopen daar hazen, reeën, laatst zag ik een fazant, kieviten…’

Van Loenen: ‘Ik dacht: dit kan niet waar zijn.’

Meijer: ‘Ik ging hier vroeger vanuit Spijk na school zwemmen achter de dijk.’

Dorpsavond op zaterdag van Dorpsbelangen

Dezelfde avond dat de bewoners de brief hadden gekregen, belde het Dagblad van het Noorden, even later RTV Noord, EenVandaag, rtl, sbs6, npo en de Volkskrant.

Van Loenen: ‘Het was een gekkenhuis. Ze zouden allemaal de volgende dag komen.’

Meijer: ‘Ik heb direct een aantal dorpsbewoners opgetrommeld: Doreen, Erik, Greetje… En vanaf half negen die ochtend zaten we bij mij thuis met koffie en koek. Het was wel heel apart. Met EenVandaag stonden we op de dijk. Later weer met sbs6.’ De dag daarna was de nationale pers weer vertrokken en bleven de bewoners met zichzelf achter.

‘De dijk is versterkt na een grote vloed in 1717’, vertelt Kiers tijdens een wandeling door de Oostpolder. ‘In die tijd liep de Waddenzee tot hier.’ Terwijl ik de dijk op loop, verwacht ik eigenlijk nog steeds aan de andere kant de zee te zien. Maar als ik boven ben, ontvouwt zich voor me een bijna futuristische wereld: tussen het akkerland met pootaardappelen en wuivend wintergerst zie ik betonnen wegen en enorme bouwputten – ‘de fundering voor die 21 windturbines’. Daarachter de haven met de pijpen van de Vattenfall-gascentrale (nu te koop), de stoomwolk uit de rwe-kolencentrale, de blokkendoos van het Google-datacentrum, de bergen vervuilde grond van afvalverwerker Theo Pouw, en ellenlange rijen windturbines.

‘Dit was een rijk vogeltrekgebied, maar dat is al lang verleden tijd. Nu wordt er 24 uur per dag gebouwd en gegraven’

Het was op deze plek dat Meijer en de andere dorpsbewoners de pers te woord stonden. Ook gedeputeerde van de provincie Groningen Mirjam Wulfse (vvd) stond hier toen ze aan EenVandaag vertelde over het succes van de haven, dat er behoefte is aan meer ontwikkeling; ze wees daarna met gestrekte arm over de vlakke polder die voor haar lag: ‘Twaalfhonderd voetbalvelden groot, zeshonderd hectare. Gigantisch veel kansen voor de bewoners van Groningen en mensen van elders die hier willen komen werken.’

De rietdekker loopt met rappe stappen over het net aangelegde betonpad. ‘Tot voor kort waren dit nog historische kleipaden, nu ligt er voor de windturbines zo’n twintig kilometer aan beton, 24 centimeter dik’, zegt hij met pijn in zijn hart. In 1840 polderden boeren zelf een deel van de zee in. Het is vruchtbare zeeklei, perfect voor de teelt van pootaardappelen. ‘De Rolls Royce onder de gronden in Nederland’, zei een van de akkerboeren wiens familie hier al acht generaties zit, op 16 juni in de vergadering van de Statencommissie. ‘Het pootgoed gaat vanuit hier over de hele wereld’, vervolgt Kiers. ‘Naar landen als Algerije per vrachtschip, of de Balkan, Iran, Turkije met vrachtwagens, ze komen uit alle windstreken, soms vraagt een verdwaalde chauffeur de weg.’

Marck van Malder bij zijn huis aan de Molenweg in gesprek met overbuurvrouw Wendy

Kiers, zoon van een akkerbouwer op het Hogeland, ontmoette zijn vrouw tijdens hun studie in Groningen. Na een paar jaar zocht hij een ‘schuur’ om te timmeren en die vond hij in Oudeschip. Kiers voelde direct weer die ruimte, die vrijheid die hij in de stad miste. Ze gingen er in 1988 wonen, kochten later het huis erbij en knapten alles zelf op. Hun drie kinderen groeiden hier op.

Twee meeuwen vliegen krijsend over de polder. ‘Toen we hier kwamen, was het een oude, gezellige polder’, zegt Kiers. De Eemshaven, die in 1973 werd gebouwd, leidde nog een noodlijdend bestaan. ‘Er gebeurde nooit iets. Jarenlang lag er alleen een oude olietanker.’ In die tijd was dit een rijk vogeltrekgebied, maar dat is al lang verleden tijd. Nu wordt er 24 uur per dag gebouwd en gegraven. TenneT legt op dit moment nieuwe 380 kV hoogspanningsverbindingen, inclusief nieuwe masten, om de grote hoeveelheden energie die hier aan land komen vanuit de windmolenparken boven Schiermonnikoog naar Groningen te brengen. Internationale vrachtschepen met Russische, Filipijnse bemanning lossen en laden. ‘Onlangs zijn er nog achttienduizend zonnepanelen aangelegd door een Duits bedrijf met Bulgaarse arbeiders’, vervolgt Kiers. ‘Het Google-datacentrum wordt per drie jaar verdubbeld.’

In gedachten verzonken loopt hij terug. ‘Er zijn grote krachten die hier spelen’, zegt hij dan. ‘We worden geregeerd door mensen die je niet ziet, die hier niet eens komen. De kolencentrale rwe wordt gerund door aandeelhouders in Duitsland, die willen winst zien. Het gaat allemaal om geld.’ En dan het schandaal rond de verkoop van grond aan Google, onlangs onthuld door Nieuwsuur, waarbij overheidsbestuurders door machtsmisbruik een boer dupeerden en in het geheim voor miljoenen windmolen-rechten gunden aan de belangrijkste grond-eigenaar.

‘De strijd tegen de windmolens hebben we al verloren’, denkt Kiers. ‘Ze komen er, groter en dichterbij, en zo hoog dat ze ’s nachts lichtjes moeten hebben. Je hoort altijd de slagen: woef, woef…’ Toen de dorpsbewoners werden ingelicht over de windturbines was het al in kannen en kruiken. ‘Wij konden niks meer doen. We mochten een zienswijze indienen, maar ik heb niet het gevoel dat ze het gelezen hebben. We hebben nog een bezwaarschrift ingediend, daar is ook niet op gereageerd.’

Eerder al wilde Henk Bleker, cda-gedeputeerde in Groningen van 1999 tot 2009, de Oostpolder vol zetten met glastuinbouw. Samen met andere dorpsbewoners heeft Kiers toen de stichting Op goede grond opgericht. Drie keer zijn ze op excursie geweest naar Friesland en Brabant om dit soort kassen te bestuderen, zich te laten informeren. ‘Wij waren al snel beter geïnformeerd dan de overheid’, zegt Kiers hoofdschuddend. Vijf jaar geleden heeft de nieuwe gedeputeerde in Groningen definitief de stekker eruit getrokken. Vanuit de glastuinbouw zelf bleek er geen animo te zijn.

Het centrum van Oudeschip. Het dorp heeft geen kerk

Daarna kwam het windmolenplan, en nu dus de industrie erbij. ‘Gedeputeerden en wethouders komen en gaan’, zucht Kiers terwijl we terug over de dijk lopen. ‘Allemaal willen ze zich hier laten gelden. Het gaat als een golf over ons heen. En elke keer moeten wij weer in de touwen. Ze huren dure adviesbureaus in uit het westen, met jongens en meisjes die achter de computer plannen bedenken over onze polder.’ Kiers heeft het gevoel dat ze er nooit tegenop kunnen. ‘Het geweld van de intelligentie’, noemt hij het. ‘Ze zijn slim en uitgekiend. Praten met de huidige taal, met woorden die wij niet kennen.’

Het heeft enorme impact. ‘Ons aanpassingsvermogen wordt de hele tijd aangesproken. We worden constant geconfronteerd met weer veranderingen. Er is geen rust in de omgeving. Ik ben constant op mijn hoede: wat gebeurt er nu weer? Mensen zeggen: je moet met je tijd meegaan, stilstaan is achteruitgang. Ik vraag me af in hoeverre dat zo is.’

Het verhaal gaat dat rond 1760 hier een zeilschip strandde, later werd op dezelfde plek een huis gebouwd dat tevens diende als jeneverkroeg: ’t Oudeschip. ‘Het ging er uitbundig aan toe’, meldt de Dorpsvisie. Als er een schip vol diggel (aardewerk) aanlegde, ontstonden tijdens diggelmarkten wilde feesten, met vrouwen van lichte zeden, lichtekooien, voor de zeelui en boeren – ‘Het was hier altijd afgelegen, goed voor alle dingen die verborgen moesten blijven’, grinnikt Kiers die avond in zijn achtertuin. Eerst was er alleen een boerenhoeve met wat arbeiderswoningen, eind negentiende eeuw kwamen er meer huizen, bakkers, een slager, een korenmolen, de melkboer kwam langs met een kar, net als de groenteboer, en er waren drie basisscholen. Wat alleen ontbrak was een kerk. Die is er nooit geweest. En daarom misschien wel, denken ze hier, heeft het dorp altijd mensen aangetrokken die anders zijn, die rust en vrijheid zoeken, maar toch klaarstaan voor elkaar als het nodig is. Dat is typisch Oudeschip, zeggen ze hier.

‘Alles kan hier altijd in vrijheid’, beaamt Jaap Kap aan een tafel in dorpshuis het Diggelschip aan de Molenweg. Kap, senior technicus op het chemiepark in Delfzijl, is sinds 2013 voorzitter van Dorpsbelangen. Zijn ouderlijk huis dat hij aan het verbouwen is, ligt aan de overkant van de straat. Van de acht kinderen is Jaap de enige die in Oudeschip is gebleven. Zijn vader runde decennia een winkel, Warenhuis Kap, waar ongeveer alles te koop was, van sigaretten, chips en puzzels tot brillendoekjes, pleisters, koffie en bukskogels. Bij ‘Kap’ kon je altijd terecht, van heinde en ver kwamen mensen er op af. De dorpsbewoners missen het nu nog. ‘Pa had er een hekel aan om “nee” te zeggen’, zegt zijn zoon. Na zijn vaders dood acht jaar geleden is de deur op slot gedraaid. Kap wil het winkeltje ooit weer openen, alleen komt het er nog even niet van.

Hij groeide op in ‘negativiteit’, zoals hij het zelf noemt. In de jaren zeventig van de vorige eeuw, nadat de Eemshaven was gebouwd, werden alle huizen die leegkwamen opgekocht. Oudeschip zou verdwijnen, net als de dorpen Heveskes en Oterdum bij Delfzijl die met de grond gelijk zijn gemaakt voor mogelijke havenuitbreiding. ‘Dertien woningen zijn verdwenen, mensen staken ze in de fik voor de verzekering’, zegt Kap. Na 1985, toen de Eemshaven niet bleek te groeien, is dit beleid opgeheven. Het dorp lag er toen echter verwaarloosd bij. Kap probeert het gevoel nu om te draaien. Iets positiefs ervan te maken. ‘Ik zeg ook altijd: dit is niet het laatste dorpje van Nederland, maar het eerste.’

Hij ergert zich daarom ook aan de huidige verpaupering. ‘We vragen al jaren om nieuwe straatverlichting’, zegt hij zuchtend. ‘Wij willen mooie lantaarnpalen, klassiek zoals in Amsterdam.’ Hij strijkt met zijn hand over het tafelblad. Er is, vindt hij, geen aandacht vanuit de gemeente: ‘De speeltuin is door onszelf betaald, dit dorpshuis, de voormalige openbare lagere school, wordt niet opgeknapt…’ Hij is best trots dat de Eemshaven het nu goed doet. Werkgelegenheid voor de regio is belangrijk, dat vindt hij ook. Maar in Oudeschip hebben ze daar tot nu toe weinig baat bij.

‘Ik vind dat ze het woord “gemeente” moeten afschaffen, ze zijn er niet meer voor de mensen’, zegt Kap. ‘Bij Delfzijl zijn destijds twee dorpen platgegooid voor de industrie en dat ligt nog steeds braak.’ Hij denkt dan ook dat de uitbreidingsplannen niet tegen zijn te houden, maar nu wil Dorpsbelangen er wel iets voor terug: alle huizen isoleren en van het gas af, invloed op welke industrie hier komt, een goede uitkoopregeling voor mensen die weg willen. Voorlopig zijn ze ook niet van plan mee te doen aan de gesprekstafels van de provincie. ‘Eerst moeten we zelf weten wat we willen.’ Hij wrijft nogmaals over het lege tafelblad. ‘Je moet je als leek overal in inlezen, altijd vechten. Op papier lijkt het mooi, die inspraak, maar uiteindelijk hebben we straks niets te zeggen.’

Dan springt hij op: nog één wens: de Groote Tjariet omleggen. Hij pakt een kaart erbij die op een tafel in het dorpshuis ligt, en wijst het historische riviertje aan. ‘Hij kan vanaf daar makkelijk naar Oudeschip worden uitgegraven. Dan hebben we hier een vorm van ontspanning, kunnen we een boottochtje maken, ons hoofd leegmaken. Als er wat toeristen door komen is dat ook mooi.’

‘Een kanoroute over de Groote Tjariet’, vindt ook Vita van der Lijke (36) die samen met haar man René Diekstra (42) en twee kinderen naast Kap aan de Molenweg woont, ‘dat is echt wel interessant voor toeristen.’ Ze zitten op hun terras, hun zoontje (5) speelt in een rond opzetzwembad. ‘Zeker in combinatie met de internationale zeehaven’, gaat ze verder. ‘De veerpont naar Borkum, een leuk dorp waar wat te beleven valt – misschien gaat Warenhuis Kap wel weer open…’

Van der Lijke en Diekstra zijn twee van de relatieve nieuwkomers in het dorp. Ze waren op zoek naar een plek waar ze muziek konden maken en op één salaris konden wonen. Ze bouwden in de tuin een onderkomen voor hun bedrijf Roadbear Studios waar ze als designer, ontwerper en programmeur samenwerken. Net als andere jonge nieuwkomers zien ze in die uitbreiding ook mogelijkheden. Van der Lijke heeft zich daarom wél aangesloten bij de drie gesprekstafels. ‘Het gaat toch gebeuren’, zegt ze. ‘Dan kun je er maar beter iets over te zeggen hebben.’

De grond van de Oostpolder is een van de vruchtbaarste van het land

Ze heeft genoeg ideeën: ‘Maak een plukbos van die groenstrook achter de dijk. Maak het makkelijker om van het dorp naar de haven te komen, om te zwemmen of met de veerboot naar Borkum te gaan. Dan komen er ook eerder toeristen vanuit de haven naar het dorp. In het dorpshuis kunnen we een B&B openen, gerund door dorpsbewoners, of er een vergadercentrum van maken en een bezoekerscentrum over het Groninger landschap, gecombineerd met het verhaal over de energietransitie. Je kunt hier wandelen, vogelen, fietsen. Kinderen kunnen op straat een limonadekraam beginnen, we kunnen e-bike-verhuur doen, vrienden van ons organiseren al waddenribtochten op de Waddenzee…’

Haar zoontje vraagt of hij een ijsje mag. ‘Of we echt inspraak hebben moet natuurlijk nog blijken’, zegt Van der Lijke dan. ‘Ik weet het niet. Je positie is zwak. De eerste tekenen zijn niet hoopgevend. Veel mensen kregen geen brief, bijvoorbeeld, maar ik heb wel vertrouwen in de dorpsbewoners, die zijn creatief.’

‘Ik graaf in die rapporten. Ik probeer er echt bovenop te zitten. We willen niet weer in de maling worden genomen’

Aan het einde van de Molenweg staat Marck van Malder (35) tegen zijn glanzende Dodge Ram aangeleund bij de autohandel van zijn broertje. Zijn zwangere vrouw zit voor het huis, zijn twee kinderen rijden op skelters rondjes op straat. Hier groeide hij op met zijn twee broers. Ze werden in het dorp vaak ‘de Belgen’ genoemd. ‘Omdat mijn vader Belg was’, zegt hij schouderophalend. ‘Je krijgt een stempel, hè? Mijn vader deed van alles, auto’s, handeltjes, op kermissen staan met een toiletwagen, dat doet mijn moeder nu nog.’ Hij haalt ook zijn schouders op over de nieuwe plannen met de Oostpolder. ‘Ik houd me er niet mee bezig. Misschien levert het wel wat bedrijvigheid op voor de autohandel en reparatie.’

‘Dat de windmolens zowat in de voortuin kwamen was al erg, nu ook nog de uitbreiding’, zegt overbuurvrouw Wendy (57, ze wil niet met haar achternaam in de krant) die er net bij is komen staan. Ze is hier in 2007 komen wonen met het idee er oud te worden, samen met haar man en broer, die het syndroom van Down heeft. Ze heeft het huis gerenoveerd, van haar tuin een paradijs gemaakt met sauna, jacuzzi, zwembad, moestuin en overal zithoekjes. Maar ze heeft geen enkel vertrouwen in de beloftes van de gemeente en provincie. ‘Ze doen alsof we inspraak krijgen, maar al sinds ik hier woon krijgen we niks. Uithuizen kreeg een nieuw haventje, Roodeschool een mooi parkje, Oudeschip alleen industrie.’

‘Als dat winkeltje van Kap weer open zou gaan, dan wordt het hier leuker’, zegt Van Malder. ‘Bij die oude man kon je ’s avonds nog shag kopen, op zondag een kratje bier halen.’

‘Ik zeg al lang: ze willen ons hier weg hebben’, vervolgt Wendy. ‘Wie zegt dat het hierbij blijft? Dat ze niet ook aan de andere kant van Oudeschip de industrie verder uitbreiden? Niet nu, maar de volgende gedeputeerde of wethouder? Ik zeg je: Oudeschip gaat verdwijnen.’ Ze was er net overheen dat die windmolens zouden komen, toen kwam die brief van 13 april. Ze verkocht haar huis en vertrekt dit jaar nog naar Midden-Frankrijk. ‘Daar is tenminste nog vrijheid.’

Gezicht op de Dijkweg vanaf de dijk

De vraag is: levert het plan echt zo veel werkgelegenheid voor de regio op? Volgens Erik Dijkshoorn, die aan de Dijkweg woont, zijn de verkeerde onderzoeksvragen gesteld. Als ingenieur uit Delft, gespecialiseerd in de energietransitie en waterstof, verdiepte hij zich in alle rapporten en onderzoeken die de provincie liet uitvoeren. ‘Ze hebben gevraagd: is er belangstelling voor grootschalige industrie. Waarom? Waarom was de vraag niet: wat is er goed voor de regio om te ontwikkelen op die zeshonderd hectare? Datacenters zijn de grootste energieverslinders, waarom zouden we die hier willen? Google en een waterstoffabriek leveren ons geen werkgelegenheid op. Bij datacenters werken uit de regio hooguit schoonmakers, cateraars en beveiligers.’

Om de dorpelingen beter te informeren, is hij het blad de Oudeschipster begonnen; elke maand valt dat met het laatste nieuws over de industriële uitbreiding bij alle bewoners langs de polder in de bus. Dijkshoorn is nu druk bezig met nummer vier. ‘Ik graaf in die rapporten en zet een samenvatting in de Oudeschipster.’ Hij lacht. ‘Ik probeer er echt bovenop te zitten. We willen niet weer in de maling worden genomen.’

Vanaf de keukentafel werpt hij een blik op zijn verwilderde tuin. Dijkshoorn is pas vier jaar geleden hier komen wonen, en er nog niet aan toe gekomen. Hij heeft een paar onfortuinlijke jaren achter de rug, verloor veel geld in Thailand waar hij toen met zijn Engelse vrouw en kinderen woonde. ‘We hadden geen cent meer’, zegt hij. ‘En zo kwam ik hier. Volgens Funda was dit de goedkoopste plek van Nederland.’ De ingenieur had grootse plannen, wilde hier kleinschalig gebruik van waterstof als energiebron opzetten, in combinatie met twee windmolens die het dorp zou krijgen – wat niet doorging. ‘Na de beslissing van de provincie en gemeente om het te gaan doen, mailde opeens niemand meer terug en nam niemand de telefoon meer op.’

Je kunt er maar beter iets moois van maken, vindt hij. Hij stort zich nu op alternatieve plannen voor de Oostpolder: een fabriek die prefab panelen fabriceert voor houten huizen bijvoorbeeld. ‘Dat biedt echte werkgelegenheid’, zegt Dijkshoorn enthousiast. ‘Zet daarnaast een park met kleine 3D-printbedrijven. Dát is hightech en de toekomst.’ En er is tweehonderd hectare groen/blauwe buffer gereserveerd tussen het dorp en de industrie. ‘Laten we daar een landschapsarchitect voor vragen…’

De Oudeschipster is al zo’n succes dat hij heeft besloten van maandelijks naar tweewekelijks te gaan. ‘Mario, de autohandelaar, wil al adverteren.’

Uitzicht op de dijk vanuit de woonkamer van Jan Anne Kiers en Greetje Koops

Aan de keukentafel aan de Buitenweg geven Etty Meijer en Doreen van Loenen hun strijd tegen de windmolens voorlopig niet op. Ze weten zich bovendien opeens gesteund door de uitspraak van de Raad van State op 30 juni die bepaalde dat de regering, voor de algemene normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid die in Nederland gelden voor de bouw van windturbines, nu eerst een milieubeoordeling moet maken. Van Loenen begon diezelfde dag nog aan een brief naar de autoriteiten om ze per direct te laten stoppen met de werkzaamheden aan de windturbines in de Oostpolder.

Van Loenen: ‘De fundering zit er al in, maar dat maakt ons niet uit.’

Meijer: ‘En dan hebben we nog de industrie. Beide onderwerpen pakken we nu op met Dorpsbelangen.’

Van Loenen: ‘Wij proberen een vinger in de pap te krijgen. Bijvoorbeeld over die groenstrook: we willen een modern natuurgebied met biodiversiteit, hoge bomen, een park met vijvers, zoiets als het Vondelpark.’

Meijer: ‘Er wordt zo weinig geluisterd. Onze huizen staan regelmatig te schudden door al het vrachtverkeer dat door ons dorpje dendert. En donker is het hier al lang niet meer. ’s Avonds komt vanuit Google een enorme bak licht…’

Van Loenen: ‘Het heeft zo’n impact op je leven.’

Meijer: ‘De Oostpolder moet blijven zoals-ie is.’

Van Loenen: ‘Dat is de kern.’

Meijer: ‘Ik kan er wel om janken. Het leven wordt beslist voor je. Dat doet zeer.’

Op het erf bij Jan Anne Kiers en Greetje Koops, met een van de geadopteerde straathonden uit Sarajevo

Hoe hard de Oudeschipsters ook vechten, ‘grotere krachten’ zoals Kiers het noemt, hebben al lang besloten dat de windturbines en de industrie in de polder gaan komen. Wel heeft gedeputeerde Wulfse tijdens de laatste Statenvergadering, onder druk van vrijwel alle Statenleden, toegezegd dat het masterplan samen met de bewoners zal worden ontwikkeld, dat dorpsbewoners inspraak hebben over het type bedrijven, de inrichting van de groen/blauwe zone, het omleggen van de Groote Tjariet, dat er budget komt voor eigen experts, een uitkoopregeling, een landbouweffectrapportage voor de akkerboeren. Blijkbaar voelt de provincie nu wel de noodzaak om naar de dorpsbewoners te luisteren en samen te werken. Maar waarom nu pas? Waarom zo’n plan niet van begin af aan oppakken met bewoners? En waarom communiceren ze er niet duidelijker over? Voordat dorpsbewoners hen nu zullen vertrouwen moet er nog heel wat water door de Groote Tjariet.

‘Eerst zien, dan geloven’, zeiden ze eerder ook aan de bar in het dorpshuis nog. Op die zaterdagavond wordt als vanouds weer patat gebakken door Kiers. Etty Meijer staat achter de tap, Wendy heeft een grote salade gemaakt. Aan de bar wordt de oprukkende industrie uitgebreid besproken.
‘De polder is onze buffer.’
‘Die windenergie is ook niet voor ons.’
‘Ik kreeg niet eens die brief.’
‘Het gaat om mijn vrijheid.’
‘Waar kunnen we heen…?’