Hoofdcommentaar

Er zijn ook nog normale kinderen

DE ‘ZORGLEERLING’ trekt alle energie uit het onderwijs. Het ‘mishandelde kind’ laat de wachtlijsten bij jeugdzorg dichtslibben. Hierdoor raakt minister Rouvoet (Jeugd en Gezin) in de knoei. Iedereen raakt langzamerhand overspannen, maar het probleem schuilt eerder in te hoge verwachtingen van vadertje Staat.
Vorige week presenteerde de SP de uitkomsten van een enquête onder 3300 leerkrachten, waaruit blijkt dat veertig procent van de leraren in het basis- en middelbaar onderwijs lijdt onder een te grote werkdruk, vanwege te grote klassen met veel te veel zorgleerlingen. De daarmee samenhangende bureaucratie maakt het vak volgens de leraren ‘loodzwaar’. Ze missen ‘ondersteuning’ in de klas en geven aan dat ze veel te weinig toekomen aan normaal lesgeven. Deze uitslag is geen verrassing, maar het is altijd nuttig om dit te vernemen van de professionals op de werkvloer en niet van didactici en politici die zeggen wat docenten allemaal moeten doen – en hen als ze het niet kunnen naar cursussen verwijzen die hun gebrek aan vaardigheden moeten bijspijkeren.
Eenzelfde kloof tussen wens en werkelijkheid doet zich voor bij de jeugdzorg. De wachtlijsten bij jeugdzorg worden dit jaar in enkele grote steden en provincies niet korter, terwijl er een afspraak is gemaakt met Rouvoet om de enorme vraag weg te werken. De provincies vragen nu om meer geld bij het rijk, want anders worden de targets niet gehaald.
En wat doet de minister in het nauw? Hij voert de druk op het systeem op. Amsterdam en Rotterdam dreigt hij onder curatele te stellen. De provincies die het niet redden moeten kinderen gemakshalve gaan onderbrengen bij provincies die een lagere groei hadden dan verwacht. Ouders en kinderen worden dan gedwongen te gaan reizen.
Dat is natuurlijk een schijnoplossing. En omdat Rouvoet dat goed beseft, gooit hij het roer snel om. Hij werkt aan een nieuwe visie op de jeugdzorg met als uitgangspunt dat opvoedproblemen minder snel op het bordje gelegd moeten worden van (dure) gespecialiseerde hulp maar weer – heel ouderwets –opgelost dienen te worden door familieleden, kennissen én scholen. Docenten moeten onder meer gesprekskringen met ouders organiseren. Dat betekent nog méér opvoedingstaken voor scholen.
Dit patroon is funest. De overheid heeft zo ambitieus ingezet op het probleemkind dat het beroep van ouders met (ook normale) opvoedingsproblemen op professionele hulp harder is gestegen dan geraamd. Nu het spaak loopt verschuift de verantwoordelijkheid naar scholen. Dé oplossing ligt telkens bij de ander. En zo stuitert het probleemkind van het ene bordje naar het andere, waardoor opvoeders, leerkrachten en hulpverleners van elkaar in de stress raken. Ondertussen zou je bijna vergeten dat ze er ook nog zijn: normale kinderen die zonder hulptraject of digitaal dossier proberen te spelen en te leren. Straks worden zij ook nog een zorgenkind.