De opkomst van cursistenproza

Er zijn steeds meer breed lachende schrijvers

Schrijven ontwikkelt zich de laatste dertig, veertig jaar meer en meer als een vak en minder als een romantische roeping. De Nederlandse literatuur van de laatste jaren levert vooral cursistenproza af.

Het fantastische in het alledaagse! De ironische toon! Zo licht, zo ontspannend, en toch ook nog wel complex! Over de Hollandsheid van de Nederlandse literatuur zijn ze in andere landen meer te spreken dan in ons eigen land, en zo hoort het ook natuurlijk – al schijnt dat op zich al weer heel erg Hollands te zijn. Nooit jezelf op de borst kloppen! In eigen land overheerst toch vooral het idee dat de Nederlandse schrijver een wel zeer beperkt blikveld heeft. Zo prees Michaël Zeeman onlangs in zijn column voor de Volkskrant het kosmopolitisme van een jonge Franse schrijver om het provincialisme van diens Nederlandse collega’s andermaal te onderstrepen. Zou een Nederlandse auteur zich ooit eens oprecht in het Midden-Oosten verdiepen om er een roman over te schrijven? Welnee, die heeft het te druk met het onder tekenen van een of andere kokette open brief aan zijn minister van Justitie. Aldus Zeeman. Zijn ergernis over Hollandse navelstaarderij is verwant met die van Rob Schouten, die zich recentelijk in Trouw opwond over de beperkte thematiek van debutanten: of het nu eindelijk eens afgelopen mocht zijn met al die ontmaagdingen en ongelukkige liefdes.

Renate Dorrestein formuleerde in een interview met NRC Handelsblad een ander manco van de Nederlandse literatuur, ingegeven door haar moeizame relatie met de literaire kritiek: het ontbreken van een sterke traditie van verhalend proza. «Waren we vertrouwder met het verhaal, dan waren we ook vertrouwder met de emoties die daarbij horen.»

Zie hier de idées reçues over de Nederlandse literatuur in een notendop: geen ideeën, geen verhalen, een en al preoccupatie met eigen zielenroerselen en -leed. Ondertussen blijft er duchtig doorgeschreven worden. Het afgelopen jaar kwam er zelfs meer dan ooit op de markt. Wat zijn dat dan voor boeken, als ze niet over het Midden-Oosten gaan en geen buitengewoon onderhoudend verhaal vertellen?

Soms is weinig zo verhelderend als sec de productie van een jaar in ogenschouw te nemen. Eerder werd dat, ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van het Letterkundig Museum, gedaan met het jaar 1954 (1954, een literaire doorsnee, Querido 1994). Zo’n zestig romans verschenen er toen, waaronder Zolang te water van Simon Vinkenoog, Zelfportret als legkaart van Hella S. Haasse en De diamant van Harry Mulisch. Hiermee zijn meteen wel de boeken genoemd die de lezer van nu nog steeds wat zeggen. In zijn artikel over de romanproductie van destijds noemt Carel Peeters 1954 «het jaar van een aantal individuele uitschieters». Johan Fabricius en Clare Lennart werden buitengewoon welwillend en aardig bejegend door de literaire kritiek. Een van de populairste schrijvers was Aar van de Werfhorst, wiens werk in van die dikke omnibussen met 150.000 exemplaren over de toonbank ging. De Vlaming Gerard Walschap werd van alle kanten gelauwerd. Tijgers van Frans Pauwels werd onthaald als een van de grootste, belangrijkste romans uit de Nederlandse letterkunde. De kritiek kauwde nog na op Paranoia van Willem Frederik Hermans, dat het jaar ervoor verscheen. Zowel Hermans als Reve werd mondjesmaat verkocht. Hugo Claus en Louis Paul Boon kregen wel aandacht, maar – zo schrijft Anthony Mertens in zijn bijdrage over de verhalen en novellen in 1954 – de allesbehalve vormvernieuwende vertellers genoten zowel bij het lezerspubliek als bij de literaire kritiek het meeste krediet. Piet van Aken bijvoorbeeld. En Kees Stempels ontving de Reina Prinsen Geerligsprijs voor De glazen bol: «een zuiver talent van wie zeker meer te verwachten valt voor de toekomst». Kees wie?

Ondertussen zijn we vijftig jaar verder, en kunnen we rustig constateren dat… Ja, wat eigenlijk? Het is een beetje flauw om alsnog een lange neus te maken naar Aar van de Werfhorst, Piet van Aken en Kees Stempels. Zij hebben immers hun tijd gehad. Niet iedereen hoeft te opteren voor de eeuwigheid. We zeggen dan ook niks schokkends als we denken dat van de 195 nieuwe Nederlandse fictieboeken die het afgelopen jaar verschenen – meer dan ooit; de voorgaande jaren schommelde het aantal boeken rond de 150 – het leeuwendeel geen lang leven beschoren zal zijn. Misschien is het vooral wel de literaire kritiek die is veranderd. Nog steeds overheersen de traditionele vertellers die voor hun stof dicht bij huis blijven, maar zij worden ofwel genegeerd door de kritiek of negatief besproken. Wat Walschap in 1954 zei toen hij de Staatsprijs voor de Vlaamse letterkunde kreeg opgespeld, geldt voor driekwart van de schrijvers die dit jaar een roman het licht deden zien: «Mijn romans bevatten mijn opvattingen, neigingen, beginselen, ervaringen. Ik heb alleen maar over mezelf geschreven in die zin, maar geen autobiografie.» Er zijn nogal wat schrijvers die – misschien voor eens en altijd – tegemoet willen komen aan een soort innerlijke noodzaak hun leven zin te geven door de hele mikmak in een verhalende vorm te gieten en daarmee hopen even boven hun tranendal uit te stijgen. Wat dat betreft is de klacht over de benauwde horizon van de gemiddelde Nederlandse schrijver goed te plaatsen, zij het dat die horizon van alle tijden is, en vast ook van alle landen. Wel is een verwant genre populair geworden dat vijftig jaar geleden met Zelfportret in legkaart nog een omfloerste vorm had: het egodocument. Ziekte, dood, ongeluk, ouderschap – de eigen ervaringen hiermee staan centraal in een immer groeiend aantal boeken.

In het resterende kwart van de romans en verhalenbundels zegeviert de verbeelding. Wat iets anders is dan dat het meteen ook interessantere boeken zijn. Je kunt een sterk verhaal hebben, maar zonder een navenante schrijfstijl wordt het soep. En een sterke stijl die nergens heen gaat, valt maar tot op zekere hoogte onder het kopje avant-gardisme te verteren. Het oubollig vertelde verhaal en het compositorisch meer vernuftig vertelde verhaal houden elkaar dit jaar redelijk in evenwicht. Dorrestein kan tevreden zijn. Zeeman minder: het Midden-Oosten heeft slechts weinigen geïnspireerd. Wel werd dit jaar een tiental romans gepubliceerd waaruit een duidelijk engagement spreekt met de huidige tijdgeest.

Het lijkt erop alsof 2004, net als 1954, en vast ook 1974 en 2024, de literatuurgeschiedenis zal ingaan als het jaar van een aantal individuele uitschieters. Coryfeeën als Remco Campert, Marga Minco, Maarten ’t Hart en Cees Nooteboom kwamen met een nieuw boek; hetzelfde geldt voor de generatie schrijvers na hen, zoals Robert Anker, Kristien Hemmerechts en Willem Jan Otten. De jongste loot aan de stam, dit jaar vertegenwoordigd met een dikker dan dikke roman, behoort al zozeer tot het literaire establishment dat je je niet kunt voorstellen dat over vijftig jaar iemand zal schrijven: «Arnon wie?» Dat gebeurt natuurlijk ook niet. Die rol is immers al weggelegd voor Ilja… Ilja wie?

In 1954 verschenen zestig romans, in 2004 waren het er bijna tweehonderd. Ruim drie keer zo veel. En nu begint het grote klagen. Er zijn te veel boeken. In de Nederlandse boek media circuleren de laatste tien tot twintig jaar afschrikwekkende verhalen over een enorme overproductie aan literatuur waardoor de kwaliteit «dus» terugloopt. Sombere koppen en sombere meningen. Het verhaal is dat uitgevers geneigd zijn zo veel mogelijk boeken uit te geven, in de hoop dat zich ergens tussen die boeken een bestseller bevindt. Alleen best seller auteurs halen nog hoge oplagen. Andere boeken moeten het doen met oplagen van ten hoogste twaalfhonderd, en de van tevoren al ingecalculeerde restanten verdwijnen razendsnel naar de ramsjbedrijven.

Vergeten wordt meestal dat de hoge boekproductie alleen is vol te houden omdat de productie van boeken steeds goedkoper is. Bij het publiek bestaat nog het idee dat boeken via ingewikkelde typografieprocedures en gemanipuleer met verouderde drukpersen vrijwel met de hand worden gemaakt door in vervuilde overalls geklede morsige mannen die nooit buiten komen. In werkelijkheid is alles gedigitaliseerd en is de arbeidstijd per geproduceerd boek drastisch teruggelopen, waardoor de kostprijs dus sterk is verlaagd. Bij een oplage van achthonderd spelen uitgeverijen al quitte. Uitgeverijen bezuinigen vooral op hun personeel. Werknemers van boven de veertig kom je tegenwoordig in het uitgeversbedrijf nauwelijks nog tegen: hoe jonger de werknemer, hoe goedkoper. Dat hierdoor de kwaliteit van het uitgeversbedrijf onder druk staat, wordt op de koop toe genomen. Gelukkig heeft de uit geversbranche onder jonge hoogopgeleide mannen en vrouwen nog steeds een hoge status, dus valt er altijd nieuw personeel te scoren. In Bouquetreeks-boekjes zijn de heldinnen tegenwoordig niet meer schilderes of modeontwerpster, maar vaak ook schrijfster of uitgeefster. En is de begerenswaardige mannelijke held een uitgeverstycoon die een kasteel in Antibes bewoont.

Uitgeven is glamour, is televisie, is belangstelling in de krant, is party’s. Dat is het beeld. Schrijven is meningen hebben waar iedereen naar luistert, is mooie mensen op een mooie zomernamiddag, is borrels aflopen, is illusies hooghouden en is dansend de dag doorkomen. Er zijn steeds meer breed lachende schrijvers: de overproductie van boeken lijkt vooral voor beginnende, slecht verkopende schrijvers alleen maar gunstig. Ze verkopen misschien per titel minder boeken, maar de kans dat hun werk wordt uitgegeven is sinds een jaar of twintig sterk toegenomen. Ineens horen ze er ook bij. Bovendien kom je als slecht verkopende schrijver in Nederland na de publicatie van één of twee boeken snel in aanmerking voor een mooie werkbeurs die je status nog verder verhoogt. Het gaat goed met schrijven en schrijvers. Verder gaat het slecht, want wee je gebeente als je beginnend schrijver bent en je eerste drie boeken «niks doen» en je uitgever gaat fuseren. Huilen komt dan, zoals altijd, te laat.

Er zijn te veel dikke boeken. Dit is nog zo’n verhaal dat men bij uitgevers en aan de stamtafels van de literaire cafés aan elkaar doorvertelt. Vroeger (ja, vroeger), toen beukten schrijvers hun vingers blauw op belachelijk primitieve schrijfmachines en kregen ze er op pagina 180 al genoeg van. En daarna de correcties. Veertig keer overtypen van het hele manuscript, dat was nog het minste en dus zat het er na het eerste boek in dat je er niet over peinsde een dikker boek te schrijven. Dun is ook mooi. Niet alle schrijvers slagen erin, zoals Simon Vestdijk, om in één keer een publicabel manuscript uit te typen. Ja, placht men vroeger tegen elkaar te zeggen, maar Vestdijk, dat is geen schrijven, dat is typen. Oeverloos geploeter, wanhoop, huilbuien, dat was het betreurenswaardige lot van alle letterknechten.
Sinds de computer is dat veranderd en men heeft nu het gevoel dat de boeken daardoor steeds dikker worden. Schrijven is eleganter geworden en gemakkelijker: de delete-knop doet wonderen, en met behulp van de knip-en-plak-procedures waarover schrijfprogramma’s beschikken, kun je met een paar vingerbewegingen een heel boek omgooien, of met «bewerken» en «zoeken» een steeds terug kerende fout even snel eruithalen. Schrijf programma’s geven in rood aan wanneer de spelling fout is en in groen wanneer de computerkabouters vinden dat je tekst niet erg veelzeggend is, of gewoon kletspraat. En dus beginnen de boeken zich als het ware vanzelf te schrijven en worden ze dikker.

Kijk maar naar de productie van de laatste jaren. De dikke pillen springen eruit. Movo-tapes (AFTh), De lijfarts (Maria Stahlie), De pleitbezorger (Dick Schouten), Het opstaan (Désanne van Brederode), Wolfstonen (Herman Franke), Casino (Marja Brouwers), Omega Minor (Paul Verhaeghen), De joodse Messias (Arnon Grunberg). Allemaal rond de vijfhonderd pagina’s, sommige zelfs veel dikker. Ook in Amerika verschijnen de laatste tientallen jaren onbeschaamd dikke pillen: zie de historische romans van William T. Vollman, Infinite Jest van David Foster Wallace en werk van Jonathan Frantzen. Schrijven schrijvers dikkere boeken? Dikker dan in 1960? Tellen maar. Wie zoekt het uit? Bestaat er werkelijk een relatie tussen de dikte van het boek en het gebruik van de computer?

Boekexpert Lisa Kuitert beweerde in haar geruchtmakende inaugurale rede van een paar jaar geleden dat de dikte van boeken te maken heeft met het geld dat schrijvers ermee willen verdienen. Hoe dikker het boek, hoe meer geld. Heeft ze toch gelijk? Schrijvers krijgen op dit moment tien procent van de winkelprijs van hun boeken, een dik boek is duurder dan een dun boek en dus verdienen ze per dik boek meer dan per dun boek. Maar weegt dat op tegen de langere tijd die ze aan hun boek moesten werken? Koopt de klant liever dikke boeken? En wat is het verschil in omloopsnelheid tussen dunne en dikke boeken? Hebben schrijvers dankzij de computer hun werktijd werkelijk weten terug te dringen en zijn die dikke boeken een uiting van een toenemende wens hun hoge status in de media nu eindelijk ook eens in klinkende munt om te zetten? Vooruit met de geit, aan de slag met dat onderzoek!

Literatuur is onderdeel van de amusementsindustrie, en net als in de andere sectoren van die industrie is sprake van een toenemende rationalisatie en een daarmee gepaard gaande nivellering die zich bij literatuur uit in een nivellering van de literaire stijl. Zie hier al weer een beeld over de stand van zaken in de Nederlandse literatuur. En er valt wel wat voor te zeggen. Schrijven ontwikkelt zich de laatste dertig, veertig jaar meer en meer als een vak en minder als een romantische roeping. Vroeger hadden schrijvers vaak geen direct literaire achtergrond, schrijven was een bijbaan, die ontstaan was uit liefde voor literatuur en die men door het lezen van grote literatuur verder ontwikkelde. Schrijvers waren arts, advocaat, verzekeringsagent, leraar wiskunde, trombonist, geoloog, onderwijzer, historicus, bioloog, ambtenaar.

In de jaren zestig kwam daar langzamerhand verandering in. Veel schrijvers hebben nu een alfa-opleiding achter de rug, ze studeerden met wisselend succes Nederlands, geschiedenis of filosofie, en de laatste jaren kom je in de kleine biografieën achter op de boeken ook nieuwe studies tegen als communicatiewetenschap, algemene cultuurwetenschap en de school voor journalistiek. Studierichtingen dus waar men veel aan schrijfonderwijs doet. De vakken «taalbeheersing» en «creatief schrijven» krijgen er veel aandacht. Schrijvers van nu volgden vaak cursussen, tegenwoordig heet dat «modulen», met namen als: «effectief schrijven», «publieksgericht schrijven», «tekst en effect», «doelgericht schrijven», «bewust schrijven» en «literair schrijven». Met de nadruk op steeds dezelfde schrijfaanwijzingen: wees duidelijk, schrijf niet te lange zinnen, vermijd passiefconstructies, gebruik niet onnodig ingewikkelde zinnen, denk aan je publiek, zou je dit zelf willen lezen, doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg, vermijd te veel voorzetsel constructies, wees puntig, schrijf vanuit jezelf, laat niet je stijl je werk dicteren. Steeds vaker tref je bij nieuwe schrijvers een type proza aan dat mikt op puntigheid, vlotheid, directheid en een sterke ikgerichtheid die vergezeld is van een relativerende melancholie. Weinig pogingen meer om de wereld in beelden en woorden te vangen of te imiteren, maar verbaasde en toch directe, soms humoristische of melancholieke verwoordingen van ik-ervaringen. Geen duizelingwekkende wereldvisies en dito slingerzinnen en voorzetselwoekeringen, weinig bijvoeglijke naamwoorden, nauwelijks metaforiek en symboliek. Het idee, liever gezegd het geloof, dat in literatuur de wereld imiteerbaar of maakbaar is, lijkt verlaten. Want dat leidt alleen maar tot rare hersenspinsels en mooischrijverij, en mooischrijverij geldt als verreweg het ergste in het cursistenproza van de laatste jaren.