Kan de Zuidas nog tot leven gewekt worden?

Er zit geen muziek in het Mahlerplein

Op het hoogtepunt, of zo men wil het dieptepunt, van de vuilnismannenstaking, was er op de Zuidas in Amsterdam geen zak, laat staan een afvalberg te bekennen. Waar een financieel/juridisch district al niet goed voor kan zijn.

HET ZOU DE REPUTATIE van het duurste stuk grond van Nederland met de vermoedelijk hoogste dichtheid aan advocaten ook geen goed gedaan hebben. Een gestroomlijnd blauw pak wil nu eenmaal niet graag geconfronteerd worden met de onverzorgde achterkant van de samenleving in de vorm van mislukte cao-onderhandelingen en de wanorde die dat meebrengt.
Terwijl per 1 januari de derde supervisor is aangetreden in de figuur van stedenbouwkundige Malcolm Smith (van het Londense bureau Arup), lijkt het centrale gedeelte Mahler grotendeels gereed. Nog twee torens te gaan en dan moet Mahler als voltooid worden beschouwd, staat er op de website. Mahler is de kern met (internationale) advocatenkantoren, het Holland Financial Center (voor startende financiële bedrijven) en het ABN Amro-hoofdkwartier. Gershwin, ten zuiden van Mahler, is in aanbouw: hier worden voornamelijk woningen in het duurste segment gebouwd. Ravel, ten oosten van de Beethovenstraat, moet nog helemaal ontwikkeld worden.
Smith, op een rijdende trein gesprongen, kan aan die stedenbouwkundige opzet van het gebied niet veel meer veranderen, waarover zijn voorganger, de Vlaamse architect Bob van Reeth, nog verzuchtte ‘dat het wel veel ego’s bij elkaar zijn’. Daarmee doelde Van Reeth op de spierbundels van veelal buitenlandse architecten die met elkaar samen (nog) geen coherent stadsdeel hebben opgeleverd. Futuristische architectuur, dat wel, maar gebed in een nine to six-wijk. Smith zegt vergoelijkend: 'Tijdens lunchtijd is het levendig op straat en in de cafés. Over enkele jaren is het een normaal stadsdeel, voorspel ik. Canary Wharf in Londen heeft er ook meer dan tien jaar over gedaan om tot leven te komen. Dat gebeurde pas na aansluiting op de Jubilee-lijn. De Zuidas heeft als voordeel dat er al goed openbaar vervoer aanwezig is. Als de Noord-Zuidlijn klaar is, wordt het alleen maar beter.’

Aan Smith ligt het niet, maar een feit is dat de strook tussen Amstel en Schinkel anno 2010 een onherbergzame indruk maakt. Veel commerciële ruimte in de plint van de torens staat te huur. De brasseries hebben een lusteloze, want introverte uitstraling en de diversiteit is non-existent. In het plandeel Vivaldi (gelegen tegenover de RAI aan de zuidkant van de A10) passeren we een gebouw met een golf republic, maar hoe de ballen geslagen worden, is vanaf de straat niet waarneembaar. Idem met Club Sportive aan de Debussylaan in Mahler: geen gezweet te bekennen. Auto’s verdwijnen in ondergrondse garages, en dus ook het dozijn bewoners dat er moet wonen. Verkapte gated communities zijn het, waar Smith niet veel aan kan veranderen: 'Woontorens hebben nu eenmaal een gesloten karakter.’ Dat verklaart de monocultuur ten zuiden van de A10. Er wordt gewerkt, hard gewerkt, nemen we aan, maar nog niet geleefd op de Zuidas. Grafieken willen ons iets anders doen geloven. In een 'taartpunt’ wordt aangegeven dat de werkoppervlakte zeventig procent is, wonen zeventien procent en de rest voorzieningen.
Deels heeft de leegstand te maken met de crisis die de banken heeft getroffen, hoewel Smith en het projectbureau daar nog niet veel van merken: 'Er zijn geen projecten afgelast, hooguit on hold gezet.’ Bezwaarlijk vindt hij dat niet: 'Een crisis geeft ons de gelegenheid ons te bezinnen. Steden, wijken, kunnen er alleen maar beter van worden. Het geeft ons ruimte om vragen te stellen, te onderzoeken of we de juiste koers zijn ingeslagen. Of de stagnatie goed is of slecht kan ik nog niet beoordelen. Ze zou wel eens bepalend kunnen zijn over het al dan niet voortzetten van de hoogbouw. Ik vergelijk het ontwikkelen van een stad of stadsdeel met een bomenring. Soms gaat het snel, soms wat langzamer. Uiteindelijk groeit-ie wel!’
In navolging van Van Reeth plaatst ook Smith kanttekeningen bij het oorspronkelijk stedenbouwkundig plan van Pi de Bruijn dat al weer van twaalf jaar geleden dateert. Toen werd het Masterplan uitgebracht om maar liefst 270 hectare te ontwikkelen. Ronkende getallen: in 2040 moeten tweehonderdduizend bewoners, werknemers en reizigers verblijven in een overwegend sterk stedelijk kwartier. Smith blijft desondanks hoffelijk over het masterplan. Dat plan, zegt hij, moet je in zijn tijd zien: 'Dat is een printplaat waarop torens zijn neergezet met straten ertussen. Het thema duurzaamheid bestond nog niet. In de jaren negentig dachten we nog niet na over het openen van ramen, het gebruik van bepaalde materialen en het eventueel herbestemmen van gebouwen. Die flexibiliteit proberen we er nu wel in te brengen.’ Zeker nu de leegstand van kantoren een naoorlogs record heeft bereikt, is dat een actuele opgave voor ontwikkelaars: kantoren moeten transformeerbaar zijn, bijvoorbeeld in woonruimte. Overigens gaat dat voor de Zuidas beslist niet op, omdat de vierkante-meterprijs domweg te hoog is. Smith gooit het dan ook over een andere boeg om de leefbaarheid te vergroten in het gebied: 'De levendigheid moet komen van een aangename openbare ruimte. Een circus dat is neergestreken op de hoek van de Beethovenstraat/Boelelaan, de Giro d'Italia die hier van start gaat, concerten die gegeven worden op het Mahlerplein. Het gebied moet communiceren met de rest van de stad. De hardware in de vorm van architectuur staat er, nu moeten we ons richten op de software.’
Hij ziet zichzelf dan ook eerder als een strateeg die de energie van het gebied probeert uit te buiten dan als een stedenbouwkundige die schaakstukken op het bord verplaatst. 'We moeten de potentie benutten van de VU, de Rietveld Academie, een toekomstig ROC en de RAI. Die brengen een ander soort levendigheid in.’ Het Virtueel Museum Zuidas draagt daar nu al aan bij, door grote schermen en billboards waarop letterlijk de wereld van buiten wordt binnengehaald.

BIJ DE START VAN DE ZUIDAS bestond de angst dat het gebied (zakelijke) activiteiten zou wegzuigen uit het centrum. En inderdaad, er hebben zich grote advocatenkantoren geconcentreerd in Mahler, waarbij de vraag gewettigd is of ze überhaupt in de binnenstad hadden gepast. Bovendien is hun werkveld niet zozeer Amsterdam als wel de global village. Het is dan ook beter te constateren dat de Zuidas niet zozeer de concurrentie aangaat met de Herengracht als wel met de Londense City, de Potsdamerplatz in Berlijn en met Frankfurt. 'Het zijn mensen die concurrentie beoordelen, niet stadsdelen’, stelt Smith nuchter vast. 'Ik zie zo'n gebied als de Zuidas in relatie met de binnenstad, in zijn context.’
Zijn grootste zorg of opgave is om de verschillende plandelen te laten aansluiten op hun omgeving, dus Gershwin op Buitenveldert, en Vivaldi op de RAI/Europaplein. 'Uiteindelijk moet de naam Zuidas gewoon verdwijnen.’ Zuidas, dat realiseert hij zich, is niet een naam waar je warm voor loopt. Over twintig jaar moet bij wijze van spreken Mahler net zo'n begrip zijn als De Pijp. De Britse architect: 'Maar als je Amsterdammers vraagt wat De Pijp betekent, weten ze het ook niet. Desondanks hebben ze er een beeld bij. De Pijp heeft een identiteit. Dat moet hier net zo goed komen.’
Cruciaal voor de bloei van de Zuidas is het verplaatsen van sporen en wegen naar de ondergrond, werd bij aanvang gezegd. Het zogeheten dokmodel moest het spreekwoordelijke toverstafje zijn dat het gebied de finishing touch zou geven. Anno 2010 ligt er nog steeds geen dok. Er is wel een inspirerende studie gepresenteerd, in november 2009, van de rijksvertegenwoordiger Dirk Jan van den Berg, die aanknopingspunten biedt voor een eenvoudiger dok dan het aanvankelijk gepresenteerde model. Daarin lagen de wegen onder het spoor. Van den Berg, tevens voorzitter van het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft, acht het terrein breed genoeg om de infrastructuur naast in plaats van boven elkaar te leggen. Als dat wordt gerealiseerd, komt er een aanlokkelijk maaiveld vrij waar de kloof tussen Buitenveldert en Amsterdam-Zuid wordt gedicht met woningbouw en kantoren.
Hoewel Smith en het projectbureau het dok uiteraard graag zouden verwelkomen, stellen ze zich realistisch op. Het is de politiek die hier een beslissing over moet nemen en die laat zich voornamelijk leiden door de complexiteit van het project en de risico’s die het met zich meebrengt. Dat de demissionaire ministers Eurlings en Van der Hoeven zich voorstander hebben getoond van het dok zegt dan ook niet zo veel. Dit is aan een nieuw kabinet. Intussen is uit milieueffectrapportages al gebleken dat zonder dok woningbouw moeilijker haalbaar wordt. Het fijnstof-spook dat andere projecten al een spaak tussen de wielen heeft gestoken, waart ook rond op de Zuidas. Ramen openzetten, zoals architecten tegenwoordig weer graag willen, wordt dan een utopie.
Voor een gebied dat allure wil uitstralen, is het huidige tochtgat tussen Zuid- en Mahlerplein ondermaats, daar zijn vriend en vijand het over eens. Het station is daarbij nauwelijks berekend op de groei van reizigers die de komende jaren wordt verwacht, zeker met de aansluiting van de Noord-Zuidlijn en de HSL-verbinding met Duitsland. Door de fysieke scheiding is er met name aan de zuidkant een andere wereld ontstaan, die van de aktetas op wieltjes en entrees vol glans en glitter - de kroon wordt gespannen in het kantoor van De Brauw en Westbroek, dat is ontworpen door Erick van Egeraat. Dit is eerder de look van Londen en New York dan van Amsterdam. Een horizontale verbinding met de noordkant zal daar weinig veranderen aan die tegenstellingen. Komt die er wél, dan zal de architectonische discrepantie tussen noord en zuid blijven, die tussen grintbeton en natuursteen. Er zal nog veel gelijmd en gerepareerd moeten worden - een tegenvaller bijvoorbeeld was de afgelasting van het musicaltheater van Joop van den Ende tegenover de RAI (dus in het Vivaldi-deel) dat reuring teweeg had gebracht. Nu is het een treurig stemmende parking voor touringcars en bedrijfsauto’s die de RAI bevoorraden.
De vraag die dan ook voor de hand ligt, is of de Zuidas niet te megalomaan, te omvangrijk is. Smith heeft daar nog geen passend antwoord op, klampt zich vast aan de segmentering van het gebied waardoor je stukje bij beetje kunt ontwikkelen. En stelt, opnieuw nuchter, vast 'dat een stad nooit af is’: 'Ook een historische stad als Amsterdam vindt zichzelf telkens uit.’ Een einddatum als 2030 wordt weliswaar genoemd, maar dat lijkt eerder een streven dan een doel. Immers, bij uitstek een project als de Zuidas lijkt vatbaar voor economische en financiële turbulenties. Er zit voorlopig alleen muziek in de naamgeving van het gebied.