Er zit geen rem op

De gedichtenbundel zoals we die sinds de negentiende eeuw kennen, is failliet.

Enkele generaties lezers en dichters zijn opgegroeid met de gedachte dat het een goed idee was losse gedichten op een stapeltje te leggen en er een nietje doorheen te slaan, om het geheel als ‘bundel’ te presenteren. Natuurlijk, over de volgorde van de gedichten werd wel nagedacht, in negentig procent van de gevallen kwam die tot stand door associatieve schakels, maar in essentie bleef het afzonderlijke gedicht de eenheid. Op basis van deze visie ontstond tevens het meest verwerpelijke verschijnsel dat de poëzie kent: de bloemlezing. Een echte poëzieliefhebber zal nooit een bloemlezing kopen.

Gelukkig is dat tijdperk voorbij. Dichters denken weer in grotere eenheden, schrijven lange, min of meer verhalende gedichten of bouwen hun ‘bundels’ (dat woord moeten we dus afschaffen) op als samenhangende kunstwerken waaruit men niet straffeloos losse fragmenten kan plukken. Robert Anker, H.C. ten Berge, Pieter Boskma, Annemarie Estor, Jacob Groot, Leonard Nolens, Henk van der Waal: allemaal construeren ze werken van lange adem waarvoor je een paar uur geconcentreerd moet gaan zitten. Het geïsoleerde gedicht is passé. Wie nog een kort gedicht zoekt voor zijn uitvaart wende zich tot ‘de symbolen van het voormalige’, om met Leopold te spreken. Dit wordt een eeuw van epiek. En er zijn voorbeelden genoeg, van Vergilius en Vondel tot Nijhoffs Awater en de Cantos van Pound.

Han van der Vegt (1961) heeft zich van meet af aan toegelegd op het lange gedicht. Dat hij zich wil scharen in een eeuwenoude traditie van barden en vertellers blijkt bovendien uit het feit dat hij zijn gedichten van buiten kent en op fenomenale wijze weet voor te dragen. Behalve Tsjêbbe Hettinga, die ons helaas is ontvallen, ken ik geen hedendaags dichter wiens verhalen een publiek zo in hun ban weten te dwingen als Van der Vegt. Zijn nieuwe boek, Navigatiesystemen, gaat gepaard met een cd waarop de dichter een van de gedichten voorleest, ondersteund door (overigens niet erg inventieve) minimal music van Jan Frans van Dijkhuizen. Die voordracht duurt een uur – dit om een indruk te geven van de schaal waarop Van der Vegt werkt.

Als om te benadrukken dat de traditie ook een toekomst heeft, schildert hij werelden die een amalgaam lijken van Dante en sciencefiction, van Jheronimus Bosch en Sin City. Zo vertelt het eerste gedicht het verhaal van Orfeus en Eurydice, hier Orf en Ryddic geheten, in de vorm van een computergame met zes levels, terwijl het laatste gedicht (maar liefst 35 pagina’s) in dactylische hexameters een eindtijd oproept waarin de wereld voor mensen onbewoonbaar is geworden. Inferno, rampenfilm, dubieuze fantasy, maar vooral veel afgerukte ledematen, soppende modder, gistende lichaamssappen en futuristische techniek, dat is het universum van Van der Vegt.

De dichter munt uit in exuberante beschrijvingskunst. Hier staat Orf op het punt zich in de krater van de hel te storten, waarin zich echter een reusachtige cocon bevindt die de toegang lijkt te versperren:

op je vlucht naar beneden zie je dat het weefsel – van de cocon – met broedkamers – is gemazeld – madenkopjes wriemelen op uit iedere cel – zoogsters komen hen voeden met een dikke bloedpap – kijk, sommige krijgen scharen, sommige snavels – waarvan een hap – een zoogster zo – de kop afbijt – ze vreten tot – hun gulzigheid en gal hen de vulkaan uit drijven – om ergens in dit rijk hun aandeel in te rijven

Hoewel het boek in zes gedichten uiteenvalt, waarvan de middelste vier allemaal uit zeven episoden bestaan, komen allerlei elementen steeds terug. Eenlingen of groepen ondernemen een queeste, trekken door onherbergzaam gebied en proberen met liederen op de been te blijven, maar in geen van de gevallen is de reis een succes. Weliswaar slaagt Orf erin Ryddic aan Wormgoor te ontfutselen, maar beiden zijn niet meer wie ze waren. Tannhäuser verdwaalt op een reusachtig vrouwenlichaam, waar hij steeds wegzakt in deinend vlees en zompige lichaamsopeningen. De reeks ‘Afdaling in het zelf’ biedt het zoveelste inferno:

Halverwege het woud wacht een hyena je op,

die jouw gezicht draagt op zijn kop en om zijn anus.

Wat is de weg tot het zelf, vraagt hij je. Inkeer en

ontluistering, zeg je. Daarop spert hij zijn kaken.

Ik ken geen hedendaags dichter wiens verhalen een publiek zo in hun ban weten te dwingen als Van der Vegt

Het behoeft geen betoog dat het zelf overal en nergens wordt aangetroffen, zonder dat de held of de lezer er wijzer van wordt: ‘Waar het zelf is, daar is geen uitsluitsel, lispelt het.’

Van der Vegt is een virtuoos verteller, maar schieten we ook iets op met al die heftige beelden in technicolor, die schier oneindige aaneenschakeling van bizarre metamorfosen? Dat er geen rem op zit is tot daar aan toe, maar heeft de felle buitenkant ook substantie? Neem nu het lange slotgedicht De paladijnen, dat alleen al in de metrische vorm refereert aan het klassieke epos. Een monsterlijk voertuig dat het vermogen heeft zichzelf te repareren, trekt door een onleefbaar landschap van ‘zwavelvalleien’, ‘dauwgrijze asgebergten’ en ‘lavarivieren van plastic en steenslag’, waar hier en daar nog resten van een menselijke beschaving worden aangetroffen. De reizigers zijn vertrokken uit het paleis van een machtige koning, op zoek naar de Graal, en na eindeloze, waarschijnlijk eeuwenlange omzwervingen komen ze terug bij hun uitgangspunt. Het lichaam van de koning is intussen gebalsemd en ‘weer in zijn oude glorie hersteld’. Mogelijk begint de queeste hierna opnieuw.

Van der Vegt is er niet voor teruggedeinsd herhaaldelijk te verwijzen naar Leopolds Cheops, een van de indrukwekkendste gedichten uit de Nederlandse literatuur. In vergelijking daarmee getuigt Navigatiesystemen van een pijnlijk gebrek aan diepte. Is dat misschien waarom het Van der Vegt te doen is?


Uit: De paladijnen

Niets brengt zo nauw tezamen, geen bloed, geen zaad en geen regel

als de omkapping die ons beschut, de wielen die ons naar

één gemeenschappelijk heilsuur horrelen, dat gelijktijdig

in elke voorwaartse schuifduik eerder gedeelde ontbijtpap

ons aan de huig schuimt. Adem stokt ons zuur in de strotklep.

Zij die leven binnen één ritme hoeven geen woorden,

blikken te delen. Zelden gebeurt het dat een van ons misgrijpt,

stuur dan wel pook uit handen laat glippen, haar evenwicht kwijtraakt.