Gevechten in de Baluchivallei

‘Er zit veel denkwerk achter elke kogel die wordt afgeschoten’

De door Nederlanders geleide Isaf-operatie Spin Gahr in de Baluchivallei verloopt volgens Defensie naar wens. Doel is de Taliban uit de vallei te verdrijven. Dat lijkt te lukken, zij het niet zonder slachtoffers.

TARIN KOWT/KANDAHAR – Vier mannen lopen met snelle tred weg van de bergrand waar enkele dagen eerder nog gevochten werd. Zo snel als ze kunnen, proberen ze de huizen aan de rand van de vallei te bereiken, achter de Nederlandse pantserwagens langs, die hun snelvuurkanonnen op de dichtbegroeide rivierbedding hebben gericht. Ze dragen een klein bed, bedekt met een donker kleed. Hun last is zwaar, de mannen zijn oud. De jaren hebben hun baarden wit gekleurd. Een Nederlandse inlichtingenofficier rent naar hen toe. Voorzichtig zetten ze het bed neer op z’n dunne metalen pootjes. Een van hen slaat het kleed terug. De officier kijkt in het gezicht van een dode. Er zit geronnen bloed op zijn rechter wenkbrauw; de man is al zeker twee dagen dood.

De door Nederlanders geleide Isaf-operatie Spin Gahr (Witte Berg) in de moeilijk doordringbare Baluchivallei verloopt volgens Defensie naar wens. Doel is de Taliban uit de vallei te verdrijven. Dat lijkt te lukken, zij het niet zonder slachtoffers. Een Australische commando sneuvelde. Een Nederlandse verkenningseenheid reed op een bermbom. Een korporaal vond daarbij de dood, twee anderen raakten gewond. Een Amerikaan en enkele Afghaanse militairen liepen schotwonden op.

Volgens Afghaanse bronnen zouden meer dan twintig strijders zijn gedood. Defensie doet daarover geen mededelingen.

‘Taliban?’ vraagt de inlichtingenman en neemt een foto van het lijk. De mannen heffen hun handen. Ze proberen hem iets duidelijk te maken. ‘Maldar!’ zeggen ze. Navraag leert dat het woord nomade betekent, of herder. ‘Volgens ons is het iemand die met raketgranaten op ons geschoten heeft’, zegt de inlichtingenman.

Twee andere lijken lagen beneden in de vallei. Bij beide lichamen werden wapens gevonden. De strijders werden gedood bij qala’s – ommuurde woningen die soms meer weg hebben van vestingen – van waaruit de Nederlanders werden aangevallen met raketgranaten en automatische wapens. Een van de strijders leefde nog toen de militairen hem aantroffen. Hij lag in een smal irrigatiekanaal en was zwaar gewond. Op de plek waar hij stierf, liggen nog de verpakkingsmaterialen van infuusnaalden en verband. Zijn zwarte tulbanddoek ligt uitgerold en met modder besmeurd op het pad langs het slootje. De andere strijder lag in een qala die werd ingenomen door het Afghaanse regeringsleger ana. ‘We hebben hier vijf uur lang gevochten’, zegt luitenant Dennis, een van de militairen die de ana in het veld begeleidden. ‘We werden onder vuur genomen met rpg’s (raketgranaten – jb). Toen we het huis eenmaal in handen hadden, lag daar dat lijk.’ Hij wijst op een plek bij een gat in de qala-muur. ‘Er zijn wel tien ana-militairen die claimen hem te hebben gedood.’

Dat Defensie liever niet spreekt over dodentallen is begrijpelijk. Dit is een contraguerrilla, en in dat type oorlogsvoering is terughoudendheid van het grootste belang. Ook al worden de militairen aangevallen, het devies is: maak zo weinig mogelijk slachtoffers. De strijders zijn vaak afkomstig uit de lokale bevolking, en die moet gewonnen worden voor de regering in Kabul – niet volgepompt met haat door haar zonen te doden. Toch is het belangrijk vast te stellen hoeveel strijders er zijn gedood en onder welke omstandigheden. In Zuid-Afghanistan zijn Taliban en burgerbevolking nauwelijks van elkaar te onderscheiden. ‘Het criterium is: draagt iemand een wapen, en zie ik dat hij van plan is dat tegen mij te gebruiken? Pas dan heb ik een positive identification en mag ik het vuur openen’, zegt luitenant Justin. ‘Tijdens het gevecht om de qala’s schoten we een vent uit een boom die ons onder vuur nam. We zagen hoe hij werd weggesleurd door zijn maten. Dat zouden wij ook doen. Je laat je makkers niet op het slagveld achter. Het is goed dat we nu de lichamen van strijders met wapens en al gevonden hebben. Daardoor leren we veel over onze tegenstander.’

Eind juni vielen de Taliban van drie kanten de Afghaanse politieposten en de Nederlandse troepen aan in het district Chora, aan de noordzijde van de Baluchivallei. Volgens de onafhankelijke Afghaanse mensenrechtencommissie aihrc, die onderzoek deed onder de bevolking in het district, werden tijdens de strijd 85 non-combattanten gedood. Een kwart daarvan zou op het conto te schrijven zijn van de Taliban. De rest kwam om door vliegtuigbommen en artillerievuur dat was aangevraagd door Nederlandse troepen. Vier onderzoeken pleitten Nederland vrij van oorlogsmisdaden. De Nederlanders hadden de bevolking via lokale leiders en met luidsprekers opgeroepen het gebied te verlaten.

Maar volgens de aihrc had dat al veel eerder moeten gebeuren. De Nederlanders beschikten al langere tijd over inlichtingen dat de Taliban een aanval op het districtscentrum planden. Ook heeft Nederland volgens de aihrc disproportioneel gereageerd met de inzet van artillerie en straaljagers. Ook tijdens de gevechten begin september in Deh Rawod, waar het districtscentrum bijna onder de voet werd gelopen door Taliban-strijders, zouden door bombardementen non-combattanten zijn gedood. ‘Nu beschouwen wij dit als tekortkomingen in het toepassen van het oorlogsrecht’, vertelde Qais Bowari van het aihrc-team in Kandahar, doelend op de strijd in Chora. ‘Mocht dit zich herhalen, dan is er sprake van systematiek en gaat het om oorlogsmisdaden.’

‘Iedereen binnen Isaf is ervan doordrongen dat de bevolking gewonnen moet worden. Het is van het grootste belang dat het aantal burgerslachtoffers geminimaliseerd wordt’, vertelt een Nederlandse juridisch adviseur voor de International Security Assistance Force (Isaf) in Kandahar. Dat geldt zeker ook voor de Nederlanders, legt majoor Wilfred Rietdijk uit. Hij is commandant van het provinciaal reconstructieteam (prt). ‘Er zit veel denkwerk achter elke kogel die wordt afgeschoten.’

Hij legt uit hoe de Taliban te werk gaan. Hun extremistische bewind gedijt op geïsoleerde plekken, zoals de Baluchivallei. Ze verdrijven of vermoorden er de key players (mulahs, dorps- en stamoudsten) die hun niet zuiver genoeg op de graat zijn. Vervolgens maken ze de bevolking van hen afhankelijk voor veiligheid, voedsel en diensten. De Baluchivallei was snel te winnen voor de Taliban, omdat de belangrijkste stam daar, de Toghi, door de oude gouverneur Jan Mohammed Khan werd vernederd en buiten het bestuur gehouden. Diens opvolger Abdul Hakim Munib, die vorig jaar zo hoopvol werd ontvangen, is inmiddels vervangen door Assadullah Hamdam.

‘Hamdam begrijpt wat wij willen bereiken met de operatie’, denkt Rietdijk. ‘Om de bevolking te winnen zal hij hun meer moeten bieden dan de Taliban. Niet alleen voedsel en veiligheid, maar ook schoon drinkwater, onderwijs, medische faciliteiten. Het doden van Taliban-kopstukken interesseert me niet. Daarvan worden er zo weer nieuwe aangemaakt in Pakistan. De hele operatie is erop gericht zo weinig mogelijk te vechten. De Taliban moeten niet alleen fysiek, maar vooral mentaal worden teruggedrongen.’

De vallei werd al eens eerder schoongeveegd. Ook toen vluchtten de Taliban, om later weer terug te keren. De Afghaanse overheid had te weinig moeite gedaan om de omstandigheden voor de bevolking te verbeteren. Nu worden nieuwe politieposten bij de ingang van de vallei gebouwd, zegt Rietdijk. ‘We gaan geen Nederlandse levens riskeren om over twee maanden weer terug bij af te zijn. Er zijn nieuwe agenten opgeleid die veiligheid moeten bieden. Uiteindelijk komt het op de Afghanen zelf aan.’

De Nederlanders lijken geleerd te hebben van Chora. Er is veel aan gedaan – volgens de Nederlanders het maximale – om burgerslachtoffers te voorkomen. De gouverneur belegde twee dagen voor de operatie een sjoera, een vergadering van stamoudsten uit het gebied. Hij vertelde hun dat er een militaire actie zou komen en dat de mensen ’s nachts binnen moesten blijven en overdag weg moesten gaan van de gevechten. De waarschuwing werd ook over de radio uitgezonden en er zijn pamfletten afgeworpen met tekeningen, waarop wordt uitgelegd dat de mensen de Taliban moeten mijden. Maar is het genoeg? ‘Geloof me’, verzucht Rietdijk, ‘we hebben onze uiterste best gedaan. Maar er kan natuurlijk een bom op een qala vallen. En dan heb je meteen negatieve beeldvorming in Nederland.’

Vanuit een van de luiken van zijn pantserwagen houdt majoor Henk, commandant van de Charlie-compagnie, met zijn verrekijker de vallei in de gaten. Dit is de tweede dag dat de Nederlandse hoofdmacht in de vallei wordt ingezet. De eerste dag vonden vuurgevechten plaats op korte afstand. Daarbij werden de twee strijders gedood wier lichamen werden gevonden. Vandaag wordt vooral op afstand gevochten. ‘Kijk’, zegt Henk, ‘mortiervuur van de Taliban.’ Er verschijnt een rookwolkje boven een qala. Meteen begint het 25mm-kanon van een van de pantserwagens te vuren. De mortier landt op de helling van een heuvel, niet ver van een pantserwagen. Intussen wordt een qala-complex bestookt met vliegtuigbommen. In ongeveer anderhalf uur tijd vallen er vijf.

Zijn er nog burgers in het gebied? De gouverneur heeft hen niet opgeroepen het gebied te verlaten. Hij heeft hen slechts gewaarschuwd. ‘Dat kon niet anders’, vertelde prt-commandant Rietdijk. ‘Je kunt de mensen moeilijk de kale bergen in jagen.’ Majoor Henk heeft het antwoord. ‘Jazeker, er zijn nog mensen in de vallei. Toen wij gisteren voorwaarts gingen, zag ik een man met een kindje voor een qala staan. Later werden we daarvandaan beschoten met rpg’s. Ik had op dat huis een bom kunnen laten gooien, maar dat heb ik niet gedaan. Ik ben vader van drie kinderen, begrijp je?’

Ook luitenant Justin, commandant van het tirailleurpeloton van de Alfa-compagnie, zag burgers. ‘Toen we een verrassingsaanval uitvoerden, kwamen we veel bevolking tegen. Een oude man begroette ons lachend, terwijl we oprukten. We hebben de mensen weggestuurd van de gevechten.’

Mulah Mohammed Gul zegt vijfhonderd families te vertegenwoordigen ten zuiden van de Baluchivallei, in het dorp Ferozai. ‘Veel mensen zijn naar het zuiden gevlucht toen Isaf aanviel’, zegt hij. ‘Ik ben gekomen om te vragen of zij al kunnen terugkeren.’ Hij is niet gewaarschuwd voor de operatie door stamoudsten, zegt hij. Een radio heeft hij niet en pamfletten heeft hij niet gezien. Die blijken dieper in de vallei te zijn uitgestrooid. Hij heeft ervaring met de hardvochtigheid van de Taliban. ‘Ze slaan je als je je niet gedraagt zoals zij willen.’ Over burgerdoden weet hij niets. Wel is een schaapsherder vermist, zegt hij. ‘Ik heb gehoord dat zijn lichaam gevonden is. Maar we weten niet wie hem gedood heeft. Misschien zijn jullie het, maar het kunnen net zo goed de Taliban zijn geweest.’

(Dit artikel is door Defensie gecontroleerd op operationele informatie. De feiten konden niet worden voorgelegd aan onafhankelijke en/of Afghaanse bronnen)